Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BD1962

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-04-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
AWB 06/718
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling overig

Zuivelverordening 2000

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/718 25 april 2008

6100 Regeling overig

Zuivelverordening 2000

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te C, appellanten,

tegen

het Productschap Zuivel, verweerder,

gemachtigde: mr. A.C.R. Geelen, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 23 september 2006, bij het College binnengekomen op 26 september 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 augustus 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar tegen het besluit van 18 november 2005.

Bij brief van 14 december 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 20 november 2006 en 5 februari 2007 hebben appellanten nadere stukken ingediend en het beroep nader toegelicht.

Op 20 februari 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellanten zijn verschenen en verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Voor verweerder is voorts verschenen mr. R.W.A. Hessing en ing. A.C.M. Mentink.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Zuivelverordening 2000, Uitbetaling van boerderijmelk naar kwaliteit, samenstelling en gewicht (Vb. Bo., 10 december 2004, nr. 71) bepaalt onder meer het volgende:

“Artikel 4

1. De ontvanger van boerderijmelk zorgt er voor dat van elke leverantie boerderijmelk een representatief monster wordt genomen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze verordening. De ontvanger van boerderijmelk stelt dit monster ter beschikking van een door het bestuur erkend melkcontrolestation.

2. De ontvanger van boerderijmelk zorgt ervoor dat de chauffeur-monsternemer die wordt belast met de bemonstering van boerderijmelk ter zake kundig is.

(…).

Artikel 6

1. De ontvanger van boerderijmelk neemt ten aanzien van het nemen, transporteren en bewaren van monsters boerderijmelk de nader door het bestuur vastgestelde bepalingen in acht.

2. De ontvanger van boerderijmelk beschikt over een kwaliteitssysteem waarmee hij aantoonbaar het gestelde in lid 1 realiseert, beheerst en borgt. Dit kwaliteitssysteem is vastgelegd in een door de ontvanger van boerderijmelk opgesteld handboek.

(…).

Artikel 8

1. Het kwaliteitsonderzoek bestaat uit de volgende onderdelen:

a. het onderzoek naar de aanwezigheid van melkvreemde bacteriegroeiremmende stoffen (frequentie: elke leverantie);

(…).

6. De onderzoeken als bedoeld in lid 1 worden uitgevoerd met methoden die voldoen aan het bepaalde in de Zuivelverordening 2003, Eisen methoden kwaliteitsonderzoek.

(…).

8. De uitslag van het kwaliteitsonderzoek wordt door of namens het bestuur van het productschap vastgesteld en aan de melkveehouder schriftelijk bekendgemaakt. (…).”

De Zuivelverordening 2000, Handmatig nemen, transporteren en bewaren van monsters boerderijmelk (Vb. Bo., 31 december 1999, nr. 75), bepaalt, voor zover van belang, het volgende:

“Artikel 2

De ontvanger van boerderijmelk neemt ten aanzien van het handmatig nemen, transporteren en bewaren van monsters boerderijmelk de navolgende bepalingen in acht.

Artikel 3

1. Het nemen van monsters tankmelk geschiedt onmiddellijk voorafgaande aan het moment van aflevering van de tankmelk aan de rijdende melkontvangst.

(…).

Artikel 7

1. Elke door een melkveehouder aan een ontvanger van boerderijmelk te leveren hoeveelheid tankmelk wordt bemonsterd, en wel op een zodanige wijze, dat het daardoor verkregen monster kan worden bestemd voor het verrichten van het kwaliteitsonderzoek. (…) De monsterneming heeft plaats uit de tank waarin de melk wordt bewaard.

(…).

3. De monsters hebben de gemiddelde samenstelling van de leverantie waarvan ze zijn genomen

(…).”

In dit geval is voorts toepassing gegeven aan de Zuivelverordening 2003, Eisen methoden van onderzoek (Vb. Bo., 13 mei 2003, nr. 32). Deze verordening bevat onder meer voorschriften inzake het aantonen van melkvreemde bacterieremmende stoffen.

2.2. Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op het bedrijf van appellanten is op 16 november 2005 een monster genomen van een melkleverantie van appellanten aan Campina. Dit melkmonster is onderworpen aan een kwaliteitsonderzoek door het Melkcontrolestation te Zutphen (hierna: MCS).

- Het MCS heeft namens verweerder op 18 november 2005 een besluit genomen, inhoudende de vaststelling van de uitslag van het kwaliteitsonderzoek. Volgens dat besluit zijn in de melk melkvreemde bacteriegroeiremmende stoffen, te weten penicillinen/cefalosporinen, aangetroffen.

