Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BD2199

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
AWB 06/570
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/570 29 april 2008

20311 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant van een tuchtuitspraak van het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector (hierna: tuchtgerecht), kenmerk TPPE 41/2006.

1. De procedure

Bij brief van 20 juni 2006 heeft het tuchtgerecht appellant afschrift toegezonden van zijn uitspraak van diezelfde datum.

Bij brief van 16 juli 2006, ingekomen ter griffie van het College op 18 juli 2006, heeft appellant beroep ingesteld tegen deze tuchtuitspraak.

Bij brief van 28 juli 2006 heeft de secretaris van het tuchtgerecht de stukken als bedoeld in artikel 33 Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 22 augustus 2007 heeft appellant zijn beroepschrift nader toegelicht en nadere stukken overgelegd.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 28 augustus 2007. Appellant is met voorafgaande schriftelijke kennisgeving niet verschenen.

Van de zijde van het Productschap Pluimvee en Eieren (hierna: Productschap) zijn voor het verstrekken van inlichtingen verschenen mr. R.B.R. Henke en H.B.A. Hulsbergen.

2. De grondslag van het geschil

In de Wet op de bedrijfsorganisatie is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 71

De bedrijfslichamen hebben tot taak een het algemeen belang dienende bedrijfsuitoefening door de ondernemingen, waarvoor zij zijn ingesteld, te bevorderen, alsmede het gemeenschappelijk belang van die ondernemingen en van de daarbij betrokken personen te behartigen.

(…)

Artikel 93

1. Het bestuur van een bedrijfslichaam maakt de verordeningen die het ter vervulling van de in artikel 71 omschreven taak nodig oordeelt ten aanzien van de onderwerpen, die krachtens het tweede lid door dat lichaam geregeld of nader geregeld kunnen worden.

(…)

Artikel 104

1. Tenzij het instellingsbesluit anders bepaalt, kunnen bij verordening overtredingen van die verordening worden aangewezen als

a. feiten waarvoor een tuchtrechtelijke maatregel kan worden opgelegd (…)”

In de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 2

1. De tuchtrechtelijke maatregelen in de zin van artikel 104 van de Wet op de bedrijfsorganisatie, die op overtreding van verordeningen van een bedrijfslichaam kunnen worden gesteld, zijn:

(…)

b. geldboete;

(…)

Artikel 4

1. Het bedrag van de geldboete is ten minste € 2,- en ten hoogste € 4500,-.

(…)

3. De geldboete kan geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk worden opgelegd.”

In artikel 4 van het Instellingsbesluit Productschap Pluimvee en Eieren is bepaald dat het Productschap mede is ingesteld voor ondernemingen waarin de edelpelsdierenhouderij wordt uitgeoefend.

In de door het bestuur van het Productschap vastgestelde Verordening welzijnsnormen nertsen (PPE) 2003 (PBO blad 2004, nr. 24; hierna: Verordening), die in werking is getreden op 30 april 2004, is onder meer het volgende bepaald:

"Leefruimte en nestbox

Artikel 4

1. De leefruimte bestaat uit één of meerdere compartimenten, waaraan in ieder geval een nestbox is gekoppeld.

2. De leefruimte dient tenminste te bestaan uit een compartiment met afmetingen van tenminste 85 cm lengte, 30 cm breedte en 45 cm hoogte. Als hoogte wordt daarbij de afstand tussen de onder- en bovenkant van het compartiment bedoeld, waarbij eventueel aangebrachte plateaus geen rol spelen.

3. De nestbox is bedoeld als slaapplaats voor de nertsen. De nestbox dient tenminste afmetingen te hebben van 20 cm lengte, 20 cm breedte en 15 cm hoogte. In de nestbox is te allen tijde voldoende strooisel aanwezig. Het strooisel dient droog te zijn en kan bestaan uit stro, houtkrullen, zaagsel of ander materiaal met vergelijkbare eigenschappen.

4. Elk fokdier dient de beschikking te hebben over een nestbox. Vanaf 1 augustus dient per viertal nertsen of een gedeelte daarvan een nestbox vloeroppervlakte van 400 cm2 beschikbaar te zijn. Voor elk dier dat extra in de leefruimte wordt gehouden dient 100 cm2 extra nestbox vloeroppervlakte beschikbaar te zijn.

5. Indien een leefruimte bestaat uit meerdere compartimenten, is het toegestaan dat de compartimenten horizontaal en/of verticaal met elkaar zijn geschakeld.

6. Elk compartiment dient tenminste een vloeroppervlakte te hebben van 1700 cm2 en tenminste een hoogte te hebben van 40 cm.

7. Indien een leefruimte bestaat uit meerdere compartimenten wordt het vloeroppervlak van de leefruimte bepaald door de som van de vloeroppervlakten van de onderscheidenlijke compartimenten, ongeacht of de compartimenten horizontaal of verticaal zijn geschakeld.

