Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BE9667

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-07-2008
Datum publicatie
03-09-2008
Zaaknummer
AWB 06/594
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/594 24 juli 2008

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

Vennootschap onder firma Firma A, te B, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.W. Oomen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 24 juli 2006, bij het College binnengekomen op 26 juli 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 juni 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op appellantes bezwaar tegen een besluit van verweerder op grond van de Regeling dierlijke EG-premies over het jaar 2002.

Op 2 oktober 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en het College de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen.

Desgevraagd heeft verweerder op 27 november 2007 het rapport fysieke controle van de Algemene inspectiedienst (hierna: AID) van 10 december 2001 doen toekomen aan het College.

Op 28 november 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante is vertegenwoordigd door C, firmant van appellante, en verweerder door zijn gemachtigde.

Bij beschikking van 6 december 2007 is het onderzoek heropend en is verweerder verzocht het tijdens de controle ingevulde 'Rapport fysieke controle' over te leggen om te kunnen beoordelen of dit rapport door C is ondertekend.

Bij brief van 17 januari 2008 is het rapport door verweerder overgelegd en bij brieven van 6 februari 2008 en 26 februari 2008 is hierop door appellante gereageerd.

Nadat beide partijen toestemming hebben gegeven een nadere zitting achterwege te laten, is het onderzoek vervolgens gesloten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees luidde, voorzover en ten tijde hier van belang:

" Artikel 12 - Veebezetting

1. Het totale aantal dieren waarvoor speciale premies of zoogkoeienpremies kunnen worden verkregen, wordt begrensd door toepassing van een veebezettingsgetal van 2 grootvee-eenheden (GVE) per hectare en per kalenderjaar. Vanaf 1 januari 2002 geldt een veebezettingsgetal van 1,9 GVE (…)

2. Het veebezettingsgetal van het bedrijf wordt vastgesteld op grond van:

a) de aantallen mannelijke runderen, zoogkoeien en vaarzen, schapen en/of geiten waarvoor premieaanvragen zijn ingediend, en het aantal melkkoeien dat nodig is voor de productie van de aan de producent toegekende totale referentiehoeveelheid melk. Voor de omrekening van het aldus verkregen aantal dieren in GVE wordt gebruikgemaakt van de omrekeningstabel in bijlage III;

b) het voederareaal: de oppervlakte van het bedrijf die gedurende het hele kalenderjaar voor de runderveehouderij en de schapen- en/of geitenhouderij beschikbaar is. (…) "

Artikel 31 van Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie van 28 oktober 1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees met betrekking tot de premieregelingen, luidde, voorzover hier van belang:

" (…)

3. Ter bepaling van het aantal dieren waarvoor een premie kan worden toegekend:

a) wordt het overeenkomstig de voorschriften in het kader van het geïntegreerd systeem bepaalde aantal hectaren vermenigvuldigd met het veebezettingsgetal zoals vastgesteld in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1254/1999;

b) wordt van het aldus verkregen aantal het aantal GVE afgetrokken dat overeenkomt met het aantal melkkoeien dat nodig is om de op het bedr?f beschikbare referentiehoeveelheid melk te produceren;

c) wordt van het aldus verkregen aantal het aantal GVE afgetrokken dat overeenkomt met het aantal schapen en/of geiten waarvoor een premieaanvraag wordt ingediend.

De einduitkomst van deze berekeningen is het maximumaantal GVE waarvoor de speciale premie en de zoogkoeienpremie kunnen worden toegekend.

(…) "

Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen, luidde, voorzover en ten tijde hier van belang:

" Artikel 31 – Berekeningsgrondslag

(...)

2. Wanneer de in de steunaanvraag "oppervlakten" aangegeven oppervlakte groter is dan de bij een administratieve controle of een controle ter plaatse voor dezelfde gewasgroep geconstateerde oppervlakte wordt het steunbedrag, onverminderd overeenkomstig de artikelen 32 tot en met 35 toe te passen kortingen of uitsluitingen, berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte voor de betrokken gewasgroep.

(...)

Artikel 32 - Kortingen en uitsluitingen bij te hoge aangifte

1. Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3% of dan 2 ha, doch niet groter dan 20% van de geconstateerde oppervlakte.

(...)

Artikel 34 – Berekening van de op het voederareaal gebaseerde premies als bedoeld in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1254/1999

1. De artikelen 31, 32, lid 1, en 33 zijn van toepassing op de berekening van het voederareaal met het oog op de toekenning van de in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde premies.

(...)

3. De in de leden 1 en 2 genoemde kortingen en uitsluitingen worden slechts toegepast voorzover op grond van de aangegeven oppervlakte een hoger steunbedrag is of zou zijn toegekend.

Artikel 49 – Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het bedrijfshoofd verplicht het betrokken bedrag terug te betalen, verhoogd met de overeenkomstig lid 3 berekende rente.

(...)

4. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd.

