Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC8671

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-04-2008
Datum publicatie
04-04-2008
Zaaknummer
AWB 08/182
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Winkeltijdenwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

AWB 08/182 3 april 2008

12500

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

A, te X, verzoekster,

gemachtigde: mr. E. Hardenberg, advocaat te Groningen,

tegen

burgemeester en wethouders van Amstelveen, verweerders,

gemachtigde: mr. J. van der Kroft, werkzaam bij de gemeente Amstelveen.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2008 hebben verweerders geoordeeld dat de kapsalon van verzoekster een winkel is in de zin van de Winkeltijdenwet en hebben zij het verzoek afgewezen om, buiten de aangewezen koopzondagen, op zondag geopend te mogen zijn.

Tegen dit besluit heeft verzoekster op 6 maart 2008 bezwaar gemaakt.

Op dezelfde datum heeft verzoekster bij de voorzieningenrechter van het College een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Bij brief van 19 maart 2008 hebben verweerders een reactie op het verzoek gegeven.

Op 31 maart 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Namens verzoekster is eveneens verschenen B, echtgenoot van verzoekster.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College openstaat, de voorzieningenrechter van het College een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

Ingevolge artikel 1 van de Winkeltijdenwet wordt onder winkel verstaan: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, waarin goederen aan particulieren plegen te worden verkocht.

In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel dat leidde tot de Winkeltijdenwet wordt vermeld (TK 1994-1995, 24226, nr.3, p. 26):

" Op grond van artikel 1, tweede lid, van de Winkelsluitingswet 1976 is

het mogelijk die wet mede van toepassing te doen zijn op een bij

algemene maatregel van bestuur aan te wijzen bedrijf dat wordt uitgeoefend

in een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte in rechtstreekse

aanraking met het publiek. Sinds het tot stand komen van de

Winkelsluitingswet 1976 is alleen het kappersbedrijf als zodanig aangewezen

(koninklijk besluit van 11 november 1977, houdende toepassing

van artikel 1, tweede lid, van de Winkelsluitingswet 1976, Stb. 622). Er is

geen behoefte geweest aan de aanwijzing van andere bedrijven. Gelet op

het feit dat met dit wetsvoorstel mede wordt beoogd een doorzichtige

regeling zonder onnodige detailleringen tot stand te brengen, is er van

afgezien een overeenkomstige bepaling in het wetsvoorstel op te nemen.

Overigens zullen kappers, omdat zij vaak ook produkten verkopen,

meestal toch wel onder de regeling vallen."

2.2 Verzoekster exploiteert een Japanse kapsalon op [adres] in X. Zij heeft verweerders op 17 januari 2008 verzocht een voor bezwaar vatbaar bestuurlijk rechtsoordeel te geven onder meer over de vraag of de kapsalon een winkel is in de zin van de Winkeltijdenwet. Ook heeft zij gevraagd of verweerders het op grond van de Winkeltijdenwet toegestaan achten dat de kapsalon op zondagen geopend is, als verzoekster afziet van de verkoop van goederen aan klanten.

Op 7 februari 2008 hebben verweerders verzoekster bericht dat de kapsalon van verzoekster onder de definitie van winkel in de zin van de Winkeltijdenwet valt, ongeacht of er feitelijk goederen worden verkocht en dat zij op grond van de Winkeltijdenwet in samenhang met de Amstelveense Winkeltijdenverordening het verzoek om openstelling op zondag niet kunnen honoreren.

2.3 De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Verweerders hebben het standpunt betrokken dat, ook als op geen enkel moment goederen worden verkocht, toch sprake is van een winkel, omdat de kapsalon door de uitstraling van de zaak, de aanwezigheid van een kassa en de ligging in een winkelcentrum waarin ook andere kapsalons zijn gevestigd, de indruk wekt een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte te zijn, waarin goederen aan particulieren plegen te worden verkocht.

Gelet op de definitiebepaling in artikel 1 van de Winkeltijdenwet is naar voorlopig oordeel niet de indruk die de betrokken ruimte wekt bepalend bij beantwoording van de vraag of sprake is van een winkel. Bepalend is of in deze ruimte goederen plegen te worden verkocht; niet of in het in kapsalons in het algemeen gebruikelijk is goederen te verkopen.

Verzoekster heeft aangegeven geheel af te zullen zien van verkoop van goederen in haar kapsalon en hiertoe de kast met het assortiment thans verkochte producten definitief uit de salon te zullen verwijderen. Gelet op het verhandelde ter zitting is niet ondenkbaar dat verzoekster zich inderdaad zal beperken tot het verlenen van diensten als kapper en elke verkoop van producten achterwege zal laten. In dat geval is geen plaats voor verweerders oordeel dat desalniettemin sprake is van een winkel.

Verweerder heeft aangevoerd dat het moeilijk is om te controleren of verzoekster inderdaad geen goederen verkoopt. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande dat naar voorlopig oordeel de met controle gemoeide lasten niet kunnen rechtvaardigen dat aan een ruimte de status van winkel wordt toegekend, ongeacht of wordt voldaan aan een element uit de wettelijke definitie van dit begrip. Bovendien lijkt naar voorlopig oordeel toezicht op naleving van de wet op dit punt te realiseren op een wijze die voor verweerder niet zeer belastend hoeft te zijn.

Bij het voorgaande acht de voorzieningenrechter van belang dat de onder 2.1 in deze uitspraak geciteerde passage uit de memorie van toelichting erop wijst dat ook de wetgever zich de situatie kan voorstellen dat in een kapsalon geen goederen worden verkocht, met als consequentie dat de kapsalon niet onder het in de Winkeltijdenwet geregelde regime voor winkels valt.

2.4 Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het besluit van 7 februari 2008, naar verwachting, bij een te nemen besluit op bezwaar niet, zonder in strijd met het recht te handelen, door verweerders kan worden gehandhaafd.

De voorzieningenrechter acht voorts in hetgeen verzoekster ter zake heeft aangevoerd voldoende grond gelegen om aan te nemen dat haar belang vordert dat thans een voorlopige voorziening wordt getroffen.

2.5 Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding de na te melden voorzieningen te treffen. Er zijn voorts termen aanwezig om verweerders op de voet van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van verzoekster.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter

- schorst het besluit van 7 februari 2008, kenmerk 08/1006;

- bepaalt dat verweerder ervan uitgaat dat verzoeksters kapsalon geen winkel in de zin van de Winkeltijdenwet is, indien in de kapsalon in het geheel geen goederen worden verkocht;

- bepaalt dat deze voorzieningen komen te vervallen zes weken na de dag van bekendmaking van het besluit op bezwaar;

- veroordeelt verweerders in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 644,-- (zegge zeshonderdvierenveertig

euro), onder aanwijzing van de gemeente Amstelveen als de rechtspersoon die deze kosten aan verzoekster dient te

vergoeden;

- bepaalt dat de gemeente Amstelveen aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 145,--

(zegge honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Hof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 april 2008.

w.g. C.J. Borman w.g. I.C. Hof