Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BD4033

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
16-06-2008
Zaaknummer
AWB 07/119
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Registratie

beëindiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/119 28 mei 2008

3111 Registratie

beëindiging

Uitspraak in de zaak van:

Betonwerk D. Verkade B.V., te Monster, appellante,

gemachtigde: mr. Th. Meijer, advocaat te ‘s-Gravenzande,

tegen

het Bedrijfschap Afbouw, verweerder,

gemachtigde: mr. B.C. Westenbroek, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij fax van 23 februari 2007, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 januari 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen een besluit van 12 september 2006, waarbij appellantes verzoek om beëindiging van de registratie is afgewezen, ongegrond verklaard.

Bij brief van 14 juni 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 16 april 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen hun standpunten hebben toegelicht. Namens appellante zijn tevens verschenen D.A. Verkade, directeur, en J.W.M. van de Zeijden, administrateur.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij Koninklijk Besluit van 5 juli 2002 (Stb. 2002, 394), gebaseerd op artikel 67 van de Wet op de bedrijfsorganisatie, zoals dat met ingang van een op 1 juli 1999 in werking getreden wijziging luidt, is met ingang van 1 januari 2003 het Bedrijfschap voor het Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-/Vloerenbedrijf opgeheven en is het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud ingesteld (hierna: het Hoofdbedrijfschap). Artikel 2 van dit besluit (hierna: Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap) luidde als volgt:

“Artikel 2

(…)

2. Het hoofdbedrijfschap is ingesteld voor de ondernemingen waarin wordt uitgeoefend:

a. het schilders- en afwerkingsbedrijf;

b. het stukadoors-, afbouw-, terrazzo- en vloerenbedrijf.

(…)”

. In de Nota van Toelichting bij het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap is met betrekking tot de werkingssfeer van het Hoofdbedrijfschap, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“ Onder het stukadoors-, afbouw-, terrazzo- of vloerenbedrijf wordt verstaan het bedrijfsmatig krachtens aanneming van werk verrichten van activiteiten gericht op het gebied van de niet-constructieve afbouw, waaronder het ter plaatse van de bestemming aanbrengen van plafond- en wandsystemen. In tegenstelling tot de instellingsverordening van het op te heffen Bedrijfschap voor het Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-/Vloerenbedrijf, is het vloerenbedrijf hierna nader omschreven. Gebleken is namelijk, dat niet in alle gevallen duidelijk is wat onder het vloerenbedrijf moet worden verstaan. Wat betreft het vloerenbedrijf moet aansluiting worden gezocht bij de norm NEN-EN 13 318. Onder het vloerenbedrijf vallen eveneens de bedrijven die vloeren bewerken, al dan niet in samenhang met het aanbrengen van een ter plaatse van de bestemming vervaardigde deklaag. Ook bedrijven vallen daaronder die betonvloeren storten in samenhang met het niet-constructief afbouwen van deze vloeren doch niet in samenhang met de verantwoordelijkheid voor constructieve werkzaamheden zoals bij het plaatsen van de bekisting en het aanbrengen van de bewapening.

Tot het stukadoors-, afbouw-, en terrazzo- of vloerenbedrijf wordt niet gerekend:

a. het verrichten van handelingen van constructieve bouwkundige aard, zoals in het kader van het aannemingsbedrijf op het gebied van bouw en utiliteit, en van handelingen in het kader van betonreparatie van constructieve aard;

b. het vervaardigen van dragende vloeren of wanden;

c. het fabrieksmatig vervaardigen van sierbetonproducten, tenzij door de vervaardiger daarvan bestemd om ter plaatse van de bestemming te worden aangebracht;

d. het fabrieksmatig vervaardigen van systeemwanden, het fabrieksmatig vervaardigen van systeemplafondonderdelen, tenzij door de vervaardiger daarvan bestemd om ter plaatse van de bestemming te worden aangebracht;

e. het aanbrengen van niet zelf vervaardigde keramische, glazen of natuurstenen tegels, tenzij aangebracht in samenhang met een of meer handelingen die tot de uitoefening van het stukadoors-, afbouw-, terrazzo- of vloerenbedrijf behoren.”

