Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BF0177

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
09-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/859
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 07/859 20 augustus 2008

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: ing. M.J.G.A. Meeuwissen, werkzaam bij GBV Administraties en Advies te Roermond,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Suzen-Alken, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 27 oktober 2007, bij het College binnengekomen op 5 november 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 september 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op appellantes bezwaar tegen een besluit van 20 mei 2005 op grond van de Regeling dierlijke EG-premies over het premiejaar 2004.

Bij brief van 17 december 2007 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Bij brief van 19 februari 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 9 juli 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante, bij monde van haar gemachtigde en A, en verweerder, bij monde van zijn gemachtigde, hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, luidde voorzover en ten tijde hier van belang:

“ Artikel 6

1. Aan producenten die zoogkoeien houden op hun bedrijf, kan op hun verzoek een premie worden verleend voor het aanhouden van zoogkoeien (zoogkoeienpremie). (…)

Artikel 12

1. Het totale aantal dieren waarvoor speciale premies of zoogkoeienpremies kunnen worden verkregen, wordt begrensd door toepassing van een veebezettingsgetal van 2 grootvee-eenheden (GVE) per hectare en per kalenderjaar. Vanaf 1 januari 2002 geldt een veebezettingsgetal van 1,9 GVE en, vanaf 1 januari 2003, van 1,8 GVE.

Het veebezettingsgetal geeft de verhouding weer tussen het aantal GVE en het areaal van het bedrijf dat voor de voedering van de dieren van hetzelfde bedrijf wordt gebruikt. Een producent wordt echter vrijgesteld van de toepassing van het veebezettingsgetal wanneer het aantal dieren op zijn bedrijf dat in aanmerking moet worden genomen voor de bepaling van het veebezettingsgetal, niet groter is dan 15 GVE.

2. Het veebezettingsgetal van het bedrijf wordt vastgesteld op grond van

a) de aantallen mannelijke runderen, zoogkoeien en vaarzen, schapen en/of geiten waarvoor premieaanvragen zijn ingediend, en het aantal melkkoeien dat nodig is voor de productie van de aan de producent toegekende totale referentiehoeveelheid melk. Voor de omrekening van het aldus verkregen aantal dieren in GVE wordt gebruikgemaakt van de omrekeningstabel in bijlage III;

b) het voederareaal: de oppervlakte van het bedrijf die gedurende het hele kalenderjaar voor de runderveehouderij en de schapen- en/of geitenhouderij beschikbaar is: (…)

BIJLAGE III

Tabel voor de omrekening in grootvee-eenheden als bedoeld in de artikelen 12 en 13

(…)

Mannelijke runderen en vaarzen ouder dan 24 maanden, 1,0 GVE

zoogkoeien en melkkoeien

Mannelijke runderen en vaarzen tussen 6 en 24 maanden 0,6 GVE

(…) "

Artikel 23 van Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie van 28 oktober 1999 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van de premieregelingen in de sector rundvlees, luidde, voorzover hier van belang:

" Gebruik van de premierechten

1. Een producent mag de rechten waarover hij beschikt gebruiken door deze zelf te doen gelden en/of door tijdelijke overdracht aan een andere producent.

2. Wanneer een producent in de loop van een jaar niet ten minste het overeenkomstig lid 4 vastgestelde minimumpercentage van zijn rechten gebruikt, wordt het niet gebruikte deel aan de nationale reserve overgedragen, behalve:

(...)

- in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen.

4. Het minimumpercentage voor het gebruik van de premierechten wordt vastgesteld op 70 %.

De lidstaten kunnen dit percentage evenwel verhogen tot 90 %.

De lidstaten stellen de commissie vooraf van het door hen toegepaste percentage in kennis."

Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, luidde, voorzover hier en ten tijde van belang:

" Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

i) "steunaanvraag 'oppervlakten'": aanvraag tot betaling van steun op grond van de in artikel 1, lid 1, onder a) en b), punt iii), van Verordening (EEG) nr. 3508/92 genoemde steunregelingen, met inbegrip van de aangifte van andere vormen van grondgebruik, en met name de aangifte van voederareaal met het oog op de indiening van steunaanvragen "dieren";

(…)

Artikel 6

Voorwaarden met betrekking tot de steunaanvragen "oppervlakten"

1. Een steunaanvraag "oppervlakten" moet alle gegevens bevatten die nodig zijn om te bepalen of op de steun aanspraak kan worden gemaakt, en met name:

