Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BD6039

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
02-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/356
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Kaderwet EZ-subsidies

Besluit EOS: demo en transitie-experimenten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/356 24 juni 2008

27334 Kaderwet EZ-subsidies

Besluit EOS: demo en transitie-experimenten

Uitspraak in de zaak van:

Techno Invent B.V., te Zoetermeer, appellante,

gemachtigde: mr. W.J. Haeser, advocaat te Rotterdam,

tegen

Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. drs. R.F. Jassies, werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 21 mei 2007, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing van verweerder op haar bezwaarschrift van 18 juli 2006.

Verweerder heeft bij besluit van 27 juni 2007 op het bezwaar van appellante beslist en heeft op 28 juni 2007 daarvan een afschrift, alsmede op de zaak betrekking hebbende stukken, aan het College toegezonden.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen zijn besluit tot afwijzing van appellantes aanvraag voor subsidie op grond van het Besluit EOS: demo en transitie-experimenten (hierna: Besluit) ongegrond verklaard.

Appellante heeft bij brief van 6 juli 2007 bericht haar beroep te handhaven en bij brief van 4 september 2007 de gronden van het beroep aangevoerd.

Nadat verweerder bij brief van 8 oktober 2007 een verweerschrift heeft ingediend, heeft appellante daarop bij brief van 25 april 2008 gereageerd en nadere stukken overgelegd.

Op 8 mei 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante en verweerder bij gemachtigde zijn verschenen. Aan de zijde van appellante verschenen tevens A, directeur, en B, werkzaam bij appellante. Bij die gelegenheid hebben partijen hun standpunten nader toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Het Besluit luidde ten tijde en voor zover hier van belang:

"Artikel 1

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

e. project:

1°. (…)

2°. een energietransitie-experiment, gericht op de bescherming van het milieu, dat in Nederland wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband waaraan tenminste één ondernemer en één niet ondernemer deelnemen, met als doel het beproeven van een energiesysteem, of een of meer delen daarvan, dat op een transitiepad ligt en waarbij het gaat om het bij tenminste een van de leden van het samenwerkingsverband treffen van technische of beheersmatige voorzieningen met behulp van apparaten, systemen of technieken die reeds eerder zijn gedemonstreerd, maar die in Nederland nog niet gebruikelijk zijn;

(…)

Artikel 5

1. Er is een Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten, die tot taak heeft Onze Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie op grond van dit besluit.

2. De adviezen van de commissie gaan vergezeld van een deugdelijke motivering.

(…)

Artikel 6

1. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling perioden vast na afloop waarvan de aanvragen om een subsidie voor een project, die in die periode zijn ontvangen en voldoen aan de wettelijke voorschriften, worden behandeld.

(…)

Artikel 10

Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:

a. indien de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop berustende bepalingen;

(…)

Artikel 11

1. Onze Minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 10 afwijzend is beslist het advies in van de Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten.

2. De commissie geeft aan Onze Minister in ieder geval een negatief advies:

a. indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de haalbaarheid van het project;

(…)

c. indien het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van het besluit en de daarop berustende bepalingen;

(…)

4. De commissie rangschikt:

a. in het geval van een project als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, onder 1, per groep van aanvragen waarvoor een subsidieplafond geldt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer bijdraagt aan een duurzame energiehuishouding en het meer innovatief van aard is;

(…)

Artikel 12

1. Onze Minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien de Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten een negatief advies heeft uitgebracht.

2. Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van rangschikking van de aanvragen door de commissie.

3. Onze Minister kan afwijken van het eerste en tweede lid, indien een advies van de commissie in strijd is met dit besluit of de daarop berustende bepalingen dan wel niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen."

De Unieke kansen regeling bepaalde ten tijde hier van belang:

"Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. de minister: de Minister van Economische Zaken;

b. het besluit: Besluit EOS: demo en transitie-experimenten;

c. project: een project als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder 2° van het besluit;"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 9 maart 2006 heeft verweerder van appellante een pro forma aanvraag ontvangen voor subsidie op grond van het Besluit voor het project 'Decentrale productie van olie en gas uit biomassa en afval', ook wel aangeduid als GreenMoDEM.

- Op 17 maart 2006 heeft appellante de aanvraag gecompleteerd.

- Op 14 april 2006 heeft een medewerker van verweerder een projectanalyse gemaakt.