Bezetting per leefruimte

Artikel 5

In een leefruimte worden maximaal twee fokdieren zonder pups of twee opgroeiende nertsen gehouden, tenzij voldaan is aan het bepaalde sub a, b, c of d;

a. indien in een leefruimte meer dan twee fokdieren of meer dan twee opgroeiende nertsen worden gehouden, is per extra nerts tenminste 850 cm2 extra vloeroppervlak beschikbaar;

b. indien in een leefruimte één fokdier met maximaal drie pups worden gehouden, dient tot 1 augustus van enig jaar ten minste een vloeroppervlakte van 2550 cm2 beschikbaar te zijn;

c. indien in een leefruimte één fokdier met meer dan drie pups worden gehouden, dient tot 1 juli van enig jaar tenminste een vloeroppervlakte van 2550 cm2 beschikbaar te zijn en tussen 1 juli en 1 augustus jaar moeten ten minste 2 compartimenten beschikbaar te zijn;

d. indien in een leefruimte één fokdier met één of meer pups worden gehouden, dient vanaf 1 augustus van enig jaar tenminste een vloeroppervlak te van 2550 cm2 voor twee dieren en 850 cm2 extra voor elke extra nerts beschikbaar te zijn.

Verrijking van de leefomgeving

Artikel 6

1. In iedere leefruimte is tenminste één verrijkingsobject aanwezig. Vanaf 1 augustus tot 1 maart daaropvolgend is per drietal nertsen of een gedeelte daarvan tenminste één verrijkingsobject aanwezig.

(…)

Handhaving

Artikel 12

1. Op overtredingen van het bepaalde bij of krachtens deze verordening worden tuchtrechtelijke maatregelen gesteld.

2. De tuchtrechtelijke maatregelen zijn:

(…)

b. een geldboete van ten hoogste € 4.500,-- welke geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk kan worden opgelegd.

(…)

Overgangsrecht

Artikel 14

1. In de periode vanaf de inwerkingtreding van deze verordening tot 1 januari 2009 zijn de artikelen 4 en 5 niet van toepassing voor pelsdieren die op een bedrijf worden gehouden mits:

a. tenminste 25 % van de nertsen op dat bedrijf wel conform de in de artikelen 4 en 5 gestelde eisen worden gehouden en

b. de overige dieren op dat bedrijf vanaf 1 augustus van enig jaar tot 1 maart van het daarop volgende jaar de beschikking hebben over een vloeroppervlakte van tenminste 600 cm2 per dier.

(…)”

3. Het berechtingsrapport

Het berechtingsrapport, opgemaakt door P.J.J. van Daal, controleur bij Controle Bureau Dierlijke sector BV te Utrecht, heeft, voor zover hier van belang, de volgende inhoud:

“Op 28 oktober 2005 omstreeks 17.00 uur bevond ik (…) mij, vergezeld door mijn collega P.C.J.M. van de Heuvel, op een perceel gelegen aan de C, D/E, gemeente D. Aldaar is gevestigd het bedrijf van A, zijnde een bedrijf van een pelsdierenhouder zoals bedoeld in artikel 1, onder 4. van de Verordening welzijnsnormen nertsen (PPE) 2003.

(…)

Uit de mij verstrekte informatie en na het nalopen van de kooien constateerde ik uit de vastgestelde aantallen nertsen in relatie tot de beschikbare leefruimtes dat op het bedrijf van A geen van de aanwezige 7.000 nertsen, conform de in artikel 14, lid 1., onder a., van de Verordening gestelde eisen gehouden werden. Rekening houdend met de eis dat 25% van de gehouden nertsen conform de eisen van de artikelen 4 en 5 gehouden moeten worden zijn er 1.750 te weinig volgens de norm van artikel 14, eerste lid, onder a., van de Verordening gehuisvest.

Omdat niet aan artikel 14, lid 1., is voldaan gelden de artikelen 4 en 5 onverkort.

Op het bedrijf waren 7.000 nertsen aanwezig, die - mede gelet op de hierboven vermelde feitenconstatering - niet conform het gestelde in artikel 5, onder a., van de Verordening gehouden werden.

Voorts bleek ten minste 50% van de 7.000 nertsen niet over voldoende verrijkingsobjecten te beschikken, zoals voorgeschreven in artikel 6, eerste lid van de Verordening.”

In de in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 bedoelde schriftelijke verklaring, gedateerd 9 mei 2006, heeft de voorzitter van het Productschap voor deze feiten oplegging van een tuchtrechtelijke maatregel gevraagd.

