Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BD1361

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
13-05-2008
Zaaknummer
AWB 07/782
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Kaderwet EZ-subsidies

Subsidieregeling opwekken duurzame elektriciteit in vergistingsinstallaties

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/782 29 april 2008

27307 Kaderwet EZ-subsidies

Subsidieregeling opwekken duurzame

elektriciteit in vergistingsinstallaties

Uitspraak in de zaak van:

Greenpower Den Andel B.V. i.o., te Klazienaveen, appellante,

gemachtigde: A,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. C. Cromheecke en mr. J. van Essen, werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 9 oktober 2007, bij het College binnengekomen op 17 oktober 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 6 september 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante, gericht tegen verweerders besluit van 7 juni 2007, waarbij appellantes aanvraag om subsidie op grond van de Subsidieregeling opwekken duurzame elektriciteit in vergistingsinstallaties (hierna: de Regeling) is afgewezen, ongegrond verklaard.

Bij brief van 23 november 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Op 20 maart 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij voor appellante zijn verschenen haar gemachtigde, vergezeld van B, en C. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

In de Regeling is, voor zover hier van belang, bepaald:

"Artikel 1

(…)

d. vergistingsinstallatie: een samenstel van voorzieningen waarmee duurzame elektriciteit wordt geproduceerd door het vergisten van dierlijke mest en een of meer producten genoemd in de Meststoffenbeschikking 1977, bijlage I, hoofdstuk III, typeaanduiding ‘co-vergiste mest’ of van landbouwgewassen waarvan het digistaat op grond van een ontheffing krachtens het Meststoffenbesluit 1977 is toegelaten als meststof, waarbij onder een samenstel van voorzieningen wordt verstaan, alle aanwezige middelen die ondeling met elkaar zijn verbonden voor het vergisten van voornoemde producten en het omzetten van het geproduceerde biogas in duurzame elektriciteit;

(…)

Artikel 2

De Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een producent die duurzame elektriciteit opwekt met een vergistingsinstallatie die is aangesloten op het Nederlandse net.

Artikel 3

Geen subsidie als bedoeld in artikel 2 wordt verstrekt indien:

(…)

c. de voor de ingebruikname van de vergistingsinstallatie benodigde vergunningen niet voor 18 augustus 2006 zijn aangevraagd.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief, gedateerd 18 december 2006, heeft BiogaS International Advies B.V. namens appellante een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van de Regeling ten behoeve van het oprichten van een biomassavergistingsinstallatie op het terrein van C aan de D te E.

- Bij brief van 20 december 2006 heeft verweerder verzocht ontbrekende gegevens, onder meer de bouwvergunning, in te zenden.

- Bij brief van 29 januari 2007 is namens appellante een afschrift van de op 10 januari 2007 aangevraagde en op 26 januari 2007 door het college van burgemeester en wethouders van F verleende reguliere bouwvergunning aan verweerder toegezonden.

- Bij brief van 25 mei 2007 heeft verweerder een toelichting gevraagd in verband met de aanvraagdatum van de bouwvergunning (kenmerk *) in relatie tot een bij de subsidieaanvraag gevoegd bericht van ontvangst (kenmerk **) d.d. 1 augustus 2006 van een aanvraag voor bouwvergunning.

- Namens appellante is op 4 juni 2007 een afschrift van een brief van het college van burgemeester en wethouders van F van 31 mei 2007 aan verweerder gezonden, waarin wordt vermeld:

" Gelet op de fatale behandeltermijnen van de Woningwet en het negatieve advies van de welstand, hebben moeten besluiten de onder nummer ** geregistreerde aanvraag bouwvergunning te weigeren. Dit besluit is tevens genomen om ontvankelijke bezwaren tegen te gaan.

In overleg met de aanvrager en BiogaS International en gelet op de inhoud van het welstandsadvies is voor een aanpassing van de biogasinstallatie op dezelfde locatie, een nieuwe aanvraag bouwvergunning ingediend op 10 januari 2007. Dit plan is geregistreerd onder nummer *. Omdat het aangepaste bouwplan wel kon voldoen aan redelijke eisen van welstand en overige toetsingscriteria is op 26 januari 2007 een bouwvergunning verleend."

