Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BE9750

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-07-2008
Datum publicatie
03-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/407
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 07/407 23 juli 2008

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. D. Özdemir, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 4 juni 2007, bij het College binnengekomen op 5 juni 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 7 mei 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.

Bij brief van 2 augustus 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 9 juli 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, en verweerder bij monde van zijn gemachtigde, hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Op 8 mei 2006 heeft appellant bij verweerder een Gecombineerde opgave 2006 ingediend.

Bij brief van 27 mei 2006 heeft verweerder appellant bericht dat de opgave op enkele punten onduidelijk of onvolledig is. Eén van de geconstateerde gebreken is dat op p. 19 van de opgave de handtekening van appellant, onder meer ter verklaring van zijn bekendheid met de toepasselijke regelgeving, ontbreekt. Appellant wordt in de brief van 27 mei 2006 verzocht zo snel mogelijk een gecorrigeerde opgave terug te sturen.

Op 2 juni 2006 heeft verweerder van appellant een gecorrigeerde opgave ontvangen.

Op p. 19 van de gecorrigeerde opgave heeft appellant geschreven dat hij niet bekend is met alle voorwaarden en regelgeving die op die pagina is genoemd, omdat dit niet te volgen en bij te houden is, en dat hij dus niet tekent.

Bij besluit van 20 juli 2006 heeft verweerder besloten de verzamelaanvraag van appellant, één van de onderdelen van zijn Gecombineerde opgave 2006, niet in behandeling te nemen wegens het ontbreken van een handtekening op p. 19.

2.2 Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 7 mei 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is de beslissing tot het niet in behandeling nemen van de verzamelaanvraag gehandhaafd.

2.3 Het College is van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit ten onrechte de beslissing tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag heeft gehandhaafd en overweegt hiertoe het volgende.

Ingevolge artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient een besluit om de aanvraag niet te behandelen aan de aanvrager te worden bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Nu appellant bij brief van 27 mei 2006 in de gelegenheid is gesteld de geconstateerde gebreken te herstellen en hij op 2 juni 2006 zijn aanvraag heeft aangevuld, dient te worden geconcludeerd dat verweerde ten tijde van het primaire besluit van 20 juli 2006 niet meer gerechtigd was de aanvraag niet in behandeling te nemen. De vier-wekentermijn van artikel 4:5, vierde lid, Awb was toen immers al verstreken.

2.4 Dit leidt het College tot de slotsom dat het beroep gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.5 Het College is ten slotte niet gebleken dat appellant proceskosten heeft gemaakt die met toepassing van artikel 8:75 Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw dient te beslissen op het

bezwaar van appellant;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,-- (zegge:

honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2008.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. F.W. du Marchie Sarvaas