4. De bestreden tuchtuitspraak

Bij de bestreden tuchtuitspraak heeft het tuchtgerecht onder meer het volgende overwogen:

“Ter terechtzitting heeft de heer A onder meer verklaard, zakelijk weergegeven;

“Ik betwist de in het berechtingsrapport vermelde feiten niet. De verrijkingsobjecten heb ik onmiddellijk na de controle geplaatst. Ik werk al sinds 1949 met nertsen, Vanaf de jaren ’50 heb ik mijn bedijf zo georganiseerd dat er geen staartzuigers of nekbijters zijn. Ik weet heel goed hoe ik met de dieren om moet gaan. Dat ze geen onrustig gedrag vertonen, is toch een teken dat ik ze goed verzorg. Ik heb altijd heel hard gewerkt en nu wordt er ineens heel veel regelgeving over mij uitgestort. Daar moet ik me dan strikt aan houden, anders bega ik zomaar allemaal overtredingen.

Ik heb ernstig last van diabetes, met alle lichamelijke gevolgen van dien. Omdat ik er ook nog alleen voor sta, moet ik erg hard werken. Twee jaar geleden heb ik een inbraak gehad door een Servisch-Kroatische bende, die al mijn bont gestolen had. Ik was niet verzekerd en heb zeer veel schade geleden. De laatste twee jaar is de financiële situatie ook erg ongunstig wegens botulisme onder de nertsen.

Het berechtingsrapport spreekt van 7.000 nertsen die niet conform de regels gehouden werden. Het waren er 6.700. Ik ben nu hard bezig om aan alle regels te voldoen. Over een maand zijn alle aanpassingen voltooid.

Ik hoop dat het Tuchtgerecht een beetje menselijkheid betracht bij de beoordeling van de zaak.”

Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van de inhoud van het berechtingsrapport en de daarin opgenomen verklaring van de heer A, ter zitting vast is komen te staan dat op het bedrijf van betrokkene de volgende strafbare feiten hebben plaatsgevonden:

1. 6.700 nertsen werden niet volgens de voorschriften met betrekking tot de minimale leefruimte per nerts gehouden.

2. Ten minste 50% van de gehouden nertsen beschikten niet over voldoende verrijkingsobjecten in de kooi.

Dit levert op:

Ad 1. Overtredingen van artikel 5 van de Verordening welzijnsnormen nertsen 2003.

Ad 2. Overtredingen van artikel 6, lid 1 van de Verordening welzijnsnormen nertsen 2003.

(…)

Door zich aan de voorschriften terzake van de minimale kooiomvang te onttrekken, is een gevaar geschapen voor de beeldvorming van de sector. De acceptatie van de pelsdierenhouderij bestaat voor een belangrijk deel bij gratie van een strikte naleving van de welzijnsnormen. Door niet aan deze normen te voldoen, is een risico voor de hele sector ontstaan.

(…)

Met betrekking tot de overtreding van artikel 6, lid 1 van de Verordening oordeelt het Tuchtgerecht dat het feitencomplex dat heeft geleid tot overtreding van artikel 5 van de Verordening noodzakelijkerwijs een overtreding van artikel 6, lid 1 van de Verordening met zich brengt. Terzake van de overtreding van artikel 6, lid 1 van de Verordening wordt geen straf opgelegd.

Gezien de omstandigheden waaronder de overtredingen zijn begaan heeft het Tuchtgerecht besloten een gedeelte van de geldboetes voorwaardelijk op te leggen.”

Ter zake heeft het tuchtgerecht de volgende tuchtrechtelijke maatregel opgelegd:

6.700 keer een boete van € 2,50, waarvan 6.700 keer € 1,50 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

5. Het standpunt van appellant

Appellant heeft in zijn beroepschrift, zakelijk weergegeven, het volgende tegen de bestreden tuchtuitspraak aangevoerd.

Na het controlebezoek op 28 oktober 2005 heeft appellant niets meer gehoord, tot de uitnodiging voor de zitting van het tuchtgerecht op 6 juni 2006. Appellant verkeerde in de veronderstelling dat als hij een aantal hokken zou aanpassen zodat 25 % van het aantal dieren in overeenstemming met de Verordening zou zijn gehuisvest, hij verder met rust zou worden gelaten. Desondanks werd hij veroordeeld tot een aanzienlijke geldboete. Appellant verzoekt de opgelegde onvoorwaardelijke boete als voorwaardelijke boete op te leggen.

In de brief van 22 augustus 2007 voert appellant ter ondersteuning van het beroep, zakelijk weergegeven, aan, dat het feit dat bij de in oktober 2005 gehouden controle enkele zaken niet op orde waren te wijten is aan enorme tegenslagen in de daaraan voorafgaande maanden. Appellant noemt in dat kader het verlies van 75% van de dieren door botulisme, ziekte van hem zelf en het ontbreken van hulp.

6. De reactie van het Productschap

Ter zitting is van de zijde van het Productschap medegedeeld dat de opgelegde tuchtrechtelijke maatregel een reactie is op het feit dat appellant de voorschriften in de Verordening niet serieus heeft genomen. Inmiddels voldoet appellant aan die voorschriften.

