Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC9985

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
21-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/107
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/107 2 april 2008

5134 Regeling GLB-inkomenssteun

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij LTO Noord Advies te Drachten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. L.C. Commandeur, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 21 februari 2007, bij het College op dezelfde dag per fax binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 31 januari 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder, nadat het College bij uitspraak van 3 november 2006, AWB 06/448, een eerder besluit had vernietigd, opnieuw beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van verweerder van 24 februari 2006 op de aanvraag akkerbouwsubsidie van appellant in het kader van de Regeling GLB-inkomenssteun (hierna: de Regeling).

Bij brief van 18 april 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 15 augustus 2007 heeft verweerder op verzoek van het College het verslag overgelegd van een op 9 januari 2007 gehouden hoorzitting.

Op 12 februari 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunt hebben toegelicht bij monde van hun gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 22

1. Een landbouwer dient elk jaar een aanvraag voor de onder het geïntegreerd systeem vallende rechtstreekse betalingen in (…)

Artikel 108

Subsidiabele grond

Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op uiterste datum voor de indiening van de aanvragen om areaalsteun voor 2003 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was. (…)”

Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang als volgt:

“Artikel 15 - Wijzigingen van de verzamelaanvragen

1. Na de uiterste datum voor de indiening van de verzamelaanvraag mogen individuele percelen landbouwgrond die eventueel gepaard gaan met de overeenkomstige toeslagrechten en die nog niet in de verzamelaanvraag zijn aangegeven voor welke van de oppervlaktegebonden steunregelingen ook, aan de verzamelaanvraag worden toegevoegd mits de in de betrokken steunregelingen gestelde eisen in acht worden genomen.

Voor individuele percelen landbouwgrond of toeslagrechten die reeds in de verzamelaanvraag zijn aangegeven, mogen onder dezelfde voorwaarden wijzigingen met betrekking tot het grondgebruik of de steunregeling worden aangebracht.

(…)

Artikel 19

Verbetering van kennelijke fouten

Onverminderd de artikelen 11 tot en met 18, kan een steunaanvraag te allen tijde na de indiening ervan worden gecorrigeerd in geval van een kennelijke fout die door de bevoegde autoriteit wordt erkend.

Artikel 51

Kortingen en uitsluitingen bij een te hoge aangifte

1. Indien voor een gewasgroep de oppervlakte die is aangegeven met het oog op welke oppervlaktegebonden steunregelingen dan ook met uitzondering van die voor zetmeelaardappelen en zaaizaad als bedoeld in artikel 93, respectievelijk artikel 99 van Verordening (EG) nr. 1782/2003, groter is dan de overeenkomstig artikel 50, leden 3 tot en met 5, van de onderhavige verordening geconstateerde oppervlakte, wordt de steun berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil indien dat verschil meer dan 3 % van de geconstateerde oppervlakte of dan twee hectare, maar niet meer dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte bedraagt. (…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Met behulp van het formulier “Gecombineerde opgave 2005” heeft appellant te kennen gegeven dat hij in aanmerking wenst te komen voor akkerbouwsubsidie. In dat kader heeft hij 9.01 ha maïs (waaronder perceel 35 van 1.86 ha) en 4.24 ha zomergerst, (waaronder het perceel 5 van 3.12 ha) voor akkersubsidie opgegeven.

- Bij besluit van 24 februari 2006 heeft verweerder op de aanvraag beslist.

- Een tegen dit besluit gericht bezwaar heeft verweerder bij besluit van 20 april 2006 ongegrond verklaard.

- Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld bij het College.

- Dit onder zaaknummer 06/448 bij het College ingenomen beroep heeft het College

- bij uitspraak van 3 november 2006 gegrond verklaard. Verweerder is daarbij opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant.

- Bij besluit van 31 januari 2007 heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van appellant. Tegen dit besluit richt zich het beroep van appellant.