- Bij besluit van 7 juni 2006 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat de Adviescommissie energiedemonstratie projecten en energietransitie-experimenten (hierna: adviescommissie) een negatief advies heeft gegeven over het project.

- Bij brief van 18 juli 2006 heeft appellante bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 24 augustus 2006 heeft appellante de gronden van het bezwaar aangevuld en een concept rapport van TNO overgelegd, getiteld VAR Green Modem.

- Op 23 november 2006 is appellante op haar bezwaren gehoord.

- Op 12 januari 2007 heeft een medewerker van verweerder een nieuwe projectanalyse gemaakt. Deze vermeldt:

"Samenvattend:

Katalytisch kraken in een fluïd bed (FCC) is een bewezen technologie voor het kraken van bepaalde aardoliefracties. Deze techniek is echter niet toepasbaar voor biomassa en/of hoogcalorisch afval (…).

Er is in mijn optiek (..) sprake (…) van flash-pyrolyse in een fluïd bed. [Deze techniek] is eerder ge[de]monstreerd, maar nooit in combinatie met een katalysator. Of de kwaliteit van het eindproduct te verbeteren is door een katalysator toe te voegen aan het fluïd bed is hoogst onzeker. Voor zover ik heb kunnen nagaan is hiernaar niet eerder onderzoek verricht. Ook in het TNO-rapport wordt met geen woord gerept over de toe te passen katalysator. Dit versterkt mijn vermoeden dat er op dit moment nog geen geschikte katalysator beschikbaar is voor dit proces. (…)

In principe moet het dus mogelijk zijn om met de beschreven reactor pyrolyse uit te voeren. Uit het TNO-rapport blijkt echter duidelijk dat aan het project nog een groot aantal technische knelpunten is verbonden. (…)

Het project kent nog te veel knelpunten en onzekerheden om aangemerkt te kunnen worden als demonstratieproject. Het bevindt zich duidelijk nog in een onderzoeksstadium."

- Op 13 februari 2007 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen verweerder en appellante; daarbij is onder meer de nieuwe projectanalyse aan de orde gekomen.

- Bij brief van 1 maart 2007 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de nieuwe projectanalyse en haar aanvraag nader toegelicht.

- Op 15 maart 2007 hebben medewerkers van verweerder de aanvraag, de nieuwe projectanalyse en de toelichting van appellante besproken.

- Bij brief van 4 mei 2007 heeft verweerder de adviescommissie verzocht opnieuw advies uit te brengen ten aanzien van het project.

- Blijkens een telefoonnotitie, gedateerd 11 mei 2007, heeft de adviescommissie geen reden gezien een nieuw advies uit te brengen.

- Bij brief van 21 mei 2007 heeft appellante - zoals in rubriek 1 is vermeld - beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd.

Met betrekking tot de bezwaren aangaande de totstandkoming van het primaire besluit stelt verweerder dat de gevolgde werkwijze inhoudt dat een adviseur een projectanalyse opstelt, waarna alle ingediende aanvragen met projectanalyse worden voorgelegd aan de adviescommissie. Daarbij is het van belang dat de projectanalyse een voldoende afgewogen beeld van het project geeft. Dat was aanvankelijk niet het geval. Tevens bleek uit het advies van de adviescommissie onvoldoende op basis van welke gegevens zij tot haar oordeel is gekomen. Om die redenen heeft verweerder in de bezwaarschriftprocedure een nieuwe projectanalyse op laten stellen en heeft appellante de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Deze wijze van voorbereiding is zorgvuldig en niet in strijd met het Besluit.

Bij de heroverweging in bezwaar kan verweerder niet overgaan tot een volledige heroverweging ex nunc, maar kan hij - gelet op de omstandigheid dat het hier een tenderprocedure betreft - slechts die gegevens bij de beslissing betrekken die op de sluitingsdatum voor indiening van de aanvraag bekend zijn.

Op grond van de nieuwe beoordeling in bezwaar is verweerder tot de conclusie gekomen dat het project geen project is in de zin van (artikel 1 van) het Besluit en dat het destijds dan ook ten onrechte aan de adviescommissie is voorgelegd. Het project bevindt zich naar het oordeel van verweerder nog in het stadium van ontwikkelingsproject, aangezien de verschillende processtappen in het project wel bekend zijn, maar de door appellante voorgestelde combinatie van technieken nog nooit eerder is gedemonstreerd. Het besluit vereist echter dat een apparaat of systeem al eerder is gedemonstreerd. Voor de technisch-inhoudelijke onderbouwing van dit oordeel verwijst verweerder naar de (tweede) projectanalyse, waarover appellante zich al mondeling en schriftelijk heeft kunnen uitlaten. De inbreng van appellante heeft echter niet geleid tot een ander oordeel. Aan de beoordeling van de financiële haalbaarheid van het project komt verweerder niet meer toe.

