Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BD8758

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-07-2008
Datum publicatie
29-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/639
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Kaderwet EZ-subsidies

Besluit subsidies regionale investeringprojecten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(Vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 07/639 18 juli 2008

27353 Kaderwet EZ-subsidies

Besluit subsidies regionale investeringprojecten

Uitspraak in de zaak van:

Afvalsturing Friesland N.V., h.o.d.n. Omrin, te Heerenveen, appellante,

gemachtigden: ir. T.L. Rijm, werkzaam bij appellante en drs. A.P. Koomen, werkzaam bij AC Adviseurs, Heerenveen

tegen

Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. A.M.C. van Hesteren-Kok, werkzaam ten departemente.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 24 augustus 2007, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 juli 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de hoogte van de bij besluit van 27 december 2006 verleende subsidie op grond van het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000 (hierna: Besluit) dat gebaseerd is op de Kaderwet EZ-subsidies, ongegrond verklaard.

Bij brief van 9 november 2007 heeft appellante de gronden van het beroep aangevoerd.

Bij brief van 3 december 2007 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 4 februari 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en nadere stukken overgelegd.

Op 6 juni 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen en hun standpunten hebben toegelicht. Van de zijde van verweerder was tevens aanwezig A, werkzaam ten departemente.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Het Besluit luidde ten tijde en voor zover hier van belang:

“Artikel 1

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

b. project: een technisch, functioneel en in de tijd samenhangend geheel van investeringen in duurzame bedrijfsuitrusting al dan niet in combinatie met grond of bedrijfsgebouwen;

c. vestigingsproject: een project, niet zijnde een uitbreidingsproject, inhoudende het stichten van:

1°. een industrieel bedrijf,

2°. een stuwend dienstverlenend bedrijf, hoofdkantoor of laboratorium,

3°. een stuwend toeristisch bedrijf;

(…)

2. Bij ministeriële regeling wordt de omvang van de regio’s, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, vastgesteld.

(…)

Artikel 2

1. Onze Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan de ondernemer die een project tot stand brengt in een bij ministeriële regeling aangewezen gemeente of deel van een gemeente.

2. Bij een regeling als bedoeld in het eerste lid kan Onze Minister bepalen voor welke soorten projecten in de onderscheiden gemeenten of delen van gemeenten subsidie kan worden verstrekt. Daarbij kan hij onderscheid maken tussen:

a. vestigingsprojecten;

b. vestigingsprojecten die van bijzonder belang zijn voor de regionale economie en waarvan de subsidiabele kosten door Onze Minister zijn geraamd op € 13 600 000 of meer;

c. fundamentele wijzigingsprojecten die van bijzonder belang zijn voor de regionale economie en waarvan de subsidiabele kosten door Onze Minister zijn geraamd op € 45 300 000 of meer;

d. strategische uitbreidingsprojecten waarvan de subsidiabele kosten door Onze Minister zijn geraamd op € 13 600 000 of meer.

3. (…)

(…)

Artikel 3

1. De subsidie bedraagt:

a. in geval van een project als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a: een bij ministeriële regeling te bepalen percentage van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat voor de berekening van het subsidiebedrag de kosten in aanmerking genomen worden tot ten hoogste € 8 200 000;

b. in geval van een project als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder b, c of d: een door Onze Minister te bepalen percentage van de subsidiabele kosten.

2. Indien de geraamde subsidiabele kosten van een project, bedoeld in het eerste lid, onder a, meer bedragen dan

€ 8 200 000 en het project van bijzonder belang is voor de ontwikkeling van de regionale economie, kan Onze Minister een hoger subsidiebedrag verstrekken dan het bedrag ingevolge het eerste lid.

3. Indien ter zake van de subsidiabele kosten of een deel daarvan reeds door een ander bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidie niet meer bedraagt dan het bedrag ingevolge het eerste of tweede lid.

Artikel 4

1. De subsidiabele kosten zijn de in artikel 5 en 6 bedoelde projectkosten, verminderd overeenkomstig de volgende leden van dit artikel.