- Bij besluit van 7 juni 2007 heeft verweerder appellantes aanvraag afgewezen op de grond dat niet is voldaan aan artikel 3, aanhef en onder c van de Regeling, aangezien gebleken is dat de bouwvergunning voor het project is aangevraagd op 10 januari 2007 en derhalve niet voor 18 augustus 2006.

- Bij brief van 15 juni 2007 is namens appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Daarbij is gevoegd een brief van het college van burgemeester en wethouders van F, met kenmerk ** waaruit blijkt dat appellante op 24 juli 2006 een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning voor een bedrijfshal met biogasinstallatie op het perceel D te E heeft ingediend.

- Op 15 augustus 2007 is appellante op haar bezwaren gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn primaire afwijzing van de subsidieaanvraag gehandhaafd en geoordeeld dat gebleken is dat de voor de ingebruikname van de vergistingsinstallatie benodigde bouwvergunning op 10 januari 2007, dus na de in de Regeling gestelde datum van 18 augustus 2006, is aangevraagd. Weliswaar heeft appellante al op 24 juli 2006 een aanvraag voor een bouwvergunning ingediend, maar die aanvraag is op 5 december 2006 afgewezen, waarmee die aanvraagprocedure formeel is beëindigd.

De stelling van appellante dat zij, door voor 18 augustus 2006 een bouwvergunning aan te vragen voldoet aan de eis van de Regeling, heeft verweerder verworpen. Appellantes aanvraag van 24 juli 2006 heeft niet kunnen leiden tot het verkrijgen van een vergunning welke een daadwerkelijke ingebruikname van de (beoogde) vergistingsinstallatie tot gevolg zou hebben, zoals in de Regeling wordt geëist. Met het indienen van de aanvraag op 10 januari 2007 is een nieuwe aanvraagprocedure gestart, en pas op die aanvraag is de vergunning verleend.

4. Het standpunt van appellante

Appellante stelt in beroep dat zij recht heeft op de gevraagde subsidie, omdat de bouwvergunning die vóór 18 augustus 2006 is aangevraagd dezelfde is als de vergunning die op 26 januari 2007 voor haar project is verleend. Ter zitting heeft appellante toegelicht dat na het indienen van de aanvraag op 24 juli 2006 bleek dat de welstandscommissie negatief oordeelde over de uiterlijke vormgeving van het bouwplan en dat ondanks overleg geen positief welstandsoordeel verkregen kon worden. Het college van burgemeester en wethouders van F heeft toen, in verband met fatale beslistermijnen van de Woningwet, besloten de aanvraag af te wijzen. Wel was genoemd college bereid mee te werken aan vergunningverlening voor een aangepast bouwplan, waarbij aan de bezwaren van de welstandscommissie werd tegemoet gekomen. Die bereidheid blijkt volgens appellante wel uit het feit dat de aangepaste aanvraag op 10 januari 2007 werd ingediend en de vergunning na zeer korte tijd, op 26 januari 2007, werd verleend. Appellante heeft benadrukt dat er in feite sprake is geweest van één doorlopende vergunningsprocedure voor haar project.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College staat voor de vraag of verweerder terecht de subsidieaanvraag van appellante heeft afgewezen op de grond dat niet is voldaan aan artikel 3, aanhef en onder c van de Regeling, omdat de op 26 januari 2007 voor het oprichten van haar vergistingsinstallatie verleende bouwvergunning voor het project is aangevraagd op 10 januari 2007 en derhalve niet voor 18 augustus 2006. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

5.2 In de toelichting op de Regeling is ten aanzien van het criterium van artikel 3, onder c, onder meer het volgende vermeld:

"Tot slot dienen de benodigde vergunningen voor de vergistingsinstallatie voor 18 augustus 2006 te zijn aangevraagd. Dit omdat deze regeling een overgangsfaciliteit is voor bedrijven die voor kleinschalige vergistingsinstallaties MEP-subsidie hadden willen aanvragen. De overgangsfaciliteit is opgesteld omdat het niet redelijk wordt geacht dat producenten van kleinschalige vergistingsinstallaties, die in de verwachting dat zij tussen 18 augustus 2006 en 31 december 2006 subsidie zouden kunnen aanvragen reeds bepaalde stappen hebben gezet, in het geheel niet meer voor subsidie in aanmerking komen."

