Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BD0180

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/503
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 07/503 16 april 2008

5134 Regeling GLB-inkomenssteun

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: W. van Roekel, te Kesteren,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. D. Özdemir, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 11 juli 2007, bij het College binnengekomen op 12 juli 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 1 juni 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun (hierna: de Regeling) genomen besluit over appellants stierenpremie en slachtpremie voor het jaar 2005.

Bij brief van 4 september 2007 heeft verweerder een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Bij brief van 7 september 2007 heeft verweerder een nader stuk doen toekomen.

Op 19 maart 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Daarbij is appellant met zijn gemachtigde verschenen en heeft verweerder zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 123 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt, voorzover hier van belang:

" Speciale premie

1. Aan landbouwers die op hun bedrijf mannelijke runderen houden, kan op aanvraag een speciale premie worden verleend. (…)

2. (…)

3. Om voor de speciale premie in aanmerking te komen:

a) moet ieder dier waarvoor een aanvraag is ingediend, gedurende een nader te bepalen periode door de landbouwer worden gemest, (…) "

Artikel 90, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1973/2004 van de Commissie van 29 oktober 2004 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad met betrekking tot de bij de titels IV en IV bis van die verordening ingestelde steunregelingen en het gebruik van braakgelegde grond voor de productie van grondstoffen luidt:

" Aanhoudperiode

De duur van de in artikel 123, lid 3, onder a), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde aanhoudperiode bedraagt twee maanden te rekenen vanaf de dag na die waarop de aanvraag is ingediend. "

Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt, voorzover en ten tijde hier van belang:

" Artikel 2

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

23. "geconstateerd dier": een dier waarvoor aan alle in de voorschriften voor de toekenning van de steun gestelde voorwaarden is voldaan;

(…)

Artikel 57

Berekeningsgrondslag

(…)

3. Onverminderd de artikelen 59 en 60 wordt, indien het in een steunaanvraag aangegeven aantal dieren groter is dan het bij administratieve controles of controles ter plaatse geconstateerde aantal, de steun berekend op basis van het geconstateerde aantal dieren.

(…)

Artikel 59

Kortingen en uitsluitingen ten aanzien van runderen waarvoor steun is aangevraagd

1. Indien ten aanzien van een steunaanvraag in het kader van de steunregelingen voor rundvee een verschil wordt vastgesteld tussen het aangegeven aantal dieren en het overeenkomstig artikel 57, lid 3, geconstateerde aantal, wordt het totale bedrag van de steun waarop de landbouwer voor de betrokken premieperiode in het kader van die regelingen aanspraak kan maken, gekort met het overeenkomstig lid 3 van het onderhavige artikel te bepalen percentage indien voor niet meer dan drie dieren onregelmatigheden worden vastgesteld.

2. Indien voor meer dan drie dieren onregelmatigheden worden vastgesteld, wordt het totale bedrag van de steun waarop de landbouwer voor de betrokken premieperiode in het kader van de in lid 1 bedoelde regelingen aanspraak kan maken, gekort met:

a) het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage indien dit niet hoger is dan 10%,

b) tweemaal het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage indien dit hoger dan 10% maar niet hoger dan 20% is.

Is het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage hoger dan 20%, dan wordt voor de betrokken premieperiode de steun waarop de landbouwer overeenkomstig artikel 57, lid 3, in het kader van die regelingen aanspraak zou kunnen maken, geweigerd. (…)

3. Voor de bepaling van de in de leden 1 en 2 bedoelde percentages wordt, uitgaande van de runderen waarvoor gedurende de betrokken premieperiode in het kader van alle steunregelingen voor rundvee samen genomen steun is aangevraagd, het aantal van die runderen waarvoor onregelmatigheden zijn vastgesteld, gedeeld door het totale aantal voor die premieperiode geconstateerde runderen. (…) "

Artikel 53 van de Regeling luidde, voorzover en ten tijde hier van belang:

" De aanhoudperiode gedurende welke de dieren waarvoor premie is aangevraagd op het bedrijf moeten worden aangehouden, beloopt voor:

- (…)

- stieren of ossen: een aaneengesloten periode van twee maanden te rekenen vanaf de dag na de dag van ontvangst door DR van de premieaanvraag; (…) "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft op 2 november 2005 stierenpremie aangevraagd voor 24 runderen. Tevens heeft hij in 2005 slachtpremie aangevraagd voor 103 runderen.

- In de ontvangstbevestiging van 15 november 2005 van de aanvraag stierenpremie heeft verweerder vermeld dat appellant de dieren moet aanhouden tot en met 2 januari 2006 om het recht op premie te behouden.

- Op 2 januari 2006 zijn 23 stieren van appellants bedrijf afgevoerd.

- Bij besluit van 25 april 2006 heeft verweerder de premieaanvragen afgewezen en is het reeds betaalde voorschot aan slachtpremie ter hoogte van € 4.944,-- teruggevorderd.

- Bij brief van 6 juni 2006 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder, nadat appellant op 6 december 2006 telefonisch over zijn bezwaar is gehoord, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hiertoe is, samengevat, het volgende overwogen.

" Ingevolge artikel 53, van de Regeling GLB-inkomenssteun, diende u de onderhavige 23 stieren op uw bedrijf aan te houden voor een aaneengesloten periode van ten minste twee maanden, gerekend vanaf de dag na ontvangst van uw premieaanvraag. U bent door Dienst Regelingen in het behandelingsbericht van 15 november 2005 nadrukkelijk geïnformeerd dat u de dieren moest aanhouden tot en met 2 januari 2006.