Bij Koninklijk Besluit van 21 december 2006 (Stb. 2006, 724) is met ingang van 1 januari 2007 het Hoofdbedrijfschap opgeheven en verweerder ingesteld. In dit besluit (hierna: het Instellingsbesluit) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“ Artikel 2

1. In dit besluit wordt verstaan onder het stukadoors-, afbouw-, terrazzo- en vloerenbedrijf: het bedrijfsmatig krachtens aanneming van werk verrichten of doen verrichten van activiteiten gericht op het gebied van de niet-constructieve afbouw, waaronder het ter plaatse van de bestemming aanbrengen van plafond- en wandsystemen.

(…)

3. In dit besluit wordt onder het vloerenbedrijf mede verstaan:

a. het bewerken van vloeren, al dan niet in samenhang met het aanbrengen van een ter plaatse van de bestemming vervaardigde deklaag, met de fysische eigenschappen die vereist zijn voor het beoogde gebruik;

b. het storten van betonvloeren in samenhang met het niet-constructief afbouwen van deze vloeren en tevens niet in samenhang met de verantwoordelijkheid voor constructieve werkzaamheden zoals bij het plaatsen van bekisting en het aanbrengen van bewapening.

4. In dit besluit wordt onder uitoefening van het stukadoors-, afbouw-, terrazzo- en vloerenbedrijf niet verstaan:

a. het verrichten van handelingen van constructieve bouwkundige aard, waaronder die in het kader van het aannemingsbedrijf op het gebied van bouw en utiliteit, en in het kader van betonreparatie van constructieve aard;

b. het vervaardigen van dragende vloeren of wanden;

(…)

Artikel 3

1. Er is een Bedrijfschap Afbouw.

2. Het bedrijfschap is ingesteld voor ondernemingen waarin het stukadoors, afbouw-, terrazzo- en vloerenbedijf wordt uitgeoefend.

(…)

Artikel 9

1. Het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud wordt opgeheven.

2. De verordeningen van het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud en de krachtens deze verordeningen genomen heffingsbesluiten blijven na intrekking van het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud van kracht tot de datum waarop de door het bedrijfschap vastgestelde verordeningen terzake in werking zullen treden.

(…)

5. Besluiten, genomen door het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud, worden toegerekend aan het bedrijfschap.”

2.2. Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op een daartoe door het Hoofdbedrijfschap aan appellante verstrekt en namens appellante op 22 juni 2005 ondertekend vragenformulier is onder de rubriek “Ondernemingsactiviteiten” bij de categorie “vloeren leggen” als door appellante aangenomen werkzaamheid “cementgebonden vloeren aanbrengen” aangekruist.

- Op basis van dit ingevulde vragenformulier heeft het Hoofdbedrijfschap appellante bij besluit van 22 augustus 2005 geregistreerd op grond van de Verordening registratie en inzage van boeken en bescheiden Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud.

- Bij factuur van 14 februari 2006 heeft het Hoofdbedrijfschap van appellante een bedrag van € 24.418,-- voor het jaar 2005 geheven.

- Naar aanleiding hiervan heeft appellante bij brief van 27 februari 2006 het Hoofdbedrijfschap verzocht deze heffing in te trekken op de grond dat appellante niet werkzaam is op een terrein vallend onder het Hoofdbedrijfschap, zodat de heffing ten onrechte is opgelegd.

- In overleg met appellante heeft verweerder deze brief aangemerkt als een verzoek tot beëindiging van de registratie bij het Hoofdbedrijfschap.

- Naar aanleiding hiervan is aan appellante een Herbeoordelingslijst voor registratie bij het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud verstrekt. Op dit namens appellante op 9 juni 2006 ondertekende vragenformulier is onder de rubriek “Ondernemingsactiviteiten” uitsluitend bij de categorie “Andere activiteiten” als volgt omschreven welke werkzaamheden door appellante worden aangenomen:

“We voeren constructieve werkzaamheden uit waaronder het plaatsen van wapening en het storten van beton.”

- Naar aanleiding van dit vragenformulier heeft het hoofd Registratie zich namens het Hoofdbedrijfschap bij brief van 4 augustus 2006, voor zover hier van belang, als volgt gewend tot appellante:

“ (…) volgens de gegevens van uw website worden er door uw onderneming vloeren aangebracht zonder bewapening. Indien er vloeren zonder bewapening worden aangebracht, vallen deze onder de niet-constructieve afbouw. Dit suggereert dat uw onderneming werkzaamheden uitvoert, die vallen onder de werkingssfeer van het Hoofdbedrijfschap Afbouw en Onderhoud (HAO).