5.3 Vast staat dat appellante voor 18 augustus 2006, namelijk op 24 juli 2006, een aanvraag voor een bouwvergunning voor het oprichten van de beoogde vergistingsinstallatie heeft gedaan. Weliswaar is op deze aanvraag op 5 december 2006 afwijzend beslist en is op 10 januari 2007 een nieuwe bouwaanvraag ingediend, maar niet in geschil is dat beide aanvragen betrekking hebben op dezelfde vergistingsinstallatie, zoals omschreven in artikel 1, aanhef en onder d van de Regeling, op dezelfde locatie. De verschillen tussen beide aanvragen beperken zich tot de uiterlijke vormgeving van het bouwplan, van verschillen die in het kader van - de doelstelling van - de Regeling relevant zijn, is niet gebleken.

5.4 Het College is van oordeel dat verweerder in dit geval een te beperkte en derhalve onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 3, onder c, van de Regeling. Gelet ook op de toelichting op deze bepaling moet worden gezegd dat appellante de voor subsidieverlening bepalende stappen heeft gezet door - naast het aanvragen van een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer op 14 februari 2006, welke vergunning op 18 juli 2006 is verleend - op 24 juli 2006 een bouwaanvraag voor haar vergistingsinstallatie in te dienen. Naar het oordeel van het College behoort appellante, die haar subsidieaanvraag op 18 december 2006 heeft ingediend, aldus tot de doelgroep waarvoor deze overgangsregeling is vastgesteld. De afwijzing van de bouwaanvraag van 24 juli 2006 kwam immers voort uit de omstandigheid dat nog niet was voldaan aan de eisen van welstand op het moment dat de fatale termijn voor verlening van de vergunning zou verlopen. De weigering was niet gebaseerd op een negatief oordeel over deze installatie als zodanig. Nu appellante kort na de afwijzing een nieuwe bouwaanvraag heeft ingediend, uitsluitend om aan de welstandsbezwaren tegemoet te komen, en deze aanvraag zeer snel tot vergunningverlening heeft geleid, kan voor de toepassing van de Regeling van een doorlopende procedure worden gesproken. Verweerder heeft in dit geval derhalve ten onrechte aan de onder deze omstandigheden gegeven weigering van de op 24 juli 2006 aangevraagde bouwvergunning fatale gevolgen voor subsidieverlening verbonden.

5.5 Hieruit volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen.

5.6 Appellante heeft verzocht verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure en opgaven gedaan van

€ 400,-- voor reis- en verblijfkosten en voor verletkosten € 5760,-- (€ 2760,-- wegens het bijwonen van de zitting en € 3000,-- wegens kosten van voorbereiding). Naar het oordeel van het College kunnen de gevraagde verletkosten niet in de veroordeling worden betrokken, reeds omdat geen enkele onderbouwing voor die kosten is gegeven. Ten aanzien van de reiskosten wordt, gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verbinding met artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van het besluit tarieven in strafzaken 2003 het bedrag vastgesteld op

€ 140,-- (500 km. per eigen auto à € 0,28) en ten aanzien van de verblijfskosten op € 45,--, derhalve in totaal € 185,--.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten, tot een bedrag van € 185,-- (zegge:

honderdvijfentachtig euro);

- bepaalt dat het door appellante betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,-- (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) aan

haar wordt vergoed;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die de proceskosten en het griffierecht aan appellante dient te

vergoeden.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. E.R. Eggeraat en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, in tegenwoordigheid van mr. A. Douwes als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008.

w.g. B. Verwayen w.g. A. Douwes