- Naar aanleiding van het door appellanten aangetekende bezwaar tegen dit besluit heeft Campina een onderzoek ingesteld. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in een checklist intern onderzoek bezwaarschrift boerderijmelk. Deze checklist vermeldt onder meer dat de temperatuur van de boerderijmelk 4,2? C bedroeg, dat door de chauffeur van de rijdende melkontvangst (hierna: RMO) geen bijzonderheden zijn geconstateerd tijdens de monsterneming of inname van de melk, en voorts dat het monster volgens voorschrift is genomen en bewaard.

- Verder heeft het Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (hierna: COKZ) een onderzoek ingesteld naar de gang van zaken vanaf de monsterneming tot en met de verwerking van de uitslag van het melkmonster door MCS. Het resultaat van dit onderzoek is neergelegd in een rapport van bevindingen bezwaarbehandeling boerderijmelk van 19 december 2005. Dit rapport houdt onder meer het volgende in:

“(..) door het COKZ een onderzoek ingesteld naar de informatie over het onderhavige monster in het traject vanaf de monsterneming tot en met de verwerking van de uitslag. (…) Bij dit onderzoek zijn geen onregelmatigheden geconstateerd die aanleiding hebben kunnen zijn tot twijfel aan de juistheid van de onderhavige uitslag. De test waarmee zowel penicillinen als cefalosporinen kunnen worden aangetoond, reageerde duidelijk positief. Dit is met een volgende test nog bevestigd. De inspectielijsten gaan hierbij. (…).”

- Voornoemd rapport van het COKZ bevat voorts een op 9 december 2005 namens MCS Nederland opgestelde inspectielijst ten behoeve van de bezwarenbehandeling boerderijmelk. Deze inspectielijst houdt onder meer het volgende in:

“Datum monsterneming: 16-11-2005

Tijdstip monsterneming: 14:34 uur

1. Registratie: 17-11-2005

(…)

- Was het monster voorzien van een beschreven tag? Ja

- Is het monster binnen 96 uur na monsterneming geregistreerd? Ja

2. - Batchnummer: 051117-71-018

- Volgnummer in batch: 8

3. Uitslag onderzoek: P3”

- Nadat appellanten op hun bezwaar zijn gehoord, heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellanten tegen het besluit van MCS van 18 november 2005 ongegrond verklaard. Ter onderbouwing van dit besluit heeft verweerder het volgende overwogen. Het COKZ heeft geconcludeerd dat geen onregelmatigheden zijn geconstateerd die aanleiding hebben kunnen zijn voor twijfel aan de juistheid van de onderhavige uitslag. De test waarmee zowel penicillinen als cefalosporinen kunnen worden aangetoond, reageerde duidelijk positief. Ook overigens is niet gebleken dat zich tijdens de monsterneming en het transport, noch bij het onderzoek door het MCS onregelmatigheden hebben voorgedaan. Melkvreemde bacteriegroeiremmende stoffen kunnen op verschillende manieren in de melk terechtkomen. Bijvoorbeeld bij het te vroeg leveren van de melk van met antibiotica behandelde koeien. Andere mogelijke oorzaken zijn onder andere het drinken van melk door een koe bij een andere met antibiotica behandelde koe en het drinken van een koe uit een voetbad met daarin antibiotica voor het behandelen van klauwproblemen. Ook door het gebruik van homeopathische middelen kunnen melkvreemde bacteriegroeiremmende stoffen in de melk terechtkomen.

In het verweerschrift heeft verweerder hier aan toegevoegd dat wel rekening is gehouden met de in bezwaar overgelegde stukken. Verweerder is echter van mening dat deze stukken niet aantonen dat geen melkvreemde bacteriegroeiremmende stoffen in het betrokken melkmonster kunnen hebben gezeten. De uitslagen van de door appellanten bereide yoghurt en vla vormen geen bewijs dat de bestreden uitslag niet juist is. De melk waarvan deze producten zijn gemaakt is geruime tijd vóór de monsterneming uit de melktank gehaald. Bovendien is onduidelijk of deze melk representatief was voor de inhoud van de tank ten tijde van het aftappen. De overweging over mogelijke oorzaken is niet juist, voor zover het betreft het drinken door een koe uit een voetbad met daarin antibiotica voor het behandelen van klauwproblemen. Die overweging moet zijn: het is mogelijk dat bij koeien die door een voetbad lopen waarin antibiotica zijn opgelost, door het opspatten van dit water bij de volgende melkbeurt residuen in de melk komen.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten stellen zich op het standpunt dat de uitslag niet kan kloppen. Het laatste antibioticagebruik dateerde van 26 oktober 2005. Het betrof Excenel en dit middel heeft geen wachttijd voor melk. Het werd gebruikt voor een koe met tussenklauwontsteking. Dat geen antibioticaresten in de melk zaten, kan worden opgemaakt uit het feit dat appellanten enkele uren voordat de monsterneming plaatsvond melk uit de tank hebben gehaald om yoghurt van te maken. Deze yoghurt en ook de vla die is gemaakt van melk van een dag eerder, zijn nader onderzocht. Resultaat: geen antibiotica. Verweerder heeft met deze bewijzen niets gedaan. Een deel van het rapport van bevindingen van het COKZ - de resultaten van de twaalf voorafgaande maanden - heeft geen betrekking op de monsterneming van 16 november 2005. Niet blijkt dat er niet iets fout is gegaan.