Dienst Regelingen heeft ten aanzien van uw aanvraag stierenpremie een administratieve controle uitgevoerd met behulp van gegevens uit het I&R-systeem. Hieruit is gebleken dat 23 aangevraagde stieren op 2 januari 2006, dus voor 3 januari 2006, van uw bedrijf zijn afgevoerd.

Derhalve kan gesteld worden dat de teammanager juist heeft geoordeeld dat u voor deze stieren niet heeft voldaan aan het gestelde ingevolge artikel 53, van de Regeling GLB-inkomenssteun 2005.

Over uw opmerking dat u het onredelijk vindt dat een onregelmatigheid voor de stierenregeling ook tot een 100% sanctie leidt over de slachtpremie, merk ik het volgende op.

De teammanager geeft enkel toepassing aan de communautaire steunregelingen, en is niet gemachtigd hiervan af te wijken.

De regelgeving is in uw situatie helder, gezien de bepalingen die ten grondslag liggen aan de aan u opgelegde sanctie. Hierop aansluitend verwijs ik u naar artikel 59, tweede lid, van de verordening (EG) nr. 796/2004, omschreven in de bijlage.

Over uw opmerking dat volgens u de straf niet evenredig is met het vergrijp, merk ik het volgende op.

De uitkering van premies op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun is gebaseerd op de communautaire regels van de Europese Unie. Hierin wordt niet toegestaan dat Nederland afwijkt van het sanctiestelsel, zoals dat is vastgelegd in de Verordeningen.

Daarnaast is in de Europese regelgeving rekening gehouden met de proportionaliteit van de sanctiebepaling. Dit betekent dat de hoogte van de sanctie afhankelijk is van de ernst van de onregelmatigheid, en van het aantal dieren waarbij onregelmatigheden zijn vastgesteld.

Uit de overwegingen bij Verordening (EG) nr. 796/2004, blijkt dat is overwogen dat er gekozen moet worden voor een sanctiestelsel, waarin rekening wordt gehouden met een doeltreffende preventie en bestraffing in relatie tot de proportionaliteit.

Op grond van bovenstaande is besloten dat de ernst van de gebleken afwijkingen in uw specifieke geval leidt tot een korting van 100% over alle aangevraagde dieren voor het premiejaar 2005.

Ik heb bij de uitvoering van de regelgeving niet de bevoegdheid een andere beslissing te nemen, dan die is voorgeschreven in de onderhavige Verordeningen. "

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van zijn beroep, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

De feiten en omstandigheden zijn juridisch correct, maar er is ten onrechte volledig voorbij gegaan aan de buitensporig hoge korting voor een bijzonder licht vergrijp. De sanctie is niet proportioneel en onevenredigheid hoog. Redelijkheid en billijkheid zijn totaal ondergeschikt gemaakt aan deze sanctie en zijn dus volledig zoek. Een dag te vroeg slachten mag nooit een korting opleveren van ca. € 12.500,--.

Van fraude is geen enkele sprake, sterker nog, als hij het koppel van 101 slachtdieren dat begin 2006 is geslacht, op 31 december 2005 had laten slachten, was de korting aanmerkelijk lager geweest, waarschijnlijk 10%, maar nooit 100%.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Vaststaat en tussen partijen is niet in geschil dat appellant voor de op 2 januari 2006 van zijn bedrijf afgevoerde 23 stieren niet heeft voldaan aan de aanhoudverplichting als bedoeld in artikel 90 van Verordening (EG) nr. 1973/2004 in verbinding met artikel 53 van de Regeling.

5.2 Dit brengt mee dat deze 23 dieren niet als geconstateerd dier in de zin van artikel 2, onder 23, van Verordening (EG) nr. 796/2004 konden worden aangemerkt.

Aangezien voor het premiejaar 2005 het aantal niet-geconstateerde runderen (23) in verhouding tot het aantal geconstateerde runderen (104) groter was dan 20% - namelijk 22,12% - konden ingevolge artikel 59, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 aan appellant voor 2005 geen runderpremies worden verstrekt.

5.3 Het standpunt van appellant dat de financiële gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zwaar zijn, kan hem niet baten. Verweerder was op grond van artikel 59 van Verordening (EG) nr. 796/2004 verplicht de aanvragen af te wijzen. Dit artikel voorziet in een naar de ernst van de geconstateerde onregelmatigheid gedifferentieerd sanctiestelsel. Dit stelsel is, gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake vergelijkbare bepalingen in Verordening (EEG) nr. 3887/92 (arrest van 17 juli 1997, zaak C-354/95, National Farmers Union, Jur. I-4559), niet strijdig met het evenredigheidsbeginsel.

5.4 Appellants stelling dat de korting lager zou zijn geweest als appellant het koppel van 101 dieren dat begin 2006 is geslacht op 31 december 2005 had laten slachten – dit zou immers tot gevolg hebben gehad dat voor deze 101 dieren de aanvragen om slachtpremie zouden gelden als aanvragen voor 2005 (en niet voor 2006), waardoor het kortingspercentage lager dan 20% zou zijn geweest – kan hem evenmin baten. De feitelijke situatie is immers bepalend voor de beoordeling van de aanvragen.

5.5 De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

5.6 Het College acht ten slotte geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 april 2008.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. C.M. Leliveld