- Vervolgens heeft verweer[der/ster] heet bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard voorzover het zich richt tegen het besluit van verweerder om perceel 35 als niet geconstateerd aan te merken en het primaire besluit in zoverre herroepen. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Verweerder handhaaft derhalve zijn besluit dat het voor 3.12 ha gerst opgegeven perceel 5 te groot is opgegeven. Van dit perceel heeft verweerder slechts 2.75 ha als geconstateerd aangemerkt.

Door het niet aanvaarden van 0.37 ha van perceel 5 ontstaat een verschil tussen de voor subsidie aangevraagde oppervlakte gerst en de geconstateerde oppervlakte dat 9.56 % bedraagt van de geconstateerde oppervlakte gerst. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 wordt de steun vervolgens berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte minus twee maal het vastgestelde verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte.

Dit resulteert in een toekenning van € 4.386,11 aan akkerbouwsubsidie.

Uit controle van de aanvraag door GeoRas met behulp van satellietbeelden en luchtfoto’s is naar voren gekomen dat perceel 5 een beteelde oppervlakte heeft van 2.75 ha. Bij het bepalen van de beteelde oppervlakte gaat verweerder in beginsel uit van de metingen van GeoRas. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt hiervan afgeweken. Hetgeen appellant heeft aangevoerd geeft verweerder geen aanleiding om van het resultaat van de door GeoRas verrichte controle af te wijken.

Appellant heeft aangevoerd dat hij niet wist hoe hij het perceel diende in te tekenen op de bedrijfskaart, omdat het perceel niet meer topografisch actueel was. Daarom heeft appellant, naar hij stelt, in mei 2005 telefonisch contact opgenomen met het LNV-loket. Hem zou toen geadviseerd zijn het perceel in te tekenen op de actuele perceelsgrenzen

Appellant wenst daarmee een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel. Dit beroep kan niet slagen, nu appellant niet kan aangeven met wie hij gesproken heeft en nader onderzoek naar wat besproken werd onmogelijk is, omdat eveneens onbekend is wanneer dit telefoongesprek precies heeft plaatsgevonden.

Tijdens de hoorzitting heeft appellant aangegeven dat het perceel 5 niet meer topografisch actueel is in die zin dat een stuk van het met bijdragecode 999 (geen bijdrage) opgegeven gerstperceel 6 van 1.21 ha eigenlijk bij perceel 5 hoort.

Om een gedeelte van perceel 6 alsnog bij perceel 5 te voegen dient de aanvraag gewijzigd te worden. Dit is gelet op artikel 15 van Verordening (EG) nr. 796/2005 na 31 mei 2005 echter niet meer mogelijk, terwijl ook de zogenoemde kortingstermijn op 13 juni 2005 is verstreken.

Wijziging is alleen nog mogelijk indien er sprake zou zijn van een kennelijke fout. Dat is niet het geval nu verweerder bij een eerste controle van de aanvraag onmogelijk kon zien dat het voor 3.12 ha opgegeven perceel 5 te groot was opgegeven. Het betreffende perceel is op de bedrijfskaart immers zodanig ingetekend dat het daarmee het topografisch perceel met een oppervlakte van 3.12 ha in zijn geheel omvat.

4. Het standpunt van appellant

Appellant betoogt dat de geconstateerde afwijking van 0.37 ha van perceel 5 voortvloeit uit de grensaanpassingen die hebben plaatsgevonden bij het effectueren van het Plan van toedeling ruilverkaveling Kollumerland. De topografische grenzen van het perceel 5, topografisch nummer 207.77.589.40, zijn daardoor aangepast.

Dit was voor appellant aanleiding zijn situatie aan het LNV-loket voor te leggen. De LNV-medewerker heeft toen meegedeeld dat de contouren van de perceelsgrenzen op de topografische kaart gerespecteerd dienden te worden, nu op het moment van aanvragen dit ook nog de feitelijke, actuele situatie betrof. Veiligheidshalve heeft appellant toen het middelste van de drie naast elkaar liggende gerstpercelen 5, 6 en 7 opgegeven met de bijdragecode 999. Nu met de drie opgegeven gerstpercelen een totale topografische oppervlakte van 5.45 ha met gerst beteeld is geweest, rijst de vraag wat voor verweerder leidend is geweest: de aangevraagde oppervlakte op het overzicht gewaspercelen of de exacte intekening op de topografische kaart.

