Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BD2186

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
21-05-2008
Zaaknummer
AWB 06/538
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JDW 2008/24 met annotatie van Red.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/538 29 april 2008

20311 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren

Uitspraak in de zaak van:

A B.V, te B, gemeente C, appellante van een tuchtuitspraak van het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, Kamer Primaire Sector (hierna: tuchtgerecht), kenmerk TPPE 37/2006,

gemachtigde: mr. L.P. Berg, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden.

1. De procedure

Bij brief van 20 juni 2006 heeft het tuchtgerecht appellante afschrift toegezonden van zijn uitspraak van diezelfde datum.

Bij brief van 5 juli 2006, ingekomen ter griffie van het College op diezelfde datum, heeft appellante beroep ingesteld tegen deze tuchtuitspraak.

Bij brief van 28 juli 2006 heeft de secretaris van het tuchtgerecht de stukken als bedoeld in artikel 33 Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 3 september 2007 heeft de secretaris van het tuchtgerecht nadere stukken overgelegd.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 11 september 2007. Appellante is daar verschenen bij gemachtigde. Voorts is voor appellante verschenen D, directeur van appellante. Van de zijde van het Productschap Pluimvee en Eieren (hierna: Productschap) zijn voor het verstrekken van inlichtingen verschenen mr. R.B.R. Henke en H.B.A. Hulsbergen.

2. De grondslag van het geschil

In de Wet op de bedrijfsorganisatie is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 71

De bedrijfslichamen hebben tot taak een het algemeen belang dienende bedrijfsuitoefening door de ondernemingen, waarvoor zij zijn ingesteld, te bevorderen, alsmede het gemeenschappelijk belang van die ondernemingen en van de daarbij betrokken personen te behartigen.

(…)

Artikel 93

1. Het bestuur van een bedrijfslichaam maakt de verordeningen die het ter vervulling van de in artikel 71 omschreven taak nodig oordeelt ten aanzien van de onderwerpen, die krachtens het tweede lid door dat lichaam geregeld of nader geregeld kunnen worden.

(…)

Artikel 104

1. Tenzij het instellingsbesluit anders bepaalt, kunnen bij verordening overtredingen van die verordening worden aangewezen als

a. feiten waarvoor een tuchtrechtelijke maatregel kan worden opgelegd (…)”

In de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 2

1. De tuchtrechtelijke maatregelen in de zin van artikel 104 van de Wet op de bedrijfsorganisatie, die op overtreding van verordeningen van een bedrijfslichaam kunnen worden gesteld, zijn:

(…)

b. geldboete;

(…)

Artikel 4

1. Het bedrag van de geldboete is ten minste € 2,- en ten hoogste € 4500,-.

(…)

3. De geldboete kan geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk worden opgelegd.”

In artikel 4 van het Instellingsbesluit Productschap Pluimvee en Eieren is bepaald dat het Productschap mede is ingesteld voor ondernemingen waarin de edelpelsdierenhouderij wordt uitgeoefend.

In de door het bestuur van het Productschap vastgestelde Verordening welzijnsnormen nertsen (PPE) 2003 (PBO blad 2004, nr. 24; hierna: Verordening), die in werking is getreden op 30 april 2004, is onder meer het volgende bepaald:

"Leefruimte en nestbox

Artikel 4

1. De leefruimte bestaat uit één of meerdere compartimenten, waaraan in ieder geval een nestbox is gekoppeld.

2. De leefruimte dient tenminste te bestaan uit een compartiment met afmetingen van tenminste 85 cm lengte, 30 cm breedte en 45 cm hoogte. Als hoogte wordt daarbij de afstand tussen de onder- en bovenkant van het compartiment bedoeld, waarbij eventueel aangebrachte plateaus geen rol spelen.

3. De nestbox is bedoeld als slaapplaats voor de nertsen. De nestbox dient tenminste afmetingen te hebben van 20 cm lengte, 20 cm breedte en 15 cm hoogte. In de nestbox is te allen tijde voldoende strooisel aanwezig. Het strooisel dient droog te zijn en kan bestaan uit stro, houtkrullen, zaagsel of ander materiaal met vergelijkbare eigenschappen.

4. Elk fokdier dient de beschikking te hebben over een nestbox. Vanaf 1 augustus dient per viertal nertsen of een gedeelte daarvan een nestbox vloeroppervlakte van 400 cm2 beschikbaar te zijn. Voor elk dier dat extra in de leefruimte wordt gehouden dient 100 cm2 extra nestbox vloeroppervlakte beschikbaar te zijn.