In een reactie op het verweerschrift stellen appellanten dat de vragen die verweerder heeft met betrekking tot het representatief zijn van de inhoud van de door appellanten bewerkte melk, nooit aan appellanten zelf zijn gesteld. Daaruit volgt dat verweerder niets met de bewijsstukken heeft gedaan. Verder wordt benadrukt dat de koeien nooit een voetbad hebben gebruikt en voorts dat het onwaar is dat van homeopathische middelen penicilline in de melk kan komen.

5. De beoordeling van het geschil

Het College overweegt dat de monsterneming, het transporteren, het bewaren en het onderzoek van het monster, alsmede de verwerking van de uitslag van het onderzoek dient plaats te vinden volgens door verweerder vastgestelde regels en procedures, zoals neergelegd in de Zuivelverordening 2000, Uitbetaling van boerderijmelk naar kwaliteit, samenstelling en gewicht, de Zuivelverordening 2000, Handmatig nemen, transporteren en bewaren van monsters boerderijmelk, alsmede de Zuivelverordening 2003, Eisen methoden van onderzoek. Het toezicht op de naleving van deze regels wordt uitgevoerd door het - door verweerder daartoe aangewezen - COKZ. Deze regels en procedures, alsmede het toezicht op de naleving bieden een voldoende waarborg voor de zorgvuldigheid en juistheid van het onderzoek naar de kwaliteit van de melkleverantie. In verband hiermede kan worden uitgegaan van de juistheid van de uitkomst van de kwaliteitsonderzoeken.

Dit is eerst anders indien op grond van concrete aanwijzingen redelijkerwijs moet worden getwijfeld aan de juistheid van de uitkomst van het onderzoek.

Naar aanleiding van het bezwaarschrift is door de zuivelfabrikant, Campina, een intern onderzoek ingesteld naar de monsterneming, transport en opslag van het monstermelk. Zoals ter zitting desgevraagd door verweerder is verklaard, heeft dit onderzoek plaatsgevonden op basis van gegevens die eerder ten tijde van de monsterneming, transport en opslag zijn vastgelegd. Volgens dit interne onderzoek hebben zich geen bijzonderheden voorgedaan. Voorts is door het COKZ een onderzoek ingesteld naar de informatie over het monster in het traject vanaf het nemen van een monster tot en met de verwerking van de uitslag. Ook het COKZ is van onregelmatigheden niet gebleken.

Door appellanten is gesteld dat het bewijs voor de onjuistheid van de uitkomst van het onderzoek is gelegen in het gegeven dat de yoghurt die zij hebben gemaakt van de melk die een paar uur eerder uit dezelfde tank als het monster is gehaald, geen sporen van de eerdervermelde antibiotica bevatte. In verband hiermede hebben appellanten een verklaring overgelegd van een stagiaire die ten tijde van de onderhavige monsterneming werkte op hun bedrijf.

Het College is evenwel van oordeel dat deze stellingen en gegevens geen toereikende concrete aanwijzingen opleveren op grond waarvan redelijkerwijs moet worden getwijfeld aan de juistheid van de uitslag van het onderzoek. Daarbij neemt het College in aanmerking dat onvoldoende aannemelijk is kunnen worden dat de melk waarvan de yoghurt is gemaakt, dezelfde samenstelling had als de melk die bemonsterd en onderzocht is.

Al het voorgaande in ogenschouw genomen, moet worden geoordeeld dat verweerder zich bij zijn besluitvorming mocht baseren op de uitslag van het kwaliteitsonderzoek.

De grief van appellanten met betrekking tot de in het bestreden besluit genoemde mogelijke oorzaken van de aanwezigheid van zowel penicillinen als cefalosporinen faalt, reeds omdat deze overweging een overweging ten overvloede betreft.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. H.A.B. van Dorst Tatomir en mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 april 2008.

mr. H.C. Cusell mr. R. Meijer