7. De beoordeling van het geschil

7.1 Het College stelt voorop dat het tuchtgerecht, voor zover hier aan de orde, slechts bevoegd is tot het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel als aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van overtreding van de Verordening.

7.2 Bij de bestreden tuchtuitspraak heeft het tuchtgerecht appellant een boete opgelegd wegens overtredingen van artikel 5 van de Verordening. Deze gebodsbepaling houdt in dat, tenzij is voldaan aan het bepaalde onder a, b, c of d, van dat artikel, per leefruimte maximaal twee fokdieren of opgroeiende nertsen mogen worden gehouden.

Op grond van de stukken, waaronder het berechtingsrapport, de daarin opgenomen verklaring van appellant en het proces-verbaal van de zitting bij het tuchtgerecht stelt het College vast dat appellant niet betwist dat hij ten tijde van de controle op zijn bedrijf op 28 oktober 2005 artikel 5 van de Verordening overtrad. Appellant betwist evenmin de conclusie in het berechtingsrapport dat niet werd voldaan aan de voorwaarden voor de toepasselijkheid van het overgangsregime van artikel 14 van de Verordening.

Dit betekent dat ook voor het College in deze procedure aannemelijk is dat artikel 5 van de Verordening onverkort van toepassing is op het bedrijf van appellant.

7.3 Ten aanzien van de grief van appellant inzake de opgelegde tuchtrechtelijke maatregelen overweegt het College het volgende.

In de bestreden tuchtuitspraak heeft het tuchtgerecht geoordeeld dat - voor zover hier van belang - is komen vast te staan dat op het bedrijf van appellant 6.700 nertsen niet conform de in artikel 5, onder a van de Verordening gestelde eisen met betrekking tot de minimale leefruimte per nerts werden gehouden. Volgens het tuchtgerecht is sprake van 6.700 overtredingen van artikel 5 van de Verordening.

Het College overweegt dat artikel 5 van de Verordening eisen stelt aan de bezetting per leefruimte zodat, indien een leefruimte niet aan deze eisen voldoet, voor die leefruimte sprake is van een overtreding van de Verordening waarvoor een tuchtrechtelijke maatregel kan worden opgelegd. Voor het bepalen van het aantal overtredingen van de Verordening dient derhalve te worden vastgesteld welke leefruimtes niet aan de eisen van artikel 5 van de Verordening voldoen, en niet, zoals het tuchtgerecht heeft gedaan, het aantal dieren dat feitelijk in de betreffende leefruimtes wordt gehouden. De grief van appellant slaagt.

Het beroep van appellant is gegrond en de bestreden tuchtuitspraak zal derhalve worden vernietigd. Het College ziet aanleiding om de zaak zelf af te doen en overweegt daartoe als volgt.

7.4 Hoewel, zoals reeds overwogen, is komen vast te staan dat leefruimtes op het bedrijf van appellant niet aan de eisen van artikel 5 van de Verordening voldeden, blijkt uit de stukken niet het aantal leefruimtes dat niet aan deze eisen voldeed. Aangezien echter eveneens is komen vast te staan dat niet werd voldaan aan de voorwaarden voor de toepasselijkheid van het overgangsregime van artikel 14 van de Verordening, staat naar het oordeel van het College vast dat in ieder geval één leefruimte niet voldeed aan de eisen van artikel 5 van de Verordening.

Het College overweegt dat met de Verordening is beoogd criteria te stellen voor de huisvesting en de verzorging van nertsen teneinde het welzijn van de dieren te waarborgen. Nu is komen vast te staan dat niet aan de in dit kader aan de leefruimte van de nertsen gestelde eisen is voldaan en derhalve het welzijn van de nertsen niet is gewaarborgd, acht het College het opleggen van een boete in dit geval aangewezen.

De door appellant aangevoerde persoonlijke omstandigheden kunnen naar het oordeel van het College niet afdoen aan de ernst van de overtreding. Het College ziet dan ook geen grond voor het geheel dan wel gedeeltelijk voorwaardelijk opleggen van de boete.

Rekening houdende met de hiervoor genoemde ter zake dienende feiten en omstandigheden legt het College appellant een boete op van € 4.500,--. Het College acht het opleggen van deze tuchtrechtelijke maatregel passend en geboden.

Deze uitspraak berust op de voorschriften, vermeld in de bestreden tuchtuitspraak, alsmede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

8. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtuitspraak;

- legt appellant een geldboete op van € 4.500,00 (zegge: vierduizend vijfhonderd euro).

Aldus gewezen door mr. A.J.C. de Moor- van Vugt, mr. M.A. van der Ham en mr. J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.

w.g. A.J.C. de Moor- van Vugt w.g. M.A. Voskamp