Wij constateren dat de herbeoordelingslijst en uw website niet in overeenstemming zijn. Wij verzoeken u dit verschil te verklaren en te onderbouwen.

Tevens maken wij u erop attent dat ondernemingen die constructieve vloeren aanbrengen in het bezit dienen te zijn van een vestigingsvergunning bouw of een andere vestigingsvergunning om deze vloeren te mogen aanbrengen. Indien uw onderneming alleen constructieve werkzaamheden uitvoert, verzoeken wij u een kopie van genoemde vergunning in bijgesloten antwoordenveloppe naar ons toe te zenden.

Na ontvangst van de gevraagde informatie zal uw verzoek tot uitschrijving bij het HAO verder in behandeling worden genomen. Indien de door u verstrekte gegevens opnieuw vragen oproept, kan het nodig zijn om een boekencontrole bij uw onderneming uit te laten voeren.”

- Op deze brief heeft appellante gereageerd bij brief van 21 augustus 2006. Daarbij is als bijlage bijgevoegd een op 23 oktober 1996 door de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Haaglanden op grond van de Vestigingswet bedrijven 1951 aan appellante afgegeven “vergunning bouwbedrijf”.

- Bij besluit van 12 september 2006 heeft het Hoofdbedrijfschap afwijzend beslist op vorengenoemd verzoek van appellante van 27 februari 2006 tot beëindiging van de registratie.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 19 oktober 2006 bezwaar gemaakt bij het Hoofdbedrijfschap.

- Bij brief van 31 oktober 2006 heeft het Hoofdbedrijfschap appellante als volgt verzocht het bezwaarschrift aan te vullen:

“Volgens uw website verricht u projecten voor de aannemerij. Een kopie van de bedoelde webpagina treft u bijgaand aan.

Op een van de foto’s is het storten en het afwerken van een betonvloer te zien. De vloer wordt op de grond gestort binnen een bestaande hal. Voor zover wij kunnen waarnemen, betreft het geen constructieve vloer. Vanwege het aanbrengen van dergelijke vloeren is uw bedrijf geregistreerd. Wij verzoeken u om uw bezwaarschrift op dat punt aan te vullen.”

- Bij brief van 20 november 2006 heeft appellante het bezwaarschrift op dit punt aangevuld. Daarbij heeft appellante aangegeven dat vorengenoemde foto’s betrekking hebben op een project dat is uitgevoerd bij Hogerwerf & van Laviere BV, gevestigd te Moerkapelle, en de opdrachtbevestiging van 13 februari 2002 met een omschrijving van de werkzaamheden als bijlage bijgevoegd.

- Na de opheffing van het Hoofdbedrijfschap heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

- Bij brief van 13 februari 2007 heeft appellante verweerder nadere informatie verstrekt met betrekking tot de vloer op de in de brief van het Hoofdbedrijfschap van 31 oktober 2006 bedoelde foto, en verweerder verzocht aan de hand daarvan het bestreden besluit te herzien. Appellante heeft daarbij verwezen naar een bijgevoegd schrijven van 31 januari 2007, afkomstig van de constructeur van deze vloer, J. Brand van ABQ International B.V. te Bergschenhoek.

- Bij besluit van 2 maart 2007 heeft verweerder appellante meegedeeld dat haar brief van 13 februari 2007 conform telefonisch gemaakte afspraak is opgevat als een verzoek tot beëindiging van de registratie van appellante bij verweerder en dat dit verzoek is afgewezen. Bij dit besluit is een bijlage gevoegd met twee foto’s van vloeren, afkomstig van de website van appellante.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit strekt tot handhaving van de weigering de registratie van appellante te beëindigen. Verweerder heeft daartoe in dat besluit aan de hand van foto’s op de website van appellante onderzocht of appellante vloeren aanbrengt in de zin van artikel 2 van het Instellingsbesluit. Verweerder heeft deze vraag ontkennend beantwoord en daartoe – samengevat weergegeven – het volgende overwogen.