(…)

Artikel 5

1. Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de rechtstreeks aan het project toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door de subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde kosten van verkrijging van grond, bedrijfsgebouwen en duurzame bedrijfsuitrusting, met uitzondering van:

(…)

Artikel 6

1. Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende kosten, voorzover zij geactiveerd zijn op de fiscale balans, de taxatiewaarde niet te boven gaan en, tenzij het betreft grond of duurzame bedrijfsuitrusting die door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met toepassing van artikel 10, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is aangewezen, niet binnen twee jaar worden afgeschreven:

a. wat betreft grond:

(…)

b. wat betreft bedrijfsgebouwen en de daartoe te rekenen centrale voorzieningen:

(…)

c. wat betreft duurzame bedrijfsuitrusting:

(…)”

De toelichting (Stb. 2000, nr. 354) bij artikel 3 vermeldt:

“De hoogte van de subsidie is afhankelijk van het gebied waarin het project tot stand wordt gebracht en van de aard van het project. Voor de reguliere vestigingsprojecten in bepaalde, bij ministeriële regeling krachtens artikel 2 aan te wijzen kernzones in de provincies Groningen, Friesland en Drenthe alsmede in de gemeenten Steenwijk en Hardenberg gelden vaste percentages, berekend over maximaal f 18 000 000,00 aan subsidiabele kosten.

Doorbreking van het van toepassing zijnde subsidiemaximum behoort tot de mogelijkheden, ingeval de subsidiabele kosten van het desbetreffende project het in het tweede lid van dit artikel genoemde bedrag van f 18 000 000,00 overschrijden. Het te verstrekken hogere subsidiebedrag vindt zijn uiterste grens in de door de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de noordelijke kernzones vastgestelde maximale steunintensiteit.

(…)

Noodzakelijke voorwaarde is in dat geval dat het project van bijzonder belang voor de ontwikkeling van de regionale economie is. Het bijzondere belang van een project kan onder meer tot uiting komen in het aantal arbeidsplaatsen dat ten gevolge van het project ontstaat en in de betekenis van het project voor de productiestructuur in de betrokken regio. Dit laatste kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als het belang van het project gelegen is in de introductie van een nieuwe activiteit in de regio, een nieuw product of een nieuwe technologie.

Bij het bepalen van de subsidiepercentages neemt de Minister van Economische Zaken de door de Europese Commissie vastgestelde maximale steunintensiteit in acht.”

De Uitvoeringsregeling BSRI 2000 bepaalde ten tijde en voor zover hier van belang:

“Artikel 2

De omvang van de regio’s, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g en h, van het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000, wordt als volgt vastgesteld:

a. het gebied van de provincies Groningen, Friesland en Drenthe tezamen;

(…)

Artikel 4

1. De subsidiepercentages, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, van het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000, zijn de in de bij deze regeling behorende bijlagen 1 en 2 genoemde percentages.

(…)

Bijlage 1 De gemeenten en delen van gemeenten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, en de subsidiepercentages, bedoeld in artikel 4 van de Uitvoeringsregeling BSRI 2000

subsidiepercentage

In de provincie Groningen:

(…)

Harlingen 20 bruto”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante is een afvalinzamelaar en afvalverwerkingsbedrijf in Friesland dat met name in Friesland maar ook in Drenthe en Groningen huishoudelijk en bedrijfsafval inzamelt. Op het Ecopark De Wierde in Oudehaske beschikt appellante over een scheidings- en bewerkingsinstallatie voor grijs huisvuil en een stortplaats voor bedrijfsafval en gevaarlijke afvalstoffen.

- Bij brief van 18 oktober 2006 heeft appellante een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van het Besluit voor de vestiging van een Reststoffen Energie Centrale (REC) in Harlingen en daarbij verzocht het project aan te merken als een vestigingsproject dat van een bijzonder belang is voor de regionale economie. De kosten van het project zijn volgens opgave € 120.000.000.