Op grond van artikel 10, onder a, van het Besluit dient verweerder onder deze omstandigheden de aanvraag af te wijzen. Voorleggen aan de adviescommissie is achteraf gezien onjuist geweest, slechts uit zorgvuldigheidsoverwegingen heeft verweerder in bezwaar de aanvraag nogmaals aan deze commissie willen voorleggen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante brengt ter ondersteuning van haar beroep - samengevat weergegeven - het volgende naar voren.

Het primaire besluit is op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De werkwijze die verweerder hanteert bij de voorbereiding van besluiten op grond van het Besluit, in het bijzonder waar het betreft de rol van de adviescommissie, strookt niet met het systeem van de subsidiebeoordeling waarbij een adviescommissie wordt ingezet vanwege de hoge mate van deskundigheid die is vereist voor de beoordeling van de aanvragen.

In de voorbereiding van de beoordeling van aanvragen als die van appellante is te zeer een bepalende rol gegeven aan de projectanalyse door de projectadviseur. De adviescommissie moet de projecten beoordelen, niet de projectadviseur. Ambtelijke voorbereiding mag geen afbreuk doen aan de eigenstandige behandeling door de adviescommissie. Een gebrek in de primaire besluitvorming kan in bezwaar in veel gevallen niet meer worden hersteld aangezien in bezwaar geen vergelijking met andere aanvragen meer plaatsvindt.

Ten onrechte is appellante in de primaire fase niet de gelegenheid gegeven te reageren op de projectanalyse. Onder verwijzing naar een uitspraak van het College van 7 juni 2007 (AWB 05/871, te vinden op <www.rechtspraak.nl> LJN: BA7445) stelt appellante dat de omstandigheid dat de hoorplicht van artikel 4:7 Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van toepassing is, onverlet laat dat zij op grond van artikel 3:2 Awb had moeten worden gehoord.

Appellante is voorts van mening dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd en licht dit als volgt toe.

In de beide projectanalyses zijn onjuiste aannames gedaan en verkeerde conclusies getrokken. Ten aanzien van de eerste projectanalyse is dit erkend door verweerder, doch dit heeft er ten onrechte niet toe geleid dat het bezwaar gegrond is verklaard op de grond dat de eerste projectanalyse onvoldoende was.

Het karakter van de tenderprocedure staat in de weg aan herstel van dergelijke gebreken in de bezwaarprocedure.

De heroverweging zelf is gebrekkig, aangezien de voorbereiding van de beslissing dat het project in het geheel niet in aanmerking komt voor subsidie op grond van het Besluit louter is gebaseerd op een voorbereidend stuk, de tweede projectanalyse, die onvolkomen is.

De adviescommissie heeft ten onrechte geen nieuw advies uitgebracht, dit was wel noodzakelijk, omdat het uitgebrachte advies was gebaseerd op de eerste, ook door verweerder onvoldoende geachte, projectanalyse.

Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd. Verweerder is niet ingegaan op het uitgebreide commentaar van appellante op de tweede projectanalyse in de bezwaarfase. Verweerder had moeten ingaan op de door appellante aangegeven technische punten waarover verschil van inzicht bestond.

Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 2°, Besluit is vereist dat technieken al eerder zijn gedemonstreerd. Het Besluit schrijft niet voor dat een combinatie van technieken reeds eerder moet zijn gedemonstreerd. Het project gaat uit van twee onafhankelijk van elkaar toegepaste, reeds eerder gedemonstreerde technieken, te weten pyrolyse en vergassing. De twee technieken worden tegelijkertijd bedreven en hierin schuilt de toegevoegde waarde. Verweerder heeft dit zowel na de eerste als na de tweede projectanalyse misverstaan. Voorts wijst appellante erop dat een project in de zin van evengenoemd artikelonderdeel omvat een 'experiment', een proef. Het onderhavige project moet als zodanig worden gekwalificeerd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Uit artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat het beroep van appellante, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar van appellante, geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 27 juni 2007, aangezien bij dit besluit niet aan het bezwaar tegemoet is gekomen. Appellante heeft haar beroep wegens niet tijdig beslissen uitdrukkelijk gehandhaafd en hiertoe aangevoerd dat de uitvoering van het project twee jaar vertraging heeft opgelopen, waardoor schade is ontstaan. Appellante heeft een extra partner ter financiële ondersteuning moeten nemen. Het College overweegt dienaangaande dat deze belangen ook betrokken kunnen worden bij de beoordeling van het beroep gericht het bestreden besluit. Hieruit volgt dat appellante geen afzonderlijk belang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van dat besluit. Dat beroep moet derhalve wegens het ontvallen van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.2 Ter beantwoording staat de vraag of verweerder op zorgvuldige wijze en op goede gronden tot de beslissing is gekomen dat het aangevraagde project geen project is in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, 2°, Besluit. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