Uit door appellante in bezwaar verstrekte informatie met betrekking tot de foto die is genomen van werkzaamheden waarbij door appellante in het kader van een project bij Hogerwerf & van Laviere BV in een bestaand bedrijfsgebouw een betonvloer is aangebracht, blijkt dat het daarbij gaat om een betonvloer die is voorzien van een wapening van staalvezel. Verweerder deelt niet de visie van appellante dat het aanbrengen van betonvloeren met wapening, waaronder staalvezel, constructief werk is en dat appellante derhalve geen vloerenbedrijf in de zin van het bepaalde in artikel 2, derde lid, onder b, van het Instellingsbesluit is. Met het begrip “constructieve werkzaamheden” wordt in deze bepaling, evenals in de bouwkunde, bedoeld het vervaardigen van de delen van het bouwwerk, die deel uitmaken van een draagconstructie van dat bouwwerk. Die constructiedelen vormen samen met de overige dragende delen het skelet van het bouwwerk, waarlangs de krachten die op het gebouw werken, naar de ondergrond worden gedragen. Op het skelet sluiten de overige (af)bouwdelen aan. Het vervaardigen van constructiedelen betreft handelingen van constructieve bouwkundige aard, die in het kader van het aannemingsbedrijf op het gebied van bouw en utiliteit worden verricht en daarom in artikel 2, vierde lid, onder a en b, van het Instellingsbesluit zijn uitgezonderd. Verweerder stelt dat uit de foto en de specificaties van de staalvezel vloer blijkt dat deze vloer geen deel uitmaakt van de draagconstructie van het gebouw. Er is sprake van een monolietvloer, die wordt gedragen door de natuurlijke ondergrond en niet door de constructieve delen van het gebouw. Daarop wijst ook het feit dat aan de buitenzijde dilatatievoegen worden gemaakt. De vloer is weliswaar voorzien van wapening, maar deze is nodig voor de eigen inwendige samenhang en sterkte van de vloer en niet voor de samenhang met de overige aanpalende, constructieve elementen.

Verweerder concludeert derhalve dat het aanbrengen van de betreffende staalvezel betonvloer een activiteit is, gericht op de niet-constructieve afbouw als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Instellingsbesluit.

4. Het standpunt van appellante

Appelante is het niet eens met het bestreden besluit en heeft samengevat weergegeven het volgende aangevoerd.

Onder verwijzing naar het verloop van de procedure, voert appellante aan dat verweerder, in zijn besluit van 2 maart 2007 “voor de zoveelste keer” nieuwe feiten aandraagt ter onderbouwing van de reeds eerder getrokken conclusie omtrent de aard van de werkzaamheden van appellante. Appellante acht het op deze wijze geheel ondoenlijk zich te verdedigen, dan wel het tegendeel aan te tonen. De als bijlage bij het besluit van 2 maart 2007 gevoegde foto’s hebben betrekking op een door appellante aangelegd betonpad in een tuinbouwonderneming. Alleen al gezien de omvang van het project is dit in het geheel niet te beschouwen als afbouw. Uit de foto’s blijkt dat het storten van het pad is geschied in samenhang met de verantwoordelijkheid voor de bewapening, die op één van de foto’s duidelijk aan de zijkant van het pad is te zien.

Appellante voert in de tuinbouwsector veelal als hoofdaannemer projecten uit op het gebied van het betonwerk. Deze werkzaamheden zijn vanwege hun aard, complexiteit en omvang geenszins als afbouw te bestempelen. Afbouw wordt verricht aan het einde van een bouwproces en heeft betrekking op de verfraaiing van het geheel en de details. Appellante verricht echter werkzaamheden die van essentieel belang zijn voor het gebruik en het bestaansrecht van de kassen. Zonder deze werkzaamheden, ongeacht of het daarbij gaat om eb- en vloedvloeren, dockshelters, transportgoten of betonpaden, is het onmogelijk de kas in gebruik te nemen. Het betreft hier dan ook opbouwwerkzaamheden en geen werkzaamheden op het terrein van de afbouw. Reeds daarom valt appellante niet onder de werkingssfeer van verweerder.