Wanneer de fout evenwel betrekking heeft op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betaling, is de eerste alinea alleen van toepassing indien het besluit tot terugvordering niet binnen twaalf maanden na de betaling is meegedeeld.

(...) "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 10 december 2001 heeft de AID een controle ter plaatse uitgevoerd op het bedrijf van appellante waarbij haar voor het jaar 2001 opgegeven percelen voederareaal met behulp van Global Positioning System (hierna: GPS) zijn opgemeten.

- Door middel van een formulier 'Gecombineerde Opgave 2002' heeft appellante op 18 april 2002 bij verweerder een aanvraag oppervlakten 2002 ingediend, waarbij dezelfde percelen voederareaal als in 2001 zijn opgegeven.

- Op 23 mei 2002 heeft appellante op grond van de Regeling een aanvraag premie voor het aanhouden van zes mannelijke runderen (hierna: stierenpremie) ingediend.

- Bij besluit van 2 juli 2003 heeft verweerder appellante voor 2002 voor zes runderen stierenpremie toegekend ten bedrage van € 1.260,--.

- Bij besluit van 28 december 2004 heeft verweerder zijn besluit op de aanvraag van appellante om stierenpremie 2002 herzien, de aanvraag alsnog afgewezen en het reeds uitbetaalde bedrag van € 1.260,-- teruggevorderd.

- Tegen dit besluit heeft appellante op 2 februari 2005 bezwaar gemaakt.

- Op 6 april 2005 is appellante over haar bezwaar gehoord.

- Bij brief van 19 april 2005 heeft appellante verweerder nadere stukken toegezonden waaronder een kadastrale kaart en uittreksels uit het kadaster.

- Bij besluit van 26 april 2005 heeft verweerder het bezwaar van appellante gegrond verklaard, waarbij is vastgesteld dat appellante 34.60 ha voederareaal bezit, waardoor de veebezettingsruimte 65,74 GVE is. Na aftrek van de 56,99 GVE die appellante hiervan reeds heeft benut voor haar melkquotum, heeft zij nog 8,75 GVE beschikbaar voor haar aanvraag om stierenpremie 2002.

- Op 27 oktober 2005 is appellante, nadat haar was meegedeeld dat het besluit van 26 april 2005 zou worden herzien, nogmaals over haar bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het besluit van 26 april 2005 ingetrokken en is opnieuw op het bezwaar van appellante beslist. Verweerder heeft het bezwaar hierbij ongegrond verklaard en hiertoe, samengevat, het volgende overwogen.

Appellante heeft in haar aanvraag oppervlakten 2002 een oppervlakte van 33.33 ha voederareaal opgegeven. Verweerder heeft een totale oppervlakte voederareaal van 31.84 ha geconstateerd. Het verschil tussen de opgegeven hoeveelheid voederareaal en de geconstateerde hoeveelheid bedraagt 1.49 ha en dit is meer dan 3% van de totale geconstateerde hoeveelheid voederareaal. Op grond van artikel 32, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 is de geconstateerde oppervlakte gekort met twee keer het vastgestelde verschil (2 x 1.49 =) 2.98 ha. Het voederareaal bedraagt dan (31.84 - 2.98 =) 28.86 ha. Op grond hiervan heeft appellante in 2002 54,84 GVE beschikbaar. Aangezien met het op naam van appellante gestelde melkquotum reeds 56,99 GVE is benut, is appellantes aanvraag om stierenpremie 2002 afgewezen.

Uit de notariële akte en uittreksels uit het kadaster, die appellante in de bezwaarfase heeft overgelegd, blijkt dat de secties * tot en met ** en *** appellantes eigendom zijn en een totale oppervlakte beslaan van 34.88.10 are. Hieruit blijkt echter op geen enkele wijze welke percelen beteeld zijn en wat de grootte van de beteelde oppervlakte is.

Op basis van voortschrijdend inzicht is een correctie toegepast op de door de AID gemeten oppervlaktematen. Hierbij is een tolerantiemarge toegepast, waarbij rekening is gehouden met het feit dat percelen kunnen worden doorsneden door sloten of dat sloten de afscheiding van percelen vormen. Na toepassing van de tolerantiemarge is een totale oppervlakte voederareaal van 32.14 ha gemeten. Hierdoor ontstaat een verschil tussen de opgegeven hoeveelheid en de geconstateerde hoeveelheid voederareaal van 1.19 ha. Het verschil bedraagt 3,7%. Hoewel dit verschil kleiner is dan oorspronkelijk in het primaire besluit is vastgesteld, is het nog steeds groter dan 3%.

Op basis van artikel 32, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 wordt het geconstateerde verschil verdubbeld en afgetrokken van de geconstateerde oppervlakte voederareaal. Het voederareaal van appellante bedraagt hierdoor (31.84 ha - (2 x 1.19=) 29.46 ha. De ruimte in de veebezetting bedraagt (29.46 x 1,9 GVE/ha =) 55,97 GVE. Nu appellante met haar melkquotum reeds 56,99 GVE heeft benut, heeft zij geen ruimte meer in de veebezetting voor haar aanvraag om stierenpremie 2002 en kan haar derhalve geen stierenpremie worden toegekend.

