Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BD2413

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
26-05-2008
Zaaknummer
AWB 07/478
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 07/478 29 april 2008

5134 Regeling GLB-inkomenssteun

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: ing. F. Keurhorst werkzaam bij DLV Rundvee Advies B.V. te Deventer,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: drs. M. Star, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 2 juli 2007, bij het College binnengekomen op 3 juli 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 mei 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 mei 2006 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun (hierna: de Regeling) inzake appellants aanvragen om runderpremies over het jaar 2005.

Bij brief van 6 augustus 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 19 maart 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunten bij monde van hun gemachtigden hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt:

" Alleen dieren die geïdentificeerd en geregistreerd zijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1760/2000 komen in aanmerking voor rechtstreekse betalingen overeenkomstig dit hoofdstuk. "

Artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad luidt, voorzover hier van belang:

"1. Elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders:

- houdt een register bij,

- stelt, zodra het gecomputeriseerde gegevensbestand volledig operationeel is, de bevoegde autoriteit binnen een door de lidstaat vastgestelde termijn, die zich uitstrekt over drie tot zeven dagen, in kennis van alle verplaatsingen van en naar het bedrijf en van elke geboorte of sterfte van een dier op het bedrijf, samen met de data waarop een en ander heeft plaatsgevonden.

(…)

4. Het register wordt handmatig of door middel van een computer bijgehouden in een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde vorm en moet te allen tijde en gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen periode van ten minste drie jaar ter beschikking worden gehouden van de bevoegde autoriteit, die op haar verzoek inzage krijgt. "

Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt, voorzover hier van belang:

"Artikel 2 - Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

23. "geconstateerd dier": een dier waarvoor aan alle in de voorschriften voor de toekenning van de steun gestelde voorwaarden is voldaan;

(…)

Artikel 35 - Onderdelen van de controles ter plaatse

1. De controles ter plaatse hebben betrekking op alle dieren waarvoor op grond van de te controleren steunregelingen steunaanvragen zijn ingediend en, wat de steunregelingen voor rundvee betreft, ook op runderen waarvoor geen steun is aangevraagd.

2. De controles ter plaatse omvatten met name:

a) (…)

b) wat de steunregelingen voor rundvee betreft:

- (….)

- steekproefcontroles om na te gaan of de informatie in het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen overeenstemt met die in het register, ten aanzien van de dieren waarvoor steunaanvragen zijn ingediend in de 12 maanden vóór de controle ter plaatse,

(…)

Artikel 57 - Berekeningsgrondslag

1. Wanneer een individueel maximum geldt, wordt het in de steunaanvragen aangegeven aantal dieren verlaagd tot het voor de betrokken landbouwer vastgestelde maximum.

2. In geen geval kan steun worden toegekend voor een groter aantal dieren dan het in de steunaanvraag aangegeven aantal.

3. Onverminderd de artikelen 59 en 60 wordt, indien het in een steunaanvraag aangegeven aantal dieren groter is dan het bij administratieve controles of controles ter plaatse geconstateerde aantal, de steun berekend op basis van het geconstateerde aantal dieren. (…)

Artikel 59 - Kortingen en uitsluitingen ten aanzien van runderen waarvoor steun is aangevraagd

1. (…)

2. (…)

Is het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage hoger dan 20%, dan wordt voor de betrokken premieperiode de steun waarop de landbouwer overeenkomstig artikel 57, lid 3, in het kader van die regelingen aanspraak zou kunnen maken, geweigerd.

Is het overeenkomstig lid 3 van het onderhavige artikel bepaalde percentage hoger dan 50%, dan wordt de landbouwer bovendien nogmaals van steun uitgesloten voor het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen het aangegeven aantal dieren en het overeenkomstig artikel 57, lid 3, geconstateerde aantal dieren. (…)

3. Voor de bepaling van de in de leden 1 en 2 bedoelde percentages wordt, uitgaande van de runderen waarvoor gedurende de betrokken premieperiode in het kader van alle steunregelingen voor rundvee samen genomen steun is aangevraagd, het aantal van die runderen waarvoor onregelmatigheden zijn vastgesteld, gedeeld door het totale aantal voor die premieperiode geconstateerde runderen.

(…)

Artikel 73 – Terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen

1. In geval van een onverschuldigde betaling betaalt de landbouwer het betrokken bedrag, verhoogd met de overeenkomstig lid 3 berekende rente, terug. (…) "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 30 november 2005 heeft verweerder van appellant een aanvraag stierenpremie ontvangen voor 25 runderen. Tevens is namens appellant in het premiejaar 2005 slachtpremie aangevraagd voor 50 runderen die in de periode van 18 januari 2005 tot en met 2 december 2005 zijn geslacht.

- Op 13 januari 2006 is op het bedrijf van appellant met UBN * en UBN ** een controle ter plaatse uitgevoerd.

