Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC8417

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-03-2008
Datum publicatie
02-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/367
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(Vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 07/367 27 maart 2008

27000 Wet vermindering afdracht loonbelasting

en premie volksverzekeringen

Uitspraak in de zaak van:

Koninklijke Coöperatie Cosun U.A., te Breda, appellante,

gemachtigde: drs. M. Boudesteijn, hoofd concern fiscale zaken en subsidies bij appellante,

tegen

Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. I.A.M. van Nieuwkerk, werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 22 mei 2007, bij het College binnengekomen op 23 mei 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 april 2007.

Bij dat besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de weigering de S&O-verklaring te herzien, die verweerder heeft afgegeven op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: Wva).

Bij brief van 11 juli 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 1 februari 2008 heeft appellante een nadere toelichting gegeven op haar standpunt en enkele stukken overgelegd.

Op 14 februari 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante bij gemachtigde is verschenen. Deze werd bijgestaan door A. Duijm, werkzaam bij appellante. Voor verweerder is – ondanks behoorlijke oproeping – niemand verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wva luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang:

“Artikel 22

1. De S&O-inhoudingsplichtige kan voor een aaneengesloten periode van ten minste drie kalendermaanden en ten hoogste zes kalendermaanden vallende binnen één kalenderjaar en in totaal voor niet meer dan drie perioden per kalenderjaar, een S&O-verklaring aanvragen.

(…)

3. Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken worden regels gesteld omtrent de inhoud van de aanvraag van een S&O-verklaring en de wijze waarop deze moet worden ingediend,

(…)

4. De aanvraag moet worden ingediend ten minste een kalendermaand voorafgaande aan de periode waarop de aanvraag betrekking heeft. De beslissing op de aanvraag wordt gegeven binnen drie kalendermaanden na de aanvang van de periode waarop de aanvraag betrekking heeft.

(…)

Artikel 23

1. Onze Minister van Economische Zaken verstrekt aan een S&O-inhoudingsplichtige die voornemens is in een periode van een kalenderjaar speur- en ontwikkelingswerk te verrichten, op zijn aanvraag op de voet van artikel 22 een S&O-verklaring.

2. De S&O-verklaring bevat:

(…)

c. het aantal uren dat werknemers van de S&O-inhoudingsplichtige in die periode aan het speur- en ontwikkelingswerk naar verwachting zullen besteden;

d. het bedrag aan S&O-afdrachtvermindering met een berekening van dat bedrag.

(…)

4. Het gemiddelde uurloon wordt gesteld op het uurloon dat de S&O-inhoudingsplichtige in 2004 gemiddeld heeft betaald aan zijn werknemers die in 2004 speur- en ontwikkelingswerk hebben verricht waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven, waarbij dit gemiddelde loon naar boven wordt afgerond op een veelvoud van € 5. Ingeval de S&O-inhoudingsplichtige in het kalenderjaar 2004 zodanig speur- en ontwikkelingswerk niet heeft verricht, wordt als gemiddelde uurloon genomen hetgeen hij naar verwachting in 2006 aan gemiddeld uurloon betaalt aan werknemers die het speur- en ontwikkelingswerk waarop de aanvraag betrekking heeft, zullen verrichten met dien verstande dat geen hoger bedrag aan gemiddeld uurloon in aanmerking wordt genomen dan € 75. Bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken kunnen regels worden gesteld ter berekening van het gemiddelde uurloon.”

De Uitvoeringsregeling S&O-afdrachtvermindering 2006 luidt voor zover van belang:

“Artikel 3

Het gemiddeld uurloon, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, wordt berekend met inachtneming van het model voor de berekeningswijze dat is neergelegd in de bij deze regeling behorende bijlage 2.

(…)

Bijlage 2

1.

Het gemiddelde uurloon bedoeld in artikel 23, vierde lid, eerste volzin, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, wordt berekend als A gedeeld door B, waarbij de uitkomst vervolgens naar boven wordt afgerond op een veelvoud van € 5.

A = het loon genoten over de uren waarin speur- en ontwikkelingswerk is gerealiseerd waarvan blijkt uit de S&O-administratie over 2004.

B = het aantal uren waarop het loon bedoeld onder A betrekking heeft.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 1 december 2005 heeft verweerder een aanvraagformulier voor een S&O-verklaring van appellante over het jaar 2006 ontvangen.