- Bij brief van 24 november 2006 heeft appellante verweerder op diens verzoek aanvullende informatie toegezonden.

- Bij besluit van 27 december 2006 heeft verweerder appellante een subsidie verleend van 7,5 % van de subsidiabele grondslag, welke wordt gesteld op € 120.000.000 met een maximum van € 6.000.000.

- Bij brief van 7 februari 2007 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het bezwaar heeft betrekking op de hoogte van de subsidie en de wijze waarop de subsidie is berekend, aangezien naar de mening van appellante expliciet uit de regeling volgt dat de subsidie 20 % van de subsidiegrondslag bedraagt.

- Op 7 juni 2007 is appellante op haar bezwaren gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en ter ondersteuning van dit besluit, onder meer, het volgende vermeld. Aan appellante is subsidie verleend voor een vestigingsproject als bedoeld in artikel 1, onder c, van het Besluit. Artikel 3, tweede lid, van het Besluit bepaalt dat verweerder in bepaalde gevallen een hoger subsidiebedrag kan verstrekken dan het bedrag volgend uit artikel 3, eerste lid. Voornoemd artikel houdt alleen in dat verweerder – indien sprake is van een project dat van bijzonder belang is voor de ontwikkeling van de regionale economie – een hoger subsidiebedrag kan verlenen dan € 1.640.000, zijnde 20 % van € 8.200.000, en dus niet gehouden is een subsidiepercentage van 20% te hanteren. Bij de toepassing van dit artikel heeft verweerder een discretionaire bevoegdheid met betrekking tot het vast te stellen subsidiebedrag voor het betreffende vestigingsproject dat van bijzonder belang is voor de regionale economie en waarvan de subsidiabele kosten door verweerder zijn geraamd op € 13.600.000 of meer.

Bij het gebruik van genoemde discretionaire bevoegdheid houdt verweerder rekening met het specifieke project, waarbij hij de hoogte van de subsidie laat afhangen van (het antwoord op) de vraag in hoeverre het project bijdraagt aan de doelstelling van het Besluit. Doel van het Besluit is het financieel stimuleren van bedrijfsinvesteringen in de stuwende sectoren van de regionale economie. Met behulp van investeringssubsidies wordt gestreefd naar beïnvloeding van de ondernemer in zijn keuze op welke locatie hij zijn investeringsproject zal realiseren. Appellante heeft bij haar subsidieaanvraag twee mogelijke locaties vermeld, haar huidige vestiging Ecopark De Wierde te Oudehaske en de industriehaven te Harlingen. Beide plaatsen zijn gelegen in de provincie Friesland. Appellante was dus reeds gevestigd in de regio waar de REC zal worden gevestigd. Volgens verweerder heeft de subsidie een beperkte invloed op de keuze van de vestigingsplaats. Het aantal van 35 directe arbeidsplaatsen dat gemoeid is met de vestiging noemt verweerder bescheiden. Voorts leidt verweerder uit de aanvraag af dat de REC voor een deel zal dienen ter vervanging van bestaande verwerkingsmogelijkheden voor brandbaar afval, zodat in dat verband geen sprake is van een nieuwe activiteit voor de regio. Het produceren en leveren van stoom en stroom merkt verweerder wel aan als nieuw voor de regio en daarmee van bijzonder belang voor de ontwikkeling van de regionale economie. De producten van het project worden vooralsnog niet buiten de regio afgezet, zodat de activiteit daarmee een stuwend karakter ontbeert.

Met betrekking tot het door appellante aangehaalde geval van zonnecelfabrikant Scheuten Solar merkt verweerder op dat dit project een hogere subsidie heeft gekregen omdat het gaat om een investering van € 150.000.000, een vrije locatiekeuze, 800 arbeidsplaatsen en een nieuwe technologie voor de regio. In het verweerschrift voegt verweerder hieraan toe, dat hij op verzoek van appellante een overzicht heeft verstrekt van verleende subsidies met bijbehorende subsidiepercentages en dat dit overzicht laat zien dat in de jaren 2000 tot en met 2006 alleen een percentage van 20% is toegekend in die gevallen waarin het maximale subsidiebedrag niet hoger is dan € 1.640.000 en het dus projecten betreft waarvoor subsidie is verleend op basis van artikel 3, eerste lid, onder a, van het Besluit.

Volgens de systematiek van het Besluit dient volgens verweerder als volgt te worden gerekend: (-) de subsidiabele grondslag wordt vastgesteld (i.c. € 120.000.000), (-) gelet op artikel 2, tweede lid, in verbinding met artikel 3, eerste lid en onder a, en tweede lid, van het Besluit dient vervolgens een maximum subsidiebedrag te worden vastgesteld (i.c.

€ 6.000.000), (-) het subsidiebedrag wordt vervolgens vastgesteld door de definitieve subsidiabele kosten te vermenigvuldigen met 6.000.000/120.000.000, dat wil zeggen 5 %. Verweerder heeft in het primaire besluit abusievelijk een subsidiepercentage van 7,5 % vermeld. Aangezien verweerder het besluit niet in het nadeel van appellante mag wijzigen, blijft het percentage 7,5.

4. Het standpunt van appellante

Appellante brengt ter ondersteuning van haar beroep het volgende naar voren.

Primair is zij van oordeel dat verweerder de systematiek van het Besluit niet juist toepast door een percentage vast te stellen waar dit percentage logisch voortvloeit uit het Besluit. Op grond van het Besluit kan 20% subsidie worden verstrekt tot een maximum subsidie van € 1,6 miljoen. In geval een project een vestigingsproject is dat van bijzonder belang is voor de regionale economie, zoals dat van appellante, heeft verweerder de discretionaire bevoegdheid om een hoger subsidiebedrag dan € 1,6 miljoen toe te kennen. Aangezien in artikel 3, tweede lid, van het Besluit alleen wordt gesproken over een hoger subsidiebedrag volgt hieruit dat het subsidiepercentage overeenkomstig het eerste lid onder a, dient te worden bepaald. De rekenmethode die verweerder in het bestreden besluit hanteert staat voorts haaks op artikel 3, eerste lid, onder b, van het Besluit. Op grond daarvan dient verweerder een percentage van de subsidiabele kosten vast te stellen.

Subsidiair is zij van mening dat zowel het primaire besluit als de beslissing op bezwaar zijn gebaseerd op onjuiste aannames, waardoor een subsidie is verleend die – in vergelijking met vergelijkbare projecten – onvoldoende recht doet aan het bijzondere belang van het project. Voor de vestigingsplaats geldt dat het project niet aan enige locatie is gebonden en dit is ook uitvoerig toegelicht. Met betrekking tot het aantal arbeidsplaatsen merkt appellante op dat dit niet weinig is, en dat in het verleden projecten met een hoger subsidiepercentage zijn gehonoreerd met minder arbeidsplaatsen. Appellante bestrijdt dat de activiteit dient ter vervanging van bestaande activiteiten. Het afval dat in dit project als energiedrager wordt gebruikt wordt tot op heden gestort. Ook wat betreft de afname van stoom en stroom bestrijdt appellante het oordeel van verweerder. Voor het vrijkomende stoom is Frisia B.V. een belangrijke afnemer. Er zijn evenwel meerdere partijen geïnteresseerd in afname van stoom. De te produceren elektriciteit wordt landelijk afgenomen. De vergelijking met Scheuten Solar heeft appellante destijds ingebracht met betrekking tot het stapelen van subsidies, en niet inzake de berekening van de hoogte van het subsidiebedrag.

Appellante stelt voorts dat hetgeen zij in het kader van de aanvraagprocedure en de bezwaarprocedure naar voren heeft gebracht afwijkt van de aannames in het bestreden besluit en zij is van mening dat uit een oogpunt van zorgvuldigheid had moeten worden nagegaan waarom de overwegingen van verweerder zo nadrukkelijk daarvan afwijken. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op aannames die in de beoordelingsfase eenvoudig hadden kunnen worden weerlegd. In de besprekingen met het ministerie vanaf 16 december 2006 is aangegeven dat geen subsidiepercentage in de beschikking zou worden opgenomen, omdat dit percentage logisch volgt uit de systematiek van de regeling. Dat eventuele andere subsidies één op één dienen worden te verminderd op de toegekende € 6.000.000, staat in contrast met hetgeen destijds is besproken. Appellante is van mening – samengevat weergegeven – dat verweerder bij het voorbereiden van het primaire besluit en het bestreden besluit inconsistent heeft geopereerd en aldus heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het rechtszekerheids, gelijkheids- en vertrouwensbeginsel en voorts met het evenredigheidsbeginsel en het fair-play-beginsel.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Aan de orde is de vraag of verweerder zijn besluit om op grond van het Besluit voor het project REC in Harlingen subsidie ter verlenen ter hoogte van 7,5 % van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 6.000.000 op goede gronden heeft gehandhaafd.

5.2 Tussen partijen is niet in geschil dat het project van appellante is aan te merken als een vestigingsproject als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, van het Besluit. In dat geval bedraagt de subsidie ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a, van het Besluit in samenhang gelezen met de Uitvoeringsregeling 20 % procent van de subsidiabele kosten waarbij kosten in aanmerking worden genomen tot € 8.200.000. Indien de geraamde kosten meer bedragen dan voornoemd bedrag en het project van bijzonder belang is voor de ontwikkeling van de regionale economie, kan ingevolge het tweede lid van dat artikel een hoger subsidiebedrag worden verstrekt. Het Besluit vermeldt voor die situatie geen subsidiepercentage.

Naar het oordeel van het College volgt uit tekst en systematiek van voornoemde bepalingen over de vaststelling van de hoogte van de subsidie niet dat verweerder, bij de toepassing van zijn bevoegdheid om een hoger subsidiebedrag te verlenen dan de in het eerste lid van artikel 3 van het Besluit bepaalde maximumsubsidie, gebonden is aan het subsidiepercentage zoals dat bij de Uitvoeringsregeling voor het eerste lid van dat artikel is bepaald. Ook in de toelichting bij het Besluit over artikel 3 ziet het College hiervoor geen aanknopingspunt. Een uitleg zoals door appellante bepleit zou immers niet stroken met hetgeen in de toelichting over de doorbreking van het subsidiemaximum van € 8.200.000 en het in dat geval te bepalen subsidiebedrag is gesteld. Het te verstrekken hogere subsidiebedrag vindt immers zijn uiterste grens in het door de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de noordelijke kernzones vastgestelde maximale steunintensiteit. Deze maximale steunintensiteit kan onder omstandigheden lager zijn dan een subsidiepercentage van 20%. Gelet op het voorgaande en de omstandigheid dat in het Besluit noch in de Uitvoeringsregeling nadere richtlijnen zijn opgenomen over de bepaling van de hoogte van het subsidiebedrag in gevallen als hier aan de orde, is het College van oordeel dat verweerder bij het bepalen van dit subsidiebedrag een ruime beleidsvrijheid heeft. Het betoog van appellante dat verweerder de systematiek van de regeling niet juist heeft toegepast, door een ander, lager percentage vast te stellen waar dit percentage logisch voortvloeit uit de regeling faalt.

5.3 Verweerder heeft ter zitting over zijn beleid bij het bepalen van de hoogte van het subsidiebedrag op grond van artikel 3, tweede lid, van het Besluit verklaard dat hij in het jaar 2006 bij dit soort vestigingsprojecten een subsidiepercentage tussen de 5 en 7,5 % heeft gehanteerd. De bandbreedte van 5 tot 7,5 % is gekozen met het oog op een beperkt subsidiebudget enerzijds en het relatief grote aantal aanvragen anderzijds. Bij het bepalen van het subsidiepercentage binnen die bandbreedte is van belang in hoeverre het project bijdraagt tot de realisering van de doelen van het Besluit, aldus verweerder ter zitting. Het College acht dit uitgangspunt bij het bepalen van de hoogte van de subsidie niet onredelijk.

5.4 Verweerder staat op het standpunt dat een subsidie van € 6.000.000 aan appellante recht doet aan haar investeringsproject. Bij de keuze voor de subsidieverlening van € 6.000.000, dat is 5% van de geraamde subsidiabele kosten, heeft verweerder meegewogen de beperkte keuzevrijheid voor de vestigingsplaats, het relatief beperkte bijzondere belang voor de regio gezien het aantal arbeidsplaatsen en de omstandigheid dat in de regio al afval wordt verbrand, alsmede de mate waarin het project een ontwikkeling in de regionale economie teweeg kan brengen, waarbij verweerder doelt op het ontbreken van een stuwend karakter aan het project. Appellante heeft de juistheid van de hiervoor genoemde aannames in beroep bestreden. Het College overweegt hierover het volgende.

Appellante is een in Friesland gevestigd afvalinzamelaar en –verwerkingsbedrijf. Uit de subsidieaanvraag en de daarbij behorende stukken blijkt dat appellante voor Harlingen als vestigingslocatie heeft gekozen omdat het op deze locatie van toepassing zijnde bestemmingsplan voorzag in de door appellante beoogde activiteiten. De alternatieve, eveneens in Friesland gelegen locatie op of bij Ecopark De Wierde viel af omdat de gemeente daar niet wilde meewerken aan het initiatief. Voorts blijkt uit voornoemde stukken dat de mogelijkheid van een fysieke koppeling met het proces van Frisa Zout B.V. in Harlingen en de daarmee verbonden milieu en economische voordelen bij de nadere uitwerking ten aanzien van de locatie in Harlingen een belangrijke rol hebben gespeeld. Gezien deze omstandigheden, en mede gelet op het feit dat in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling het gebied van de provincies Groningen, Friesland en Drenthe tezamen als één regio wordt aangemerkt is het College van oordeel dat verweerder het standpunt dat de keuzevrijheid van appellante met betrekking tot de vestigingsplaats beperkt was op goede gronden heeft ingenomen. Dat appellante haar project op economisch verantwoorde wijze ook in een andere regio had kunnen uitvoeren is gezien de activiteiten van appellante in Friesland, Drenthe en Groningen niet zonder meer aannemelijk. Appellante heeft haar stelling dat zij vrij is geweest in haar locatiekeuze niet nader onderbouwd. De enkele stelling dat een uitgebreid locatieonderzoek heeft plaatsgevonden en dat een reststoffen energie centrale niet aan enige locatie gebonden is, is, wat hier verder ook van zij, onvoldoende.

Met betrekking tot de waardering van het aantal arbeidsplaatsen heeft verweerder ter zitting opgemerkt dat het aantal arbeidsplaatsen van 35 gerelateerd aan het investeringsbedrag van € 120.000.000 relatief gering is. Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt mogen stellen.

Ook de conclusie van verweerder dat alleen sprake is van een nieuwe activiteit in de regio voor zover het gaat om de levering van stoom, maar niet voor zover het gaat om het verbranden van afval acht het College niet onjuist. Vast staat immers dat er in Wijster (Drenthe) een afvalverbrandingsinstallatie bestaat. Verweerder heeft, door appellante onweersproken, gesteld dat deze installatie is gebouwd voor de provincies Overijssel, Drenthe, Groningen en Friesland. Afvalverbranding is dus een activiteit die in de regio zoals in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling gedefinieerd al bestaat. Dat het afval dat in het project van appellante als energiedrager wordt gebruikt nu voor een belangrijk deel wordt gestort, doet aan het voorgaande niet af.

Naar het oordeel van het College valt verder niet in te zien waarom verweerder de vraag naar het stuwend karakter van het project niet bij de beoordeling van de mate waarin het project een ontwikkeling in de regionale economie te weeg kan brengen, had mogen betrekken. Kenmerk van een stuwend bedrijf als bedoeld in het Besluit is dat het de ontwikkeling in de regio stimuleert en afnemers van buiten de regio aantrekt. Uit de aanvraag blijkt dienaangaande dat het merendeel van de energie van de reststoffen energie centrale aan Frisa Zout B.V. zal worden geleverd en dat het overschot aan elektriciteit

(3 MW) op het openbare net zal worden ingevoerd. Uit de aanvraag blijkt voorts dat appellante ook andere energiegebruikers op het bedrijventerrein wil voorzien van (rest)warmte, elektriciteit en/of CO2. Onduidelijk is gebleven in hoeverre appellantes aanwezigheid nieuwe bedrijvigheid zal kunnen aantrekken. Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich onder deze omstandigheden op het standpunt mogen stellen, dat het project een stuwend karakter ontbeert.

Slotsom van het voorgaande is dat het betoog van appellante dat verweerder zijn besluit heeft gebaseerd op onjuiste aannames faalt. Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat subsidie van € 6.000.000 recht doet aan het belang van het investeringsproject van appellante voor de regio.

5.5 Gelet op het voorgaande treft het betoog van appellante dat in deze sprake is geweest van onzorgvuldige besluitvorming geen doel. De door verweerder getrokken conclusies worden gedragen door de aanvraag en de daarbij behorende stukken. Van de noodzaak om bepaalde feiten of aannames bij appellante te verifiëren is het College niet gebleken.

Ook het beroep van appellante op het motiveringsbeginsel faalt. Verweerder heeft afdoende gemotiveerd hoe hij de hoogte van de subsidie heeft bepaald en waarom de subsidie zoals toegekend recht doet aan het investeringsproject van appellante. Het College ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de toekenning van subsidie ter hoogte

€ 6.000.000 op grond van het Besluit in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel. Ook dit betoog faalt.

Verweerder heeft voorts betwist dat zijn ambtenaren in gesprekken tijdens de behandeling van de subsidieaanvraag vertrouwen gewekt hebben met betrekking tot de hoogte van de toe te kennen subsidie of de cumulatie van subsidies. Daarbij heeft hij erop gewezen dat in deze gesprekken steeds duidelijk is aangegeven dat de ambtenaren geen toezeggingen kunnen doen omdat zij daartoe niet bevoegd zijn. Appellante heeft voor haar stelling geen enkel bewijs geleverd. Haar beroep op het vertrouwensbeginsel kan dan ook niet slagen. Het College ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat in deze sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of het fair-play-beginsel.

Verweerder heeft ook betwist dat de subsidietoekenning in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft daartoe een overzicht van subsidietoekenningen op grond van het besluit uit de periode 2000 tot en met 2006 overgelegd. Uit dat overzicht en de toelichting van verweerder ter zitting komt naar voren dat in 2006 bij grote investeringsprojecten met bijzonder belang voor de ontwikkeling van de regionale economie een subsidiepercentage van 7,5 % of lager is gehanteerd op één uitzondering na. Met betrekking tot dat ene project heeft verweerder, door appellante niet weersproken, aangevoerd dat het project werd gekenmerkt door hoogwaardige werkgelegenheid (800 arbeidsplaatsen), een nieuwe technologie voor de regio, grote uitstraling op de regionale economie en een vrije locatiekeuze. Appellante heeft deze argumenten niet weerlegd. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van het College niet gebleken van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

5.6 Gelet op het vorenstaande concludeert het College dat verweerder het bestreden besluit op goede gronden heeft gehandhaafd. Het beroep is ongegrond.

Voor een veroordeling in de proceskosten op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht zijn er geen termen.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2008.

w.g. A.J.C. de Moor-van Vugt w.g. A. Graefe