5. Indien een leefruimte bestaat uit meerdere compartimenten, is het toegestaan dat de compartimenten horizontaal en/of verticaal met elkaar zijn geschakeld.

6. Elk compartiment dient tenminste een vloeroppervlakte te hebben van 1700 cm2 en tenminste een hoogte te hebben van 40 cm.

7. Indien een leefruimte bestaat uit meerdere compartimenten wordt het vloeroppervlak van de leefruimte bepaald door de som van de vloeroppervlakten van de onderscheidenlijke compartimenten, ongeacht of de compartimenten horizontaal of verticaal zijn geschakeld.

Bezetting per leefruimte

Artikel 5

In een leefruimte worden maximaal twee fokdieren zonder pups of twee opgroeiende nertsen gehouden, tenzij voldaan is aan het bepaalde sub a, b, c of d;

a. indien in een leefruimte meer dan twee fokdieren of meer dan twee opgroeiende nertsen worden gehouden, is per extra nerts tenminste 850 cm2 extra vloeroppervlak beschikbaar;

b. indien in een leefruimte één fokdier met maximaal drie pups worden gehouden, dient tot 1 augustus van enig jaar ten minste een vloeroppervlakte van 2550 cm2 beschikbaar te zijn;

c. indien in een leefruimte één fokdier met meer dan drie pups worden gehouden, dient tot 1 juli van enig jaar tenminste een vloeroppervlakte van 2550 cm2 beschikbaar te zijn en tussen 1 juli en 1 augustus jaar moeten tenminste 2 compartimenten beschikbaar te zijn;

d. indien in een leefruimte één fokdier met één of meer pups worden gehouden, dient vanaf 1 augustus van enig jaar tenminste een vloeroppervlak te van 2550 cm2 voor twee dieren en 850 cm2 extra voor elke extra nerts beschikbaar te zijn.

Verrijking van de leefomgeving

Artikel 6

1. In iedere leefruimte is tenminste één verrijkingsobject aanwezig. Vanaf 1 augustus tot 1 maart daaropvolgend is per drietal nertsen of een gedeelte daarvan tenminste één verrijkingsobject aanwezig.

(…)

Handhaving

Artikel 12

1. Op overtredingen van het bepaalde bij of krachtens deze verordening worden tuchtrechtelijke maatregelen gesteld.

2. De tuchtrechtelijke maatregelen zijn:

(…)

b. een geldboete van ten hoogste € 4.500,-- welke geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk kan worden opgelegd.

(…)

Overgangsrecht

Artikel 14

1. In de periode vanaf de inwerkingtreding van deze verordening tot 1 januari 2009 zijn de artikelen 4 en 5 niet van toepassing voor pelsdieren die op een bedrijf worden gehouden mits:

a. tenminste 25 % van de nertsen op dat bedrijf wel conform de in de artikelen 4 en 5 gestelde eisen worden gehouden en

b. de overige dieren op dat bedrijf vanaf 1 augustus van enig jaar tot 1 maart van het daarop volgende jaar de beschikking hebben over een vloeroppervlakte van tenminste 600 cm2 per dier.

(…)”

3. Het berechtingsrapport

Het berechtingsrapport, opgemaakt door P.J.J. van Daal, controleur bij Controle Bureau Dierlijke sector BV te Utrecht, heeft, voor zover hier van belang, de volgende inhoud:

“Op 28 oktober 2005 omstreeks 13.30 uur bevond ik (…) mij, vergezeld door mijn collega P.C.J.M. van de Heuvel, op een perceel gelegen aan de E, F, gemeente G. Aldaar is gevestigd het bedrijf van A B.V., dan wel D, zijnde een bedrijf van een pelsdierenhouder zoals bedoeld in artikel 1, onder 4. van de Verordening welzijnsnormen nertsen (PPE) 2003.

(…)

Uit de mij verstrekte informatie en na het nalopen van de kooien constateerde ik uit de vastgestelde aantallen nertsen in relatie tot de beschikbare leefruimtes dat op het bedrijf van A B.V., dan wel D, slechts 500 nertsen van de aanwezige 25.000 nertsen, conform de in artikel 14, lid 1., onder a.,van de Verordening gestelde eisen gehouden werden, hetgeen betekent dat er (25% van 25.000 minus 500 =) 5.750 nertsen te weinig volgens bovengenoemde norm waren gehuisvest. Tevens constateerde ik dat er zich op het bedrijf, 4.800 kooien bevonden waarin zich steeds in elke kooi één nerts teveel bevond, rekening houdend met een vloeroppervlakte van ten minste 600 cm2 per nerts. Dit betekent dat alle (19.200) nertsen in bovengenoemde kooien niet over de vereiste 600 cm2 vloeroppervlakte per dier beschikken, zoals gesteld in artikel 14, lid 1, onder b., van de Verordening.