Nu het om drie naast elkaar liggende percelen met gerst gaat, is niet vast te stellen welk perceel nu eigenlijk onjuist is ingetekend.

Niet begrijpelijk is dat GeoRas alleen gecontroleerd heeft op ieder perceel apart en niet op de samenhangende percelen.

Ter zitting van 12 februari 2008 heeft appellants gemachtigde aan de hand van de bedrijfskaarten de volgende toelichting gegeven.

Ten tijde van het invullen van de aanvraag oppervlakten was de situatie zoals aangegeven op de bedrijfskaart actueel. Op dat ogenblik waren er in het kader van de ruilverkaveling Kollumerland kavelwerkzaamheden gepland die er toe leidden dat de perceelsgrenzen nog voor de inzaai van de gewassen zouden verschuiven.

Het gaat hier, van noord naar zuid kijkend, om vier achter elkaar gelegen percelen, te weten het meest noordelijke perceel 4 met een topografische oppervlakte van 2.08 ha, daaronder perceel 5 met een topografische oppervlakte van 3.12 ha, daaronder perceel 6 met een topgrafische oppervlakte van 1.21 ha en in het zuiden perceel 7 met een topografische oppervlakte van 1.12 ha.

Na de verlegging van een watergang in het kader van de kavelwerkzaamheden werd perceel 4 aan de zuidkant vergroot met 0.37 ha. Perceel 4 werd vervolgens tot op de nieuwe grens ingezaaid met maïs. Aan de zuidkant van het aangrenzende perceel 5, waarop gerst zou worden ingezaaid, werd aan de zuidkant ook een watergang verlegd, waardoor het ongeveer even groot bleef. Appellant heeft daarmee rekening willen houden door het daaronder gelegen perceel 6 met gewascode 999 (geen bijdrage) op te geven. Op perceel 7 werd tenslotte op de volledige opgegeven topografische oppervlakte eveneens gerst geteeld en dat werd weer wel als zodanig opgegeven.

Dit alles leidt tot het resultaat dat op de drie aaneensluitende gerstpercelen royaal werd voldaan aan de voor subsidie opgegeven 4.24 ha gerst (dat is de de oppervlakte van de topografische percelen 5 en 7 gezamenlijk). In totaal werd op de percelen 5, 6 en 7 gezamenlijk 5.45 ha gerst geteeld.

Verweerder heeft, mede gelet op de door het LNV verstrekte voorlichting, ten onrechte alleen gekeken naar de oppervlakte van de voor subsidie opgegeven percelen, terwijl hij had kunnen vaststellen dat op de percelen 5, 6 en 7 gezamenlijk wel degelijk de 4.24 ha aangevraagde gerst heeft gestaan.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College overweegt allereerst dat de bedrijfskaart ertoe dient om ligging van de voor steun opgegeven gewaspercelen exact vast te stellen. Op basis daarvan moet immers fysieke controle en satellietcontrole plaatsvinden, alsmede, afhankelijk daarvan, de vaststelling van het steunbedrag. De term “gewasperceel” is daarbij op te vatten als het perceel waarvoor steun wordt aangevraagd.

Appellant heeft daarentegen perceel 5 met zijn oorspronkelijke, ten tijde van het invullen van de aanvraag geldende, perceelsgrenzen opgegeven, zonder te vermelden dat de werkelijke situatie ten tijde van belang, namelijk in de voor steun relevante teeltperiode, gewijzigd zal zijn.

Gezien doel en strekking van de bedrijfskaart acht het College het niet onjuist dat verweerder een aanvrager aan de door hem opgegeven perceelsgrenzen houdt.