5.3 Het betoog van appellante dat de procedure die heeft geleid tot het primaire besluit onzorgvuldig is geweest en dat deze gebreken met de beslissing op bezwaar niet zijn hersteld kan niet worden aanvaard. Voor zover appellante heeft betoogd dat gebreken bij de voorbereiding van het primaire besluit vanwege het karakter van de procedure, zijnde een tenderprocedure, niet kunnen worden hersteld, is het College met verweerder van oordeel dat de behandeling van aanvragen zoals die in een tender aan de orde is, met zich brengt dat beoordeling plaatsvindt naar de stand van de aanvragen op de sluitingsdatum van de tender. Niet valt in te zien dat eventuele gebreken in de voorbereiding van het primaire besluit onder die omstandigheden niet meer zouden kunnen worden hersteld, aangezien verweerder bij de voorbereiding en beoordeling steeds uit moet gaan van de feiten en gegevens met betrekking tot de aanvraag, zoals die op de sluitingsdatum aanwezig zijn.

Dat - zoals appellante stelt - herstel niet mogelijk is, omdat geen gelijktijdige beoordeling in onderlinge vergelijking van alle aanvragen plaatsvindt valt evenmin in te zien, aangezien verweerder, evenals de adviescommissie, voor alle aanvragen gelijke beoordelingscriteria moet aanleggen, waartoe gelijktijdigheid van de beoordeling niet noodzakelijk is.

Gelet op het voorgaande hoeft niet te worden ingegaan op het betoog van appellante dat de procedure die verweerder hanteert bij de voorbereiding van primaire besluiten met betrekking tot aanvragen als die van appellante in algemene zin onzorgvuldig is.

5.4 Het College volgt appellante in haar betoog dat verweerder het bezwaar gegrond had moeten verklaren. In het bestreden besluit heeft verweerder immers vermeld dat bij de behandeling van het bezwaarschrift is gebleken dat de eerste projectanalyse een onvoldoende afgewogen beeld gaf van het project, alsmede dat uit het advies van de adviescommissie onvoldoende bleek op basis waarvan zij tot een oordeel is gekomen. Daarmee heeft verweerder in wezen beslist dat de bezwaren van appellante ten aanzien van de totstandkoming van het primaire besluit gegrond waren. Gelet hierop zal het bestreden besluit worden vernietigd.

5.5 Het College ziet evenwel redenen om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten op grond van de overwegingen, zoals hierna vermeld onder punt 5.6 en 5.7.

Het College neemt hierbij in aanmerking dat verweerder zijn besluit tot afwijzing van de aanvraag naar aanleiding van de bezwaren opnieuw heeft overwogen en tot de slotsom is gekomen dat deze afwijzing moet worden gehandhaafd, zij het op andere gronden.

5.6 Met betrekking tot appellantes grief dat de gebreken in de procedure niet zijn hersteld in bezwaar, omdat verweerder in de bezwaarschriftprocedure eveneens onzorgvuldig is geweest oordeelt het College als volgt.

5.6.1 Appellante voert in dit verband aan dat de tweede projectanalyse een onjuist beeld geeft van het project en een te groot gewicht heeft gekregen in de besluitvorming, te meer daar het project niet opnieuw is beoordeeld door de adviescommissie.