Omdat niet aan artikel 14, lid 1., is voldaan gelden de artikelen 4 en 5 onverkort.

Op het bedrijf waren 25.000 nertsen aanwezig, waarvan (25.000 – 500 =) 24.500 nertsen die - mede gelet op de hierboven vermelde feitenconstatering - niet conform het gestelde in artikel 5, onder a., van de Verordening gehouden werden.

Voorts beschikten ten minste 70% van de circa 7.500 rennen niet over voldoende verrijkingsobjecten.

(…)

Betrokkene verklaarde op mijn vragen het volgende, zakelijk weergegeven:

“Na een uitbraak van AD was de financiële situatie behoorlijk verslechterd.

Door vervolgens meer fokteven weer op te zetten en de goede fokresultaten van dit jaar is er ruimtegebrek ontstaan. Ik ben reeds begonnen met het vervangen van de onderkooien naar de afmeting 30x85 en het plaatsen van bovenkooien om zodoende in 2006 te voldoen aan alle welzijnseisen.”

(…)”

In de in artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 bedoelde schriftelijke verklaring, gedateerd 9 mei 2006, heeft de voorzitter van het Productschap voor deze feiten oplegging van een tuchtrechtelijke maatregel gevraagd.

4. De bestreden tuchtuitspraak

Bij de bestreden tuchtuitspraak heeft het tuchtgerecht onder meer het volgende overwogen:

“Ter terechtzitting heeft de heer D onder meer verklaard, zakelijk weergegeven;

“Ik betwist de in het berechtingsrapport vermelde feiten niet. Ik beschikte niet tijdig over de financiële mogelijkheden om alle maatregelen te nemen. In 2005 had ik al € 150.000 geleend van de bank om mijn bedrijf aan te passen en te verbeteren. Door de zeer goede fokresultaten van vorig jaar kreeg ik een capaciteitsprobleem. Ik heb nog een aantal dieren getracht te verkopen, maar iedereen had een goede productie gehad en dus geen ruimte over. Wij moeten leven van de nertsen, dus ik wil er graag veel produceren. Van de winst kan ik weer investeren in welzijnsmaatregelen. We zijn met zijn tweeen en hebben heel veel werk aan het bedrijf. We voldoen inmiddels zeker aan de overgangsregeling van de welzijnsverordening.

De verrijkingsobjecten heb ik wel gehad, maar ik heb er een aantal van weggegooid omdat ze niet werkten en de dieren hun pels ermee beschadigden. Ik ben nu in alle kooien plateaus aan het aanbrengen. Dat werkt goed, ook voor verstrooiing voor de nertsen. Het kost alleen meer tijd om ze te plaatsen.

Met de aanpassingen in de stallen ben ik nu zover dat ik een goed fokresultaat zonder problemen aankan.

Als ik een boete krijg, hoop ik niet dat die dermate hoog is, dat ik niet meer kan investeren in betere voorzieningen voor de nertsen.”

Het Tuchtgerecht oordeelt dat op grond van de inhoud van het berechtingsrapport en de daarin opgenomen verklaring van de heer D, ter zitting vast is komen te staan dat op het bedrijf van betrokkene de volgende strafbare feiten hebben plaatsgevonden:

1. ten minste 24.500 nertsen werden niet conform de in artikel 5, onder a van de Verordening welzijnsnormen nertsen 2003 gestelde eisen met betrekking tot minimale beschikbare leefruimte gehouden. Alle 24.500 nertsen zaten in een kooi waarin steeds één nerts teveel zat.

2. In ten minste 70% van de rennen bevonden zich onvoldoende verrijkingsobjecten.

Dit levert op:

ad 1. 24.500 overtredingen van artikel 5 van de Verordening welzijnsnormen nertsen (PPE) 2003.

ad 2. Een overtreding van artikel 6, lid 1 van de Verordening welzijnsnormen nertsen (PPE) 2003.

(…)

Door zich aan de voorschriften terzake van de minimale leefruimte per nerts te onttrekken, is een gevaar geschapen voor de beeldvorming van de sector. De acceptatie van de pelsdierenhouderij bestaat voor een belangrijk deel bij gratie van een strikte naleving van de welzijnsnormen. Door niet aan deze normen te voldoen, is een risico voor de hele sector ontstaan.

(…) Het feit dat terzake van de welzijnsnormen toch overtredingen van de nertsen zijn begaan, getuigt van onvoldoende voorbereiding op de verbeterde fokresultaten. De daardoor ontstane situatie ontslaat betrokkene op generlei wijze van zijn verplichtingen, voortvloeiend uit de Verordening.