- In de naar aanleiding van de controle opgestelde rapporten van 13 januari 2006, met rapportnummers 3110/07/08, en 3110/07/09 is ten aanzien van beide UBN-nummers opgemerkt dat appellant het bedrijfsregister tijdens de controle niet heeft kunnen tonen. Appellant heeft in de rapporten onder vraag 66 opgemerkt dat zijn gegevens in het bedrijfsregister keurig worden geregistreerd door CR Delta, maar dat hij het op 13 januari 2006 niet kon tonen doordat hij geen fax of computer heeft.

- Bij besluit van 31 mei 2006 heeft verweerder appellants aanvragen afgewezen, de reeds betaalde slachtpremie (€ 2.304,-) teruggevorderd en appellant daarnaast uitgesloten van premie voor een bedrag van € 12.153,21.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 5 juli 2006 bezwaar gemaakt.

- Op 15 december 2006 heeft appellant desgevraagd zijn bezwaar telefonisch toegelicht en meegedeeld dat hij niet over zijn bezwaar hoeft te worden gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de runderpremies over 2005 gehandhaafd en het uitsluitingsbedrag verlaagd tot € 9.581,16. Hiertoe heeft verweerder, samengevat, het volgende overwogen.

Tijdens de fysieke controle op 13 januari 2006 heeft de controleur van de AID geconstateerd dat appellant geen bedrijfsregister voor runderen aanwezig had op zijn bedrijf. De AID-controleur heeft duidelijk aangegeven dat appellant het bedrijfsregister nog dezelfde dag moest kunnen tonen op het bedrijf. Dit is echter nagelaten. Het is toegestaan dat appellant zijn bedrijfsregister laat verzorgen door CR Delta, maar in dat geval is het de eigen verantwoordelijkheid van appellant dat hij dit bedrijfsregister ter plekke bij de controle kan laten zien.

Dat appellant het register een dag later alsnog in bezit had, doet niets af aan de constatering die op de dag van de controle is gedaan ten aanzien van het register. Voor de beoordeling of ten tijde van de controle een bedrijfsregister is aangetroffen, is het moment van het controlebezoek bepalend. Een doelmatige opsporing van de dieren en diergegevens moet ten tijde van de controle mogelijk zijn.

Dat appellant stelt dat het bij een eerdere controle door een andere AID-inspecteur geen probleem was dat hij het register een dag later liet zien, en dat bij een andere controle de controleur de gegevens zelf met een laptop bij CR Delta heeft opgevraagd, kan niet leiden tot een andere beoordeling. De communautaire voorschriften dwingen immers tot de huidige beoordeling. Hierbij moet worden uitgegaan van de resultaten van de controle zoals die op 13 januari 2006 op het bedrijf van appellant heeft plaatsgevonden.

Het ontbreken van het bedrijfsregister levert een ernstige inbreuk op de voorschriften inzake identificatie en registratie op, omdat daardoor het in de Verordening (EG) nr. 3508/1992 bedoelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem niet kan functioneren en een doeltreffend beheer van de communautaire steunregelingen onmogelijk wordt. De aanvragen waarop de fysieke controle betrekking heeft, dienden te worden afgewezen op grond van artikel 23, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004. Dit heeft voorts als gevolg dat op grond van artikel 59 van Verordening (EG) nr. 796/2004 een sanctie moet worden toegepast op de premie die is aangevraagd voor runderen in het gehele premiejaar 2005.

Ten aanzien van de opgelegde sanctie wordt het volgende overwogen. Gelet op het ontbreken van het bedrijfsregister ten tijde van de controle, konden de 75 runderen waarvoor premie is aangevraagd in de periode van 12 maanden voor de controle, op dat moment niet eenvoudig en doelmatig worden gecontroleerd. Hieruit volgt dat in het premiejaar 2005 alle 50 slachtrunderen en 25 aanwezige stieren onregelmatig waren. In 2005 is dus voor 75 runderen niet aan de voorwaarden voldaan, waardoor deze runderen als niet geconstateerd moeten worden beschouwd.

Het kortingspercentage wordt bepaald naar aanleiding van het afwijkingspercentage. Het afwijkingspercentage wordt berekend door het percentage niet-geconstateerde dieren ten opzichte van het aantal geconstateerde dieren te bepalen. In het geval van appellant zijn er geen geconstateerde dieren. Op grond van artikel 59 van Verordening (EG) nr. 796/2004 bedraagt het afwijkingspercentage 100%.

Dit percentage is hoger dan 20%, waardoor gelet op artikel 59 van Verordening (EG) nr. 796/2004 premies voor de betrokken premieperiode geweigerd dienden te worden. Het bedrag van € 2304,- over het premiejaar 2005 is terecht teruggevorderd op grond van artikel 73 van Verordening (EG) nr. 796/2004.