Het College stelt voorop dat het verweerder vrijstaat in het kader van het Besluit het instrument van de ambtelijke projectanalyse te hanteren ter voorbereiding van de besluitvorming. Het College acht het daarbij van belang dat een dergelijke analyse een voldoende afgewogen beeld van het aangevraagde project geeft. In dit verband is van belang dat verweerder een nieuwe projectanalyse heeft laten opstellen naar aanleiding van het bezwaar van appellante dat de eerste projectanalyse een onjuist beeld gaf van het project waarop de subsidieaanvraag betrekking had. Het College heeft hiervoor in rubriek 2 vastgesteld dat na het opstellen van de nieuwe projectanalyse op 13 februari 2007 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen verweerder en appellante. Voorts heeft appellante, mede naar aanleiding van die bespreking, bij brief van 1 maart 2007 een nadere toelichting kunnen geven op de aanvraag. Blijkens het daarvan gemaakte verslag hebben medewerkers van verweerder de aanvraag, de nieuwe projectanalyse en de toelichting van appellante op 15 maart 2007 uitvoerig besproken en naar aanleiding van deze bespreking is de projectanalyse op enkele onderdelen aangepast. Onder die omstandigheden kan niet worden volgehouden dat verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid, noch dat hij een eenzijdig beeld heeft gekregen van appellantes project en op een eenzijdige basis heeft beslist. Evenmin kan worden gezegd dat de projectanalyse in het onderhavige geval een te groot gewicht heeft gekregen. Verweerder heeft immers bij zijn besluitvorming eveneens de uitvoerige inbreng van appellante betrokken, en daarbij tevens het rapport van TNO in aanmerking genomen dat appellante aan verweerder ter beschikking heeft gesteld.

5.6.2 Met betrekking tot hetgeen appellante aanvoert ten aanzien van het achterwege blijven van een nieuw advies van de adviescommissie overweegt het College dat verweerder op grond van de gegevens die hij gedurende de bezwaarschriftprocedure heeft vergaard bij nader inzien tot de conclusie is gekomen dat het project geen project is in de zin van artikel 1, eerste lid, onder e, sub 2°, van het Besluit en derhalve niet voldoet aan het Besluit.

De artikelen 10 en 11 van het Besluit brengen mee dat verweerder de aanvraag onder die omstandigheden zonder raadpleging van de adviescommissie afwijst. Slechts projecten die wel aan het Besluit voldoen, worden aan de adviescommissie voorgelegd.

Voorts overweegt het College dat uit de stukken blijkt dat verweerder de adviescommissie desondanks heeft gevraagd om een nieuw advies, maar dat deze commissie daarvoor blijkens haar antwoord geen aanleiding heeft gezien. Het betoog van appellante treft aldus geen doel.

5.7 De kern van appellantes kritiek is daarin gelegen dat verweerder ten onrechte zou hebben geconcludeerd dat geen sprake is van een reeds gedemonstreerde techniek.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder bij de beoordeling van de subsidieaanvraag van appellante terecht de combinatie van de in het projectvoorstel uiteengezette combinatie van technieken bepalend geacht en is verweerder op goede gronden tot zijn oordeel gekomen dat deze combinatie niet eerder is gedemonstreerd. Hierbij neemt het College in aanmerking dat uit het door appellante ingebrachte conceptrapport van TNO over het project blijkt dat de combinatie van technieken die appellante voorstaat nog niet experimenteel is onderzocht, dat GreenModem een proces is dat in de ontwikkelingsfase zit, en dat de pyrolyse- en vergassingstappen nog niet bewezen zijn in de voorgestelde GreenModem configuratie als continue proces.

Voorts heeft appellante heeft naar aanleiding van het TNO-rapport ter zitting opgemerkt dat nog getest moet worden of met behulp van de combinatie van genoemde twee technieken een volcontinue proces kan worden bewerkstelligd, waarbij de warmte die vrijkomt uit het ene proces wordt gebruikt voor het instandhouden van het andere proces. Op grond hiervan komt het College tot het oordeel dat verweerder op goede gronden heeft beslist dat appellantes project geen project is in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 2°, van het Besluit en derhalve niet voor de aangevraagde subsidie in aanmerking komt.

5.8 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is, dat het bestreden besluit zal worden vernietigd en dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zullen worden gelaten. Het College acht voorts termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb. Op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644,-- op basis van één punt voor het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting tegen een waarde van € 322,-- per punt.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gericht tegen het uitblijven van een beslissing van verweerder op het bezwaar van appellante van 18 juli

2006 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 27 juni 2007 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig

euro), onder aanwijzing van de Staat als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,-- (zegge:

tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. M.A. Fierstra en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2008.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Bruining