Omdat het overtredingen van welzijnsnormen voor nertsen betreft, is het welzijn van elk individueel dier uitgangspunt bij de beoordeling van de overtreding. Indien het welzijn van een nerts wordt geschaad, wordt een boete opgelegd van € 2,50, indien een kooi één nerts te veel bevat.

Met betrekking tot de overtreding van artikel 6, lid 1 van de Verordening stelt het Tuchtgerecht vast dat het tekort aan verrijkingsobjecten een direct en onvermijdelijk gevolg was van het feit dat per kooi teveel nertsen gehuisvest waren. Terzake wordt derhalve geen straf opgelegd. (…)

Gelet op de omstandigheden waaronder de overtredingen zijn begaan, het feit dat na de AD uitbraak de financiële situatie van het bedrijf is verslechterd en dat betrokkene naar eigen zeggen thans aan de overgangsregeling voldoet, heeft het Tuchtgerecht besloten een gedeelte van de geldboetes voorwaardelijk op te leggen.”

Ter zake heeft het tuchtgerecht de volgende tuchtrechtelijke maatregelen opgelegd:

24.500 keer een boete van € 2,50, waarvan 24.500 keer € 1,25 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

5. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in haar beroepschrift, zakelijk weergegeven, het volgende tegen de bestreden tuchtuitspraak aangevoerd.

Bij het controlebezoek op 28 oktober 2005 hebben de controleurs van het CBD globaal het aantal nertsen geteld. Vooral omdat het tuchtgerecht de hoogte van de boete juist afhankelijk heeft gesteld van het aantal getelde nertsen is dit onvoldoende voor het constateren van een beboetbaar feit.

Het is onredelijk om iedere nerts die niet voldoet aan het bepaalde in artikel 5 van de Verordening aan te merken als aparte overtreding. Volgens appellante is sprake van één overtreding te weten dat het bedrijf op zich niet voldoet aan de eisen om nertsen bedrijfsmatig te houden. Het feit dat per dier iets meer dan het laagst mogelijke boetebedrag ex artikel 4, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 is gehanteerd, doet hier niet aan af. Omdat duizenden nertsen worden gehouden is in dit geval sprake van een erg hoog boetebedrag. De maximumbedragen aan boete uit artikel 4 van deze wet worden omzeild.

Het is daarnaast onjuist om bij het bepalen van de boete uit te gaan van de vraag hoeveel nertsen niet voldoen aan artikel 5 van de Verordening. Bij overtreding van de in artikel 14 van de Verordening opgenomen overgangsregeling dient die overtreding uitgangspunt te zijn voor het bepalen van de boete en niet de overtreding van artikel 5 van de Verordening. Anders wordt het doel van deze overgangsbepaling uit het oog verloren.

De verhouding tussen de aard en de omvang van de geconstateerde overtreding en de opgelegde boete kan niet als redelijk worden beschouwd.

Ter zitting is door appellante desgevraagd medegedeeld dat het in het berechtingsrapport genoemde aantal van 25.000 dieren op haar bedrijf haar juist voorkomt. Appellante is van mening dat indien het aantal dieren bepalend is voor de op te leggen tuchtrechtelijke maatregelen een telling dient plaats te vinden.

Appellante merkt voorts op dat het bedrijf inmiddels voor 100% voldoet aan de normen in de Verordening.

6. De reactie van het Productschap

Ter zitting is van de zijde van het Productschap medegedeeld dat appellante bekend was met de in de Verordening opgenomen welzijnsnormen maar - volgens haar verklaring - vanwege onvoldoende middelen niet aan alle voorschriften uit de Verordening heeft kunnen voldoen. Tijdens de controle is - uitgaande van de door appellante opgegeven aantallen en rekening houdende met een behoorlijke marge - vastgesteld dat met uitzondering van 500 nertsen, voor alle overige op het bedrijf aanwezige nertsen de leefruimtes niet voldeden aan de normen opgenomen in de artikel 4 en 5 van de Verordening noch aan de norm zoals opgenomen in artikel 14, eerste lid, onder b, van de Verordening.

Het Productschap is van mening dat indien meer dan het toegestane aantal dieren in een hok wordt gehouden, ten aanzien van elk dier in dat hok sprake is van overtreding van de welzijnsnormen. Daarbij stelt het Productschap - kort samengevat - dat indien de inrichting van het bedrijf als één overtreding zou moeten worden aangemerkt, de in dat geval op te leggen maximale boete onvoldoende afschrikwekkende werking zou hebben.