(…)

b) de voor de identificatie van alle percelen landbouwgrond van het bedrijf dienstige gegevens, de oppervlakte van deze percelen, uitgedrukt in hectare tot twee cijfers achter de komma, de ligging en het gebruik ervan, eventueel het feit dat het om een geïrrigeerd perceel gaat, en de betrokken steunregeling;

(…)

Artikel 10

Voorwaarden met betrekking tot de steunaanvragen "dieren"

1. Een steunaanvraag "dieren" moet alle gegevens bevatten die nodig zijn om te bepalen of op steun aanspraak kan worden gemaakt, en met name:

(…)

b) een verwijzing naar de steunaanvraag "oppervlakten" indien deze reeds is ingediend;

(…) "

De Regeling dierlijke EG-premies luidde, voorzover en ten tijde hier van belang:

“ Artikel 4.2

1. Om voor premie in aanmerking te komen, dient de producent van runderen een aanvraag oppervlakten, als bedoeld in artikel 6 van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen, in bij LASER.

2. (…)

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de producent die wordt vrijgesteld van de toepassing van het veebezettingsgetal en geen aanvullende premie aanvraagt.

Artikel 6.2

1. Een premie wordt de producent slechts verleend:

a. voor niet meer zoogkoeien dan het aantal premierechten waarover de producent beschikt;

b. tot het voor het bedrijf van de producent ingevolge artikel 12, eerste lid, van verordening 1254/1999 geldende maximum veebezettingsgetal;

(…)

Artikel 6.3

Het minimumpercentage voor het gebruik van premierechten voor zoogkoeien, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van verordening 2342/1999, bedraagt 90.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Verweerder heeft bij besluit van 1 juli 2004 de aanvraag oppervlakten 2004 van appellante buiten behandeling gelaten wegens niet tijdige indiening van bedrijfskaarten.

Bij besluit van 8 april 2005 heeft verweerder het tegen dit besluit gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 april 2006 (AWB 05/322) heeft het College appellantes beroep tegen deze beslissing op het bezwaar ongegrond verklaard.

- Bij besluit van 18 mei 2005 heeft verweerder aan appellante over het jaar 2004 zoogkoeienpremie toegekend ten bedrage van € 3909,01. Verweerder is daarbij uitgegaan van een veebezettingsruimte van 15 GVE en 18,2 premiewaardige runderen.

- Bij besluit van 20 mei 2005 heeft verweerder het aantal beschikbare premierechten van appellante voor het verkoopseizoen 2005 vastgesteld op 19 en zijn 13 premierechten aan de nationale reserve toegevoegd.

- Appellante heeft bij brief van 8 juni 2005 bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.

- Vervolgens heeft verweerder, na een op 7 september 2005 gehouden telefonische hoorzitting, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder appellantes bezwaren ongegrond verklaard en hiertoe, samengevat, het volgende overwogen.

Nu is geconstateerd dat appellante geen aanvraag oppervlakten 2004 heeft ingediend, en dus minder dan 8,33 hectare voederareaal heeft opgegeven, is voor haar overeenkomstig artikel 131, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 een veebezettingsruimte van 15 GVE bepaald.

Voor premiejaar 2004 heeft appellante voor 71 zoogkoeien en vaarzen zoogkoeienpremie aangevraagd. Aangezien zij voor maximaal 15 GVE zoogkoeienpremie kon aanvragen, zijn 52 runderen uit de aanvraag verwijderd.

Verweerder heeft, rekening houdend met het vereiste dat het aangevraagde zoogkoeienbestand voor minstens zestig procent uit zoogkoeien moet bestaan en voor maximaal 40 % uit vaarzen, en met de omrekeningsfactor voor zoogkoeien (1 GVE) en voor vaarzen (0,6 GVE), voor appellante de voordeligste zoogkoe/vaarsverhouding bepaald: 11 zoogkoeien tegenover 8 vaarzen.

Als gevolg van de maximale veebezetting van 15 GVE is voor 18,20 premiewaardige dieren zoogkoeienpremie aan appellante uitbetaald.

Nu het benuttingpercentage van de premierechten 59,38% bedraagt (19 premiewaardige dieren : 32 premierechten x 100%), is niet voldaan artikel 6.3 van de Regeling dierlijke EG-premies. Het aantal voor 2005 beschikbare premierechten is daarom terecht vastgesteld op 19.

In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat in het bestreden besluit abusievelijk is verwezen naar de artikelen 125 en 131 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 in plaats van de gelijkluidende artikelen 6 en 12 van Verordening (EG) nr. 1254/1999.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in beroep, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.

