Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BD0629

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
28-04-2008
Zaaknummer
AWB 08/188
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Regeling retributies veterinaire en hygiënische aangelegenheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Voorzieningenrechter

AWB 08/188 15 april 2008

11238 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Regeling retributies veterinaire en hygiënische aangelegenheden

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

Exportslachterij Clazing B.V., te Zevenhuizen, verzoekster,

gemachtigde: mr. ing. B.J.B. Boersma, advocaat te Rotterdam,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerster,

gemachtigde: mr. B.N. Kleijs, werkzaam ten departemente.

1. De procedure

Bij fax van 22 februari 2008 heeft verzoekster bij de Voedsel- en Waren Autoriteit (hierna: VWA) overeenkomstig artikel 55, derde lid, van de Regeling retributies veterinaire en hygiënische aangelegenheden (hierna: Regeling) een melding gedaan met het verzoek om op, onder meer, donderdag 1 mei 2008 te mogen slachten.

Deze fax heeft de afdeling planning van de VWA (Zuidwest) op 7 maart 2008 geretourneerd met daarop de aantekening dat de aanvraag voor 1 mei 2008 niet gehonoreerd kan worden daar het een nationale feestdag is.

Bij brief van 10 maart 2008 heeft verzoekster hiertegen bij de VWA bezwaar gemaakt. Voorts heeft verzoekster zich bij brief van 10 maart 2008, ter griffie van het College op dezelfde dag ontvangen, tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, die strekt tot schorsing van de beslissing tot afwijzing van de gevraagde keuring op 1 mei 2008 en het alsnog uitvoeren van die keuring.

Op aandringen van verzoekster heeft de VWA verzoekster bij brief van 17 maart 2008, met vermelding van de bezwaarmogelijkheid, meegedeeld dat er op 1 mei 2008 geen keuringswerkzaamheden bij verzoekster zullen worden verricht.

Bij brief van 18 maart 2008 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen voornoemde brief en bij de voorzieningenrechter van het College, voor zover nodig, om een voorlopige voorziening verzocht.

Verweerster heeft op 1 april 2008 de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en bij brief van 4 april 2008 een reactie op het verzoekschrift ingediend.

Partijen hebben bij fax van respectievelijk 8 april, 9 april en 10 april 2008 nadere stukken overgelegd.

Op 11 april 2008 heeft de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten bij gemachtigde hebben doen toelichten. Aan de zijde van verzoekster is tevens verschenen, mr. R. F. van den Heuvel, kantoorgenoot van verzoeksters gemachtigde. Voor verweerster zijn tevens verschenen mr. S.P. Koopmans en mr. J. Hendriks, beiden werkzaam op het ministerie van verweerster.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 De Regeling is gebaseerd op artikelen van de Landbouwwet en de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: GWD). Het College is op grond van artikel 46 van de Landbouwwet respectievelijk op grond van artikel 109 GWD bevoegd te oordelen over het beroep tegen een op grond van deze wetten genomen besluit. Op dat beroep is ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie (hierna: de Wbbo) hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing, behoudens hier niet terzake doende uitzonderingen.

Uit het samenstel van deze bepalingen volgt dat de voorzieningenrechter alleen bevoegd is ter zake van een verzoek om voorlopige voorziening, indien het verzoek om voorlopige voorziening ziet op een besluit waartegen beroep kan worden ingesteld, dan wel daaraan voorafgaand bezwaar kan worden gemaakt. De voorzieningenrechter zal een voorlopig oordeel geven, dat niet bindend is voor de uitkomst van een (eventuele) bodemprocedure.

2.2 Beoordeeld dient te worden of de schriftelijke mededelingen van de VWA van respectievelijk 7 en 17 maart 2008, waartegen verzoekster bezwaar heeft gemaakt en die het voorwerp vormen van het verzoek om voorlopige voorziening, moeten worden aangemerkt als besluit in de zin artikel 1:3, eerste lid, Awb, zijnde een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande als volgt.

Het verzoek om voorlopige voorziening ziet op de schriftelijke mededelingen van de VWA van respectievelijk 7 en 17 maart 2008 inhoudende dat op Hemelvaartsdag op 1 mei 2008 geen controlewerkzaamheden door een medewerker van de VWA bij verzoekster zullen worden verricht. De mededeling is een reactie op de melding van verzoekster van haar voornemen tot het verrichten van slachtwerkzaamheden op die dag.

De VWA verricht controlewerkzaamheden op het slachten ter uitvoering van Verordening (EG) Nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (PB L 226 van 25.6.2004, blz. 83) (hierna: VO 854/2004). Ingevolge artikel 5 van VO 854/2004 dient de officiële dierenarts in slachthuizen die vers vlees in de handel brengen verschillende inspecties uit te voeren. In bepaalde, in bijlage I bij deze verordening nader gespecificeerde gevallen moet vlees ongeschikt voor menselijke consumptie worden verklaard.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het verrichten van controlewerkzaamheden niet aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb. Het toezicht van de dierenarts op het slachten is van feitelijke aard. Dat de dierenarts de bevoegdheid heeft in voorkomende gevallen vlees ongeschikt voor menselijke consumptie te verklaren doet niet af aan het feitelijk karakter van het toezicht. De beslissing tot het verrichten van een feitelijke handeling is niet gericht op rechtsgevolg, een beslissing feitelijk handelen na te laten derhalve evenmin.

Dat op een aantal plaatsen in de Regeling en de toelichting daarop wordt gesproken over ‘aanvraag’ in plaats van ‘melding’ betekent niet dat de reactie op een verzoek om controle te verrichten het karakter van een besluit in vorenstaande zin heeft. In artikel 1:3, derde lid, Awb is aanvraag gedefinieerd als een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. Een verzoek om te controleren is een verzoek om tot feitelijk handelen over te gaan en derhalve geen aanvraag in de wettelijke zin.

2.3 De conclusie uit het voorgaande is dat geen besluit voorligt, zodat de voorzieningenrechter onbevoegd is om van het verzoek om voorlopige voorziening kennis te nemen.

Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 Awb zijn geen termen aanwezig.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 april 2008.

wg. E.R. Eggeraat wg. A. Graefe