7. De beoordeling van het geschil

7.1 Het College stelt voorop dat het tuchtgerecht, voor zover hier aan de orde, slechts bevoegd is tot het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel als aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van overtreding van de Verordening.

7.2 Bij de bestreden tuchtuitspraak heeft het tuchtgerecht appellante een boete opgelegd wegens overtredingen van artikel 5 van de Verordening. Deze gebodsbepaling houdt in dat, tenzij is voldaan aan het bepaalde onder a, b, c of d, van dat artikel, per leefruimte maximaal twee fokdieren of opgroeiende nertsen mogen worden gehouden.

Op grond van de stukken, waaronder het berechtingsrapport, de daarin opgenomen verklaring van D en het proces-verbaal van de zitting bij het tuchtgerecht, en de behandeling ter zitting van het College, stelt het College vast dat appellante niet betwist dat zij ten tijde van de controle op zijn bedrijf op 28 oktober 2005 artikel 5 van de Verordening overtrad. Appellante betwist evenmin de conclusie in het berechtingsrapport dat niet werd voldaan aan de voorwaarden voor de toepasselijkheid van het overgangsregime van artikel 14 van de Verordening.

Dit betekent dat ook voor het College in deze procedure aannemelijk is dat artikel 5 van de Verordening onverkort van toepassing is op het bedrijf van appellante.

7.3 Ten aanzien van de grief van appellante inzake de opgelegde tuchtrechtelijke maatregelen overweegt het College het volgende.

In de bestreden tuchtuitspraak heeft het tuchtgerecht geoordeeld dat - voor zover hier van belang - is komen vast te staan dat op het bedrijf van appellante tenminste 24.500 nertsen niet conform de in artikel 5, onder a van de Verordening gestelde eisen met betrekking tot minimale beschikbare leefruimte werden gehouden. Volgens het tuchtgerecht zaten alle 24.500 nertsen in een kooi waarin steeds één nerts teveel zat, en is sprake van 24.500 overtredingen van artikel 5 van de Verordening.

Het College overweegt dat artikel 5 van de Verordening eisen stelt aan de bezetting per leefruimte zodat, indien een leefruimte niet aan deze eisen voldoet, voor die leefruimte sprake is van een overtreding van de Verordening waarvoor een tuchtrechtelijke maatregel kan worden opgelegd. Voor het bepalen van het aantal overtredingen van de Verordening dient derhalve te worden vastgesteld welke leefruimtes niet aan de eisen van artikel 5 van de Verordening voldoen, en niet, zoals het tuchtgerecht heeft gedaan, het aantal dieren dat feitelijk in de betreffende leefruimtes wordt gehouden.

Het beroep van appellante is gegrond en de bestreden tuchtuitspraak zal derhalve worden vernietigd. Het College ziet aanleiding om de zaak zelf af te doen en overweegt daartoe als volgt.

7.4 Hoewel, zoals reeds overwogen, is komen vast te staan dat leefruimtes op het bedrijf van appellante niet aan de eisen van artikel 5 van de Verordening voldeden, blijkt uit de stukken niet het aantal leefruimtes dat niet aan deze eisen voldeed. Aangezien echter eveneens is komen vast te staan dat niet werd voldaan aan de voorwaarden voor de toepasselijkheid van het overgangsregime van artikel 14 van de Verordening, staat naar het oordeel van het College vast dat in ieder geval één leefruimte niet voldeed aan de eisen van artikel 5 van de Verordening.

Het College overweegt dat met de Verordening is beoogd criteria te stellen voor de huisvesting en de verzorging van nertsen teneinde het welzijn van de dieren te waarborgen. Aangezien is komen vast te staan dat niet aan de in dit kader aan de leefruimte van de nertsen gestelde eisen is voldaan en derhalve het welzijn van de nertsen niet is gewaarborgd, acht het College het opleggen van een boete in dit geval aangewezen.

Rekening houdende met de hiervoor genoemde ter zake dienende feiten en omstandigheden legt het College appellant een boete op van € 4.500,--. Het College acht het opleggen van deze tuchtrechtelijke maatregel passend en geboden.

De door appellante gevorderde vergoeding van proceskosten moet reeds achterwege blijven omdat de daartoe vereiste wettelijke grondslag ontbreekt.

Deze uitspraak berust op de voorschriften, vermeld in de bestreden tuchtuitspraak, alsmede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

8. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtuitspraak;

- legt appellante een geldboete op van € 4.500,00 (zegge: vierduizend vijfhonderd euro).

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, mr. M.A. Fierstra en mr. A.J.C. de Moor- van Vugt, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.

w.g. J.A. Hagen w.g. M.A. Voskamp