Het percentage is tevens hoger dan 50% en het aantal aangevraagde dieren met afwijkingen groter dan 3, waardoor terecht tot uitsluiting van premie is besloten. Bij de berekening van het uitsluitingsbedrag is echter abusievelijk het rund met ID-nummer *** als geconstateerd beschouwd, terwijl dit rund niet was opgenomen in het bedrijfsregister, daarmee niet voldeed aan de voorwaarden van de Regeling en derhalve als niet geconstateerd diende te worden beschouwd. Daarnaast zijn bij de berekening onjuiste bedragen gehanteerd. Het uitsluitingsbedrag wordt derhalve gewijzigd van € 12.153,21 naar

€ 9.581,16.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft, samengevat, het volgende aangevoerd.

Zoals reeds aangegeven in zijn brief van 5 juli 2006 is hij het oneens met de afwijzing van de EG-runderpremies 2005 en de uitsluiting voor toekomstige jaren. De sanctie is volledig gebaseerd op het feit dat hij het bedrijfsregister niet kon tonen op de dag van de controle, terwijl dit wel juist en up-to-date aanwezig was bij CR Delta in Deventer. Hij beschikte destijds niet over een fax of computer met internetaansluiting en kon het bedrijfsregister derhalve niet direct opvragen. Hij heeft het een dag later per post ontvangen.

In tegenstelling tot de gang van zaken bij een eerdere controle door een andere AID-controleur accepteerde de onderhavige controleur niet dat hij het register een dag later liet zien. Evenmin heeft de controleur, zoals een andere controleur bij een controle het jaar ervoor, zelf met zijn laptop het bedrijfsregister opgevraagd bij CR Delta.

Indien de controleur hem zou hebben geattendeerd op de consequenties van het niet tonen van het bedrijfsregister op de dag van de controle, dan zou hij naar andere oplossingen hebben gezocht om het bedrijfsregister toch diezelfde dag te kunnen tonen. De controleur heeft echter slechts gezegd: "de gevolgen hiervan zijn voor u".

Inmiddels heeft hij wel een computer met internetaansluiting, waardoor hij voortaan wel op elk gewenst moment een bedrijfsregister kan opvragen.

Voorts staat het opgelegde totale uitsluitingsbedrag van € 9.581,16 in geen verhouding tot de ernst van de overtreding. De opgelegde sanctie is derhalve onevenredig zwaar.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Vaststaat en tussen partijen is niet in geschil dat tijdens de controle ter plaatse op appellants bedrijf op 13 januari 2006 geen bedrijfsregister aan de controleur is getoond.

Daarmee heeft appellant niet voldaan aan het vereiste van artikel 7, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 dat het bedrijfsregister te allen tijde ter beschikking moet worden gehouden van de bevoegde autoriteit, die op haar verzoek inzage krijgt.

5.2 Dat het bedrijfsregister, zoals appellant heeft gesteld, ten tijde van de controle wel bij CR Delta maar niet op het bedrijf aanwezig was, en evenmin kon worden opgevraagd bij CR Delta omdat hij niet beschikte over een fax of internet, dient voor zijn rekening en risico te blijven. Het is de eigen verantwoordelijkheid van appellant dat hij het bedrijfsregister te allen tijde kan tonen.

Appellants stelling dat hij er zeker voor zou hebben gezorgd dat de controleur het bedrijfsregister tijdig te zien zou hebben gekregen, als hij zou hebben geweten wat de consequenties waren van het niet tijdig tonen ervan, slaagt evenmin. Verweerder heeft terecht overwogen dat de landbouwer die premies aanvraagt zich op de hoogte dient te stellen van de toepasselijke regelgeving.

Voorzover bij eerdere controles coulance is betracht jegens appellant - hij heeft gesteld dat een keer geaccepteerd is dat hij het register de volgende dag liet zien en een andere keer de controleur met zijn eigen laptop het bedrijfsregister bij CR Delta heeft opgevraagd - heeft appellant daaraan niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat wederom coulance zou worden betracht ten aanzien van de naleving van de verplichtingen van artikel 7, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000.

5.3 Aangezien appellant niet heeft voldaan aan artikel 7, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000, konden de 50 runderen waarvoor hij slachtpremie heeft aangevraagd in 2005 en de 25 runderen waarvoor hij dat jaar stierenpremie heeft aangevraagd niet als geconstateerde dieren in de zin van artikel 2, onder 23, van Verordening (EG) nr. 796/2004 worden aangemerkt. Hierdoor was verweerder ingevolge artikel 59, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 verplicht om appellants aanvraag af te wijzen en hem bovendien van steun uit te sluiten.

5.4 Appellants standpunt dat de financiële gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zwaar zijn, kan hem evenmin baten. De door verweerder toegepaste sancties vloeien rechtstreeks voort uit artikel 59 van Verordening (EG) nr. 796/2004. Dit artikel voorziet in een naar de ernst van de geconstateerde onregelmatigheid gedifferentieerd sanctiestelsel. Dit stelsel is, gelet op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake vergelijkbare bepalingen in Verordening (EEG) nr. 3887/92 (arrest van 17 juli 1997, zaak C-354/95, National Farmers Union, Jur. I-04559), niet strijdig met het evenredigheidsbeginsel.

5.5 Het beroep dient, gelet op het voorgaande, ongegrond te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. C.M. Leliveld