5.2 Appellant heeft zich erop beroepen dat bij hem door telefonisch bij het LNV-loket ingewonnen informatie het vertrouwen is gewekt dat hij de bedrijfskaarten correct zou invullen als hij de op het moment van de aanvraag bestaande topografische perceelsgrenzen zou aanhouden.

Het College stelt vast dat appellant deze stelling niet kan bewijzen. Niet kan worden achterhaald met welke LNV-medewerker en op welke datum appellant telefonisch contact heeft gehad over de wijze waarop hij de bedrijfskaart diende in te tekenen. Evenmin is daarom vast te stellen welke vraag appellant gesteld heeft en wat daarop precies is geantwoord.

5.3 In de door verweerder bij het aanvraagformulier verstrekte brochure “Toelichting op de Gecombineerde opgave 2005” komen op de pagina’s 26 en 27 twee situaties aan de orde, die hier van toepassing zouden kunnen zijn: de situatie waarin de grenzen van de gewaspercelen niet samenvallen met de op de kaart aangegeven grenzen van topografische percelen en de situatie waarin de kaart niet de actuele topografische situatie weergeeft. In beide situaties moet de aanvrager op de bedrijfskaart de ligging van de gewaspercelen exact intekenen. Als de kaart de topografische situatie correct weergeeft geldt dat een gewasperceel niet doorsneden kan worden door topografische perceelsgrenzen. Een topografisch perceel kan dan wel uit meerdere gewaspercelen bestaan. Derhalve had appellant dan binnen de topografische grenzen van de percelen 5 en 6 meerdere gewaspercelen moeten creëren.

Op pagina 27 van de brochure wordt uitgelegd, hoe te handelen als de op de bedrijfskaart weergegeven topografische situatie niet meer actueel is. In dat geval mogen gewaspercelen desnoods over topografische grenzen heen getekend worden.

Strekking van bedoelde passages in verweerders brochure is dat gewaspercelen altijd overeenkomstig de werkelijkheid op de bedrijfskaart moeten worden ingetekend, als zij niet samenvallen met de topografische grenzen, zoals die staan aangegeven op de gebruikte bedrijfskaart. Die passages bieden daarom geen steun aan het betoog van appellant.

Op pagina 27 van de brochure wordt ook gewezen op de mogelijkheid om op pagina 20 van de verzamelaanvraag – ruimte voor op- en aanmerkingen – bijzondere situaties toe te lichten. Appellant heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt, zoals hiervoor is overwogen.

5.4 Het College volgt appellant niet in zijn betoog dat verweerder bij de bepaling van de geconstateerde oppervlakte ook perceel 6, dat niet voor subsidie was opgegeven maar waar wel gerst op stond, had moeten betrekken. Het is immers aan een aanvrager om te beslissen of en zo ja voor welk perceel hij subsidie wil aanvragen. Doet hij dat niet dan kan verweerder rechtens voor dat perceel ook geen subsidie toekennen. Dat zou slechts anders zijn indien zou blijken dat het niet voor subsidie opgeven van een perceel berust op een kennelijke fout.

Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een kennelijke fout hanteert verweerder als uitgangspunt het werkdocument AGR 49533/2002 van de Europese commissie. Het College heeft in vaste jurisprudentie geoordeeld dit aanvaardbaar te achten.

Van een kennelijke fout kan over het algemeen alleen worden gesproken indien verweerder bij een summier onderzoek bij ontvangst van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen. Daarvan is hier geen sprake.

De opgave van de percelen 4, 5, 6 en 7 komt volledig overeen met de topografische oppervlakten, zoals ingetekend op de bedrijfskaart.

Verweerder kon niet vermoeden dat appellant deze percelen met een andere oppervlakte dan ingetekend op de bedrijfskaart voor subsidie in aanmerking had willen brengen.

5.5 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor toekenning van een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. S.C. Stuldreher en mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 april 2008.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas