Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BD7763

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
21-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/762
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Ontbinding rechtspersonen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 07/762 22 mei 2008

24100 Ontbinding rechtspersonen

Uitspraak in de zaak van:

Fountainhead Consultancy B.V., te Rotterdam, in liquidatie, appellante,

gemachtigde: mr. J.C. Siebert, advocaat te Urecht,

tegen

de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rotterdam, te Rotterdam, verweerster,

gemachtigde: C.P.C. Eckhardt, werkzaam bij verweerster.

1. De procedure

Bij brief van 9 oktober 2007, bij de Rechtbank Rotterdam binnengekomen op 10 oktober 2007, heeft appellante beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 30 augustus 2007.

Bij dit besluit heeft verweerster beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen het besluit van verweerster van 6 november 2006, strekkende tot ontbinding van Fountainhead Consultancy B.V. op grond van artikel 2:19a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

De Rechtbank Rotterdam heeft het beroepschrift doorgezonden aan het College.

Bij brief van 12 december 2007 heeft appellante een aantal nadere stukken in het geding gebracht.

Bij brief van 19 december 2007 heeft verweerster een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2007. Aldaar werden partijen vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De artikelen 2:19 en 2:19a van het BW luiden, voorzover hier van belang, als volgt:

"Artikel 2:19

1. Een rechtspersoon wordt ontbonden:

(…);

e. door een beschikking van de Kamer van Koophandel en Fabrieken als bedoeld in artikel 19a ;

(…).

3. Aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven wordt van de ontbinding opgaaf gedaan: (…), in het geval als bedoeld in lid 1, onder e door de Kamer van Koophandel en Fabrieken (…).

(…).

Artikel 2:19a

1. Een in het handelsregister ingeschreven naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij wordt door een beschikking van de Kamer van Koophandel en Fabrieken, waar die rechtspersoon is ingeschreven, ontbonden, indien de Kamer is gebleken dat ten minste twee van de hiernavolgende omstandigheden zich voordoen:

a. de rechtspersoon heeft het voor zijn inschrijving in het handelsregister of voor de inschrijving van een aan hem toebehorende onderneming verschuldigde bedrag niet voldaan gedurende ten minste een jaar na de datum waarvoor hij dat bedrag had moeten voldoen;

b. (…);

c. de rechtspersoon is ten minste een jaar in gebreke met de nakoming van de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening of de balans en de toelichting overeenkomstig de artikelen 394, 396 of 397;

d. de rechtspersoon heeft ten minste een jaar geen gevolg gegeven aan een aanmaning als bedoeld in artikel 9, lid 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen tot het doen van aangifte voor de vennootschapsbelasting.

(…).

3. Indien de Kamer op grond van haar bekende gegevens gebleken is dat een rechtspersoon als bedoeld in de leden 1 en 2 voor ontbinding in aanmerking komt, deelt zij de rechtspersoon en de ingeschreven bestuurders bij aangetekende brief aan hun laatst bekende adres mee, dat zij voornemens is tot ontbinding van de rechtspersoon over te gaan, met vermelding van de omstandigheden waarop het voornemen is gegrond. De Kamer schrijft deze mededeling in het register. (…).

4. Na verloop van acht weken na de dagtekening van de aangetekende brief ontbindt de Kamer de rechtspersoon bij beschikking, tenzij voordien is gebleken dat de omstandigheden die ingevolge het derde lid zijn vermeld, zich niet of niet meer voordoen.

5. De beschikking wordt bekend gemaakt aan de rechtspersoon en de ingeschreven bestuurders.

6. De Kamer doet van de ontbinding een mededeling opnemen in de Nederlandse Staatscourant. (…).

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Blijkens een uittreksel uit het handelsregister, gedateerd 5 september 2007, stond laatstelijk in dit register ingeschreven de besloten vennootschap Fountainhead Consultancy B.V., statutair gevestigd te Rotterdam. Als correspondentieadres van de rechtspersoon stond vermeld: "A, Rotterdam."

- Bij brief, gedagtekend 28 augustus 2006, gericht aan Fountainhead Consultancy B.V. op het adres A, Rotterdam, heeft verweerster Fountainhead Consultancy B.V. op grond van artikel 2:19a, derde lid, BW in kennis gesteld van haar voornemen om tot ontbinding van die rechtspersoon over te gaan op drie van de gronden vermeld in het eerste lid van artikel 2:19a BW.

- Bij besluit, gedagtekend 6 november 2006, gericht aan het adres A, Rotterdam, heeft verweerster de rechtspersoon op grond van artikel 2:19a, vierde lid, BW ontbonden.

- Bij brief gedateerd 26 juli 2007 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard omdat de termijn om bezwaar te maken is overschreden. Daartoe heeft zij onder meer overwogen dat de rechtspersoon in het verleden in het handelsregister stond ingeschreven met ondernemersactiviteiten op het zaakadres B, Petaling Jaya Darul, dat correspondentie aan dit zaakadres niet werd beantwoord, waarna in 2004 ambtshalve is besloten het correspondentieadres te wijzigen in het postbusnummer van de kamer. Omdat in 2006 geen nader adres van de vennootschap en haar directeur bekend waren, ontbrak de mogelijkheid de voornemenbrief op de gebruikelijke wijze in het bezit te doen komen van belanghebbenden. Hetzelfde gold voor de beschikking van 6 november 2006. Publicatie van het voornemen tot ontbinding en van de ontbinding zelf heeft plaatsgevonden in de Nederlandse Staatscourant.

4. Het standpunt van appellante

Appellante stelt zich op het standpunt dat de ontbindingsbeschikking niet op de juiste wijze aan haar bekend is gemaakt. Daardoor is de bezwaartermijn niet gaan lopen, zodat het bezwaar ten onrechte wegens overschrijding van de termijn niet-ontvankelijk is verklaard.

Daarnaast heeft appellante inhoudelijk bezwaren tegen de ontbindingsbeschikking. Appellante maakt tenslotte aanspraak op vergoeding van kosten van juridische bijstand.

5. De beoordeling van het geschil

Ter beoordeling staat of verweerster zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaarschrift van appellante te laat is ingediend. Te dien aanzien wordt als volgt overwogen.

Ingevolge de artikelen 6:7 en 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken en vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:41 Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen. Indien de bekendmaking van het besluit niet op deze wijze kan geschieden, geschiedt zij op een andere geschikte wijze.

Vaststaat in dit geval dat de beschikking van verweerster van 6 november 2006 tot ontbinding van Fountainhead Consultancy B.V. aan de rechtspersoon noch aan de bestuurder is bekendgemaakt conform het terzake bepaalde in de artikelen 2:19a,vijfde lid, B.W. en 3:41, eerste lid, Awb. Gelet op de bescherming die de wet aan de rechtspersoon en haar bestuurders beoogt toe te kennen, hetgeen blijkt uit het feit dat het voornemen tot ontbinding moet worden gericht aan hun laatst bekende adres, dient ook de beschikking waarbij de rechtspersoon wordt ontbonden bekend te worden gemaakt aan de rechtspersoon en de ingeschreven bestuurders op hun laatst bekende adres.

Niet gebleken is dat de ontbindingsbeschikking naar het laatst bekende adres van de rechtspersoon te Petaling Jaya Darul is toegezonden.

Aangezien de ontbindingsbeschikking derhalve niet geacht kan worden op de voorgeschreven wijze te zijn bekendgemaakt is evenmin een termijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb aangevangen.

Verweerster heeft appellante ten onrechte wegens overschrijding van de termijn in haar bezwaar niet ontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit moet worden vernietigd en het beroep gegrond verklaard.

Verweerster zal in deze zaak een nieuw besluit moeten nemen, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 2:19a, vijfde lid B.W. en 6:8, eerste lid, van de Awb.

Het College wijst er in verband daarmede op dat ook de voornemenbrief niet op in artikel 2:19a derde lid, B.W. voorgeschreven wijze bij aangetekende brief aan de rechtspersoon en de bestuurder aan hun laatst bekende adres is gestuurd, zodat de termijn van acht weken bedoeld in artikel 2:19a, vierde lid, evenmin geacht kan worden te zijn aangevangen.

Verweerster zal opnieuw op de bezwaren van appellante moeten beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Het College acht termen aanwezig verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellante. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor 1, ad € 322,00 per punt).

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 30 augustus 2007;

- bepaalt dat verweerster opnieuw op het bezwaarschrift van appellante beslist met inachtneming van deze uitspaak;

- veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig

euro);

- bepaalt dat aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig

euro) wordt vergoed door verweerster.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. van Ede, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2008.

w.g. J.A. Hagen w.g. C.G.M. van Ede