Verweerder heeft appellante ten onrechte beschouwd als een vloerenbedrijf in de zin van artikel 2 van het Instellingsbesluit. Appellante stort enkel vloeren in samenhang met de verantwoordelijkheid voor de hierbij behorende constructieve werkzaamheden zoals bij het plaatsen van de bekisting en het aanbrengen van de bewapening. Gelet op het bepaalde in artikel 2, derde lid, onder b, van het Instellingsbesluit is appellente dan ook geen vloerenbedrijf als bedoeld in dat artikel. Volgens appellante is hierbij van belang dat haar bedrijf betonvloeren legt als onderdeel van een grootschalig project waartoe niet alleen het storten van de vloer behoort, maar tevens alle hieraan voorafgaande werkzaamheden van het graven tot stellen en, indien noodzakelijk, het bewapenen en constructief doorrekenen van de vloeren. Het gaat bovendien niet om werkzaamheden die ten dienste staan van het gebruik van het gebouw, zoals bij afbouw het geval is, maar om werkzaamheden die productieprocessen mogelijk maken. Eb- en vloedvloeren, die het telen van planten mogelijk maken, zijn te beschouwen als productiemiddelen en transportgoten of in betonpaden verwerkte transportsystemen als productiemiddelen in logistieke zin.

Verweerder heeft de betonvloer met een wapening van staalvezel, die zichtbaar is op een op de website van appellante geplaatste foto, ten onrechte gekwalificeerd als het resultaat van werkzaamheden van een vloerenbedrijf in de zin van artikel 2 van het Instellingsbesluit. De bewapening van staalvezel waarvan deze vloer is voorzien, dient hetzelfde doel als de gebruikelijke bewapening. Uit de door appellante verstrekte gegevens blijkt dat deze vloer wel degelijk dient ter verdere ondersteuning van de constructie, in het bijzonder ter horizontale versteviging van de constructie. Zonder de vloer zou de constructie geen enkele weerstand kunnen bieden aan onder andere door de wind uitgeoefende horizontale krachten.

Gelet op het bepaalde in artikel 2, vierde lid, onder a en b, van het Instellingsbesluit ligt het voor de hand de term “constructief” taalkundig uit te leggen in die zin dat constructieve werkzaamheden zien op opbouwwerkzaamheden in tegenstelling tot afbouwwerkzaamheden. Het kan niet zo zijn dat enkel aan dragende vloeren constructieve werkzaamheden kunnen worden verricht, omdat deze uitzondering anders niet apart had hoeven te worden opgenomen in artikel 2, vierde lid, onder b, van het Instellingsbesluit.

Met uitzondering van appellante, zijn geen andere binnen de tuinbouwsector werkzame betonbedrijven bij verweerder geregistreerd. Appellante acht dit in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Bij de overgang van het Hoofdbedrijfschap naar verweerder zijn een aantal sectoren buiten de werkingssfeer van verweerder gebracht, waardoor het aantal kostendragers is afgenomen. Het komt appellante voor dat verweerder met de onderhavige poging haar bedrijf onder zijn werkingssfeer te brengen via de achterdeur binnenhaalt wat er via de voordeur is uitgegaan. Deze werkwijze is in strijd met het in Nederland geldende verbod van uitbreiding van de Bedrijfschappen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat in de onderneming van appellante een vloerenbedrijf wordt uitgeoefend dat onder de werkingssfeer van verweerder valt, zodat de registratie van appellante niet kan worden beëindigd.

5.2 Zoals het College reeds eerder heeft overwogen (onder meer in zijn uitspraak van 16 juli 2003, www.rechtspraak.nl, LJN AI1087, kan slechts worden geweigerd om de registratie van een onderneming te beëindigen, op de grond dat in deze onderneming een in het instellingsbesluit van het betreffende bedrijfslichaam genoemd bedrijf wordt uitgeoefend en bestaat er voor inwilliging van een verzoek tot uitschrijving slechts aanleiding indien de onderneming die het verzoek heeft ingediend, aannemelijk maakt dat zij in het geheel geen werkzaamheden verricht die haar onder de werkingssfeer van het instellingsbesluit brengen.

5.3 Gelet op artikel 3, tweede lid, van het Instellingsbesluit is verweerder onder meer ingesteld voor ondernemingen waarin het vloerenbedrijf wordt uitgeoefend. In artikel 2 van het Instellingsbesluit is gedefinieerd wat ingevolge dit besluit moet worden verstaan onder het begrip “vloerenbedrijf”. Blijkens artikel 3 van het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap strekte de werkingssfeer van het Hoofdbedrijfschap zich eveneens uit tot het vloerenbedrijf. In het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap ontbrak een bepaling waarin was gedefinieerd wat onder het begrip “vloerenbedrijf” als bedoeld in dat besluit moest worden verstaan, maar in de hiervoor in rubriek 2.2 geciteerde passage uit de Nota van Toelichting bij dit besluit was aangegeven welke invulling aan dit begrip moest worden gegeven.