Het door appellante overgelegde meetrapport van Adviesbureau D, leidt niet tot een ander oordeel. Niet gebleken is dat Adviesbureau D een erkend bureau is, noch dat de meting correct is uitgevoerd. Uit de rapportage blijkt niet duidelijk welke percelen zijn gemeten of volgens welke methode de meting heeft plaatsgevonden. Voorts heeft appellante tijdens de hoorzitting van 27 oktober 2005 aangegeven dat Adviesbureau D de lengtemaat van het betreffende perceel niet heeft bepaald door middel van eigen metingen, maar met gegevens uit bestaande (kadastrale) kaarten. Een en ander staat de betrouwbaarheid van de meetresultaten in de weg.

In het verweerschrift heeft verweerder voorts aangegeven dat bij de berekening van de veebezetting is uitgegaan van een onjuiste geconstateerde oppervlakte voederareaal. Dit had 32.14 ha moeten zijn in plaats van 31.84 ha. Het voederareaal bedraagt hierdoor (32.14 – ((2 x 1.19)) =) 29.76 ha. De ruimte in de veebezetting bedraagt (29.76 x 1,9 GVE/ha =) 56,54 GVE en dat is nog steeds onvoldoende ruimte om voor stierenpremie in aanmerking te komen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter onderbouwing van het beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

Verweerder gaat uit van een onjuiste oppervlakte van het bedrijf en voederareaal van appellante. De kadastrale grootte ervan is 34.88.10 ha beteeld grasland zonder gebouwen. In de E is een aftrek voor waterlopen van 6,5% van toepassing. Deze 6,5% wordt als absoluut getal gebruikt. Toepassing van deze aftrek leidt ertoe dat de gemeten oppervlakte 32.54 ha beteeld grasland bedraagt. Hiervan uitgaande heeft appellante recht op stierenpremie in het premiejaar 2002.

Het is onduidelijk waarom verweerder de kadastrale maten niet accepteert en waarom hij zich in de opeenvolgende besluiten in deze procedure op zoveel verschillende maten baseert.

De stelling van verweerder dat appellante ten tijde van de aanvraag om stierenpremie 2002 bekend was met de door middel van GPS gemeten maten van haar voederareaal in het controlerapport van 10 december 2001 is onjuist. C was niet aanwezig bij deze controle en kan, gelet op het tijdsverloop van ruim zeven jaar, geen antwoord geven op de vraag van het College of de handtekening onder dit rapport de zijne is. Appellante heeft pas kennisgenomen van het rapport en de inhoud ervan tijdens de hoorzitting ter behandeling van haar bezwaarschrift.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Tussen partijen is primair in geschil hoe groot de oppervlakte van de in 2002 opgegeven percelen voederareaal was.

Het College is van oordeel dat verweerder zich voor deze oppervlakte terecht heeft gebaseerd op de resultaten van de GPS-metingen die tijdens de controle ter plaatse op 10 december 2001 zijn verricht. In het bestreden besluit is terecht en op goede gronden beslist dat de door appellante overgelegde gegevens – de notariële akte, de overzichten van het kadaster en het rapport van het Adviesbureau D – niet kunnen afdoen aan de resultaten van de GPS-metingen. Voorts is op geen enkele wijze gebleken dat voor de E rechtens een aftrek voor waterlopen van 6,5% van toepassing zou zijn, zoals door appellante gesteld.

5.2 Verweerder heeft terecht en op goede gronden geconcludeerd dat er op basis van de door verweerder vastgestelde oppervlakte voederareaal (32.14 ha) voor appellante geen ruimte meer in de veebezetting was om voor stierenpremie in aanmerking te komen. De aanvraag stierenpremie over het jaar 2002 is dan ook terecht afgewezen.

5.3 Ingevolge artikel 49, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 hoeft een onverschuldigd betaalde premie niet te worden terugbetaald, indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd.

Het College is van oordeel dat deze bepaling appellante niet kan baten, aangezien zij redelijkerwijs kon weten dat de betaling van de stierenpremie onterecht was. Reeds ten tijde van de controle op 10 december 2001 had haar immers bekend kunnen zijn dat de oppervlakte van de percelen voederareaal, die zij zowel voor 2001 als 2002 heeft opgegeven, kleiner was dan zij veronderstelde, en dat zij als gevolg daarvan over onvoldoende voederareaal beschikte om voor stierenpremie in aanmerking te komen.

Het College heeft geen reden te veronderstellen dat de handtekening op het, bij de brief van 17 januari 2008 overgelegde, controlerapport niet van C is. De handtekening komt overeen met de handtekening op andere stukken in het dossier.

5.4 Het College komt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, mr. W.E. Doolaard en mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2008.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. C.M. Leliveld