De aanvraag oppervlakten 2004 is wel degelijk tijdig bij verweerder ingediend. Door een medewerker van verweerder is destijds verzekerd dat de aanvraag voorzien was van de bedrijfskaarten. Slechts door miscommunicatie heeft appellante in 2004 begrepen dat het niet meer nodig was alsnog bedrijfskaarten over te leggen.

Door de aanvraag ten onrechte buiten behandeling te laten, heeft verweerder de onjuiste conclusie getrokken dat er geen voederareaal werd opgegeven. Appellante heeft wel degelijk voederareaal opgegeven. Op basis van die aanvraag oppervlakte heeft verweerder appellante bericht dat door haar 2496 are grasland wordt geteeld, hetgeen niet anders kan worden uitgelegd dan dat dit als voederareaal moet worden aangemerkt. Verweerder dient alsnog uit te gaan van het in de aanvraag oppervlakten 2004 opgegeven voederareaal. In dat geval zou appellante de beschikking hebben over 45 GVE. Ten onrechte heeft verweerder besloten appellante premierechten te ontnemen vanwege niet benutting in 2004.

Door ten onrechte uit te gaan van 0 ha voederareaal in 2004 heeft appellante ten onrechte premierechten zien vervallen. Dit vervallen van premierechten heeft doorgewerkt in de besluitvorming op de aanvraag dierpremies voor 2005 en is ook van invloed geweest op de vaststelling van toeslagrechten. Appellante meent dat verweerder ook deze besluiten dient te herzien.

De gevolgen van verweerders beslissing tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag treffen appellante onevenredig zwaar.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 De grief van appellante dat haar aanvraag oppervlakten 2004 ten onrechte buiten behandeling is gelaten, kan niet slagen. Verweerders beslissing om de aanvraag niet in behandeling te nemen, is met de uitspraak van het College van 7 april 2006 in zaak 05/322 onherroepelijk geworden. Dit betekent dat de rechtmatigheid van deze beslissing in de onderhavige procedure niet opnieuw aan de orde kan worden gesteld.

5.2 Ingevolge artikel 2, sub i, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 fungeert de aanvraag oppervlakten onder meer als aangifte voor voederareaal met het oog op de indiening van steunaanvragen voor dierpremies. De onherroepelijk geworden beslissing van verweerder om appellantes aanvraag oppervlakten 2004 niet in behandeling te nemen, brengt mee dat voor appellante in het kader van de gevraagde zoogkoeienpremie geen voederareaal kon worden geregistreerd. Dat de opgegeven oppervlakte grasland voor de landbouwtelling wel is geaccepteerd, maakt dit niet anders. Verweerder is bij de beoordeling van de aanvraag om zoogkoeienpremie terecht uitgegaan van 0 ha voederareaal.

5.3 In artikel 12, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1254/1999 is bepaald dat een producent van de toepassing van het veebezettingsgetal wordt vrijgesteld, wanneer het aantal dieren op zijn bedrijf dat in aanmerking moet worden genomen voor de bepaling van het veebezettingsgetal, niet groter is dan 15 GVE. Verweerder heeft op grond van deze bepaling aan appellante zoogkoeienpremie verleend voor 11 zoogkoeien en 8 vaarzen. Er is geen grond te oordelen dat verweerder voor meer dieren premie had moeten verlenen.

5.4 Ingevolge artikel 6.3 van de Regeling bedraagt het minimumpercentage voor het gebruik van premierechten voor zoogkoeien, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999, 90%. Aangezien het benuttingspercentage van de aan appellante voor 2004 toegekende 32 premierechten slechts 59,38% bedraagt, heeft verweerder de 13 niet gebruikte premierechten terecht met toepassing van artikel 23, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2342/1999 aan de nationale reserve overgedragen. Dat deze beslissing ook gevolgen heeft gehad voor de zoogkoeienpremie voor 2005 en voor de vaststelling van toeslagrechten, zoals appellante heeft aangevoerd, kan niet afdoen aan de juistheid ervan.

5.5 Appellantes grief dat de gevolgen van verweerders beslissing tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag haar onevenredig zwaar treffen, kan haar evenmin baten. Deze gevolgen vloeien voort uit de communautaire regels. Het staat verweerder niet vrij daarvan af te wijken.

5.6 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2008.

E.J.M. Heijs F.W. du Marchie Sarvaas