Gelet op de definitie van het begrip “vloerenbedrijf” in artikel 2 van het Instellingsbesluit en genoemde passage in de Nota van Toelichting bij het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap, stelt het College vast dat het begrip “vloerenbedrijf” in de zin van het Instellingsbesluit materieel niet afwijkt van dat begrip zoals dit werd verstaan in het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap. Het uitgangspunt van verweerder bij het bestreden besluit dat de opheffing van het Hoofdbedrijfschap en de instelling van verweerder inhoudelijk bezien geen gevolgen heeft voor de beantwoording van de voorliggende vraag of in de onderneming van appellante een registratieplichtig vloerenbedrijf wordt uitgeoefend, is derhalve niet onjuist.

5.4 Desgevraagd heeft appellante ter zitting aangegeven dat alle in het dossier aanwezige gegevens die door partijen op enig moment in de procedure zijn betrokken ter onderbouwing van hun standpunt met betrekking tot vorengenoemde vraag, door het College mogen worden betrokken in de beoordeling van het bestreden besluit en dat haar grief dat verweerder in de loop van de procedure ter onderbouwing van zijn standpunt telkens nieuwe feiten heeft aangedragen, waardoor het voor appellante ondoenlijk was zich daartegen te verweren, geen bespreking meer behoeft.

5.5 Uit het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van het Instellingsbesluit in verbinding met het bepaalde in het derde lid, onderdeel b, en het bepaalde in het vierde lid, onderdelen a en b, van dit besluit, volgt naar het oordeel van het College dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van het verrichten of doen verrichten van activiteiten of handelingen met betrekking tot een vloer, die van de werkingssfeer van het Instellingsbesluit zijn uitgezonderd, essentieel is of deze activiteiten of handelingen van constructieve bouwkundige aard zijn.

Verweerder heeft in het verweerschrift, onder verwijzing naar voorschriften uit het Bouwbesluit 2003 en literatuur op het gebied van de bouwkunde, betoogd dat sprake is van dergelijke activiteiten of handelingen, indien en voor zover het daarbij gaat om het vervaardigen van vloeren die deel uitmaken van de draagconstructie van een bouwwerk. De draagconstructie is volgens verweerder het geheel van dragende delen van een bouwwerk die tezamen het skelet vormen waarlangs de krachten die op het bouwwerk werken naar de ondergrond worden afgedragen. Het vervaardigen van dragende vloeren is daarom eveneens een activiteit van constructieve bouwkundige aard en derhalve uitgezonderd van de werkingssfeer van het Instellingsbesluit. Het Bouwbesluit 2003 verstaat blijkens artikel 1.1, eerste lid, onder een bouwconstructie een onderdeel van een bouwwerk dat bestemd is om belasting te dragen. In verband daarmee bevat het Bouwbesluit 2003 voorschriften over de bouwconstructie waaruit volgt dat in NEN-normen vastgelegde uiterste grenstoestanden bij bepaalde belastingen niet mogen worden overschreden. Voor (monoliet)vloeren die op staal zijn gefundeerd, gelden dergelijke voorschriften niet. Deze vloeren worden direct op de natuurlijke ondergrond gestort en zijn niet verbonden met de draagconstructie van het bouwwerk waarin een dergelijke vloer zich bevindt. Eventuele constructieve berekeningen voor een dergelijke vloer worden verricht in het kader van de beoogde gebruiksbelasting van de vloer. Het feit dat een op staal gefundeerde (monoliet)vloer is voorzien van wapening houdt niet in dat deze vloer van constructieve bouwkundige aard is. Of wapening van een dergelijke vloer noodzakelijk is, hangt af van het beoogde gebruik, aldus verweerder.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, heeft het College geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat verweerder met dit betoog een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip “van constructieve bouwkundige aard” als onderscheidend criterium voor van de werkingssfeer van in het Instellingsbesluit uitgezonderde activiteiten en handelingen met betrekking tot vloeren. Uit het Instellingsbesluit blijkt niet dat de schaal, de omvang of de complexiteit van de werkzaamheden relevante criteria zijn aan de hand waarvan (mede) zou moeten worden beoordeeld of sprake is van een vloerenbedrijf als bedoeld in dat besluit. Evenmin blijkt uit het Instellingsbesluit dat daarvoor van belang is of de vloer als productiemiddel kan worden beschouwd, zoals appellante heeft betoogd.

5.6. Gelet op de in het dossier ten dienste staande gegevens met betrekking tot het aanbrengen van eb- en vloedvloeren in tuinbouwkassen door de onderneming van appellante, acht het College niet aannemelijk dat deze vloeren van constructieve bouwkundige aard zijn en deze vloeren om die reden zijn uitgezonderd van de werkingssfeer van het Instellingsbesluit. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder zich op onjuiste gronden op het standpunt heeft gesteld dat deze vloeren op staal gefundeerde vloeren zijn, die geen deel uitmaken van de draagconstructie van de kassen waarin deze vloeren zich bevinden.

Met de door haar overgelegde gegevens met betrekking tot de door haar onderneming in opdracht van Hogerwerf & van Laviere B.V. te Moerkapelle gelegde vloer, waarvan in het verweerschrift als afbeelding 2 een foto is opgenomen, is appellante er evenmin in geslaagd aannemelijk te maken dat deze vloeren van constructieve bouwkundige aard zijn. Appellante heeft niet met voldoende kracht van argumenten de juistheid van verweerders stelling weerlegd dat uit de door haar overgelegde technische specificaties van deze vloer blijkt dat deze vloer, zonder vloerbekisting, op de natuurlijke ondergrond is aangebracht en derhalve op staal is gefundeerd en dat aan de buitenzijde dilataties/ krimpvoegen zijn aangebracht en deze vloer niet met de constructieve delen van het bouwwerk is verbonden. De door appellante overgelegde brief van de constructeur J. Brand van 31 januari 2007 bevestigt dat sprake is van een op staal gefundeerde vloer en stelt overigens, in het licht van de betekenis die moet worden gehecht aan het begrip “van constructieve bouwkundige aard” (zie 5.5) en de uit de technische specificaties blijkende aanwezigheid van dilatatievoegen, niet buiten redelijke twijfel dat wel sprake is van een vloer die deel uitmaakt van de draagconstructie van het gebouw in de door verweerder bedoelde en door het College gevolgde zin.

Met betrekking tot de door appellante gelegde betonpaden waarvan foto’s als afbeeldingen 4, 5 en 6 in het verweerschrift zijn opgenomen, wordt overwogen dat appellante, tegenover hetgeen verweerder daaromtrent aan de hand van deze foto’s heeft gesteld, te weten dat deze paden op staal gefundeerde monolietvloeren zijn die geen deel uitmaken van de draagconstructie van de kas, niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze vloeren van constructieve bouwkundige aard zijn in de betekenis die daaraan blijkens het hiervoor overwogene moet worden toegekend.

Het College komt derhalve tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat appellante in het geheel geen werkzaamheden verricht die haar onder de werkingssfeer van het Instellingsbesluit brengen. Hiermee is overigens niet gezegd dat appellante in het geheel geen vloeren van constructieve bouwkundige aard, die buiten de werkingssfeer van het Instellingsbesluit vallen, aanbrengt. De vaststelling van het aandeel dat de aanleg van dergelijke vloeren heeft in de omzet van de onderneming van appellante, is van belang voor de door verweerder aan appellante op te leggen heffing, maar kan niet aan de orde komen bij de beoordeling van het thans bestreden besluit waarin het draait om de beantwoording van de hiervoor in 5.1 genoemde vraag.

5.7 Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel treft geen doel. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat in het Westland één ander bedrijf actief is dat soortgelijke vloeren aanbrengt als appellante en dat de registratie van dit bedrijf afhankelijk is gesteld van de uitkomst van de onderhavige beroepsprocedure. De door verweerder gegeven verklaring voor het verschil in behandeling met het bedrijf van appellante acht het College voldoende objectief en niet onredelijk, zodat het door verweerder gemaakte onderscheid gerechtvaardigd is.

5.8. Het College komt tot de slotsom dat verweerder terecht heeft geweigerd de registratie van appellante te beëindigen en dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5.9 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, mr. F. Stuurop en mr. S.C. Stuldreher, in tegenwoordigheid van mr. E. van Kerkhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2008.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. E. van Kerkhoven