- Bij brief van 14 december 2005 heeft verweerder appellante verzocht om aan te geven of zij in 2004 S&O-afdrachtvermindering had toegepast en gegevens te verstrekken met betrekking tot het in 2004 gerealiseerde S&O-loon (gemarkeerd als A) en het aantal in 2004 gerealiseerde S&O-uren (gemarkeerd als B). Voorts heeft verweerder verzocht het gemiddelde S&O-uurloon over 2004 te berekenen door A te delen door B en naar boven af te ronden naar een veelvoud van

€ 5.

- Bij op 9 januari 2006 ondertekend formulier heeft appellante als in 2004 gerealiseerd S&O-loon de som opgegeven van

€ 963.737, en als in 2004 gerealiseerde S&O-uren 39851. Als gemiddeld uurloon heeft zij vervolgens € 25 opgegeven.

- Op 28 februari 2006 heeft verweerder een S&O-verklaring afgegeven en daarop als gemiddeld uurloon € 25 vermeld.

- Bij brief van 29 november 2006 heeft appellante verweerder verzocht de S&O-verklaring te herzien in dier voege dat daarop een gemiddeld uurloon van € 30 wordt vermeld.

- Bij besluit van 27 december 2006 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

- Bij brief van 2 februari 2007 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt.

- Op 15 maart 2007 is appellante op haar bezwaren gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en daartoe het volgende aangevoerd. Verweerder heeft appellantes verzoek als een verzoek om herziening aangemerkt. Bij de beoordeling is verweerder nagegaan of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, dan wel of sprake is van een kennelijke misslag waardoor het oorspronkelijke besluit in redelijkheid niet meer in stand kan blijven.

Verweerder is van opvatting dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Op het moment van het afgeven van de S&O-verklaring was aan verweerder niet bekend dat het S&O-uurloon onjuist was. Dat de uurloonberekening is gebaseerd op een onjuist urenaantal had appellante eerder, te weten binnen zes weken na het nemen van het besluit, naar voren kunnen brengen. Op de aanvrager rust een eigen verantwoordelijkheid om tijdig (binnen de bezwaartermijn) na te gaan of de verstrekte gegevens juist waren.

Naar de mening van verweerder is voorts geen sprake van een kennelijke misslag. Het door appellante berekende gemiddelde uurloon van € 25 beschouwt verweerder niet als een overduidelijke fout. Bij het onderzoek naar de juistheid van het gemiddelde uurloon gaat verweerder na in hoeverre het door de aanvrager berekende gemiddelde uurloon in verhouding staat tot de loonsomgegevens die hij heeft gekregen van de belastingdienst. Bij kleine verschillen, zo leert de ervaring, is veelal sprake van een aannemelijke verklaring, zoals de inzet van goedkoper personeel of een afrondingsverschil. Slechts indien sprake is van een excessief verschil gaat verweerder over tot nader onderzoek. Daarbij hanteert verweerder in de praktijk een grens van € 10. Uit het onderzoek naar de aanvraag van appellante kwam naar voren dat de opgegeven loonsom overeenkwam met de loonsom zoals die bekend was bij de belastingdienst. Verweerder heeft in de overige in de aanvraag opgegeven informatie geen aanleiding gezien nader onderzoek te doen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep aangevoerd dat de beslissing op bezwaar een wezenlijk andere onderbouwing heeft dan het primaire besluit. Daarin werd immers gewezen op een zogenoemde margeregeling, die niet van toepassing zou zijn op appellantes geval. Appellante acht de discrepantie tussen de grondslag van het primaire besluit en die van het bestreden besluit in strijd met behoorlijk procesrecht.

Voorts werd tijdens de hoorzitting duidelijk dat waarschijnlijk sprake zou zijn van een kennelijke vergissing, aangezien verweerder alle informatie ter beschikking had om een controle uit te oefenen op het vermelde uurloon en de vergissing had kunnen opmerken. Verweerders stellingname dat geen sprake is van een kennelijke misslag staat haaks op de door vertegenwoordigers van verweerder gedane uitlatingen tijdens de hoorzitting. Appellante mist onderbouwing van deze radicale wijziging van standpunt.

Appellante kan zich niet verenigen met het bestreden besluit waar is vermeld dat appellante binnen de bezwaartermijn om aanpassing van de S&O-verklaring had kunnen vragen. Appellante heeft niet tijdig bezwaar kunnen maken, omdat zij iets over het hoofd heeft gezien. De fout werd pas geconstateerd bij de voorbereiding van een controle door SenterNovem.

Verweerder beschikt over alle gegevens om eenvoudig het gemiddelde uurloon over 2004 te kunnen berekenen. Appellante wijst op door haar in de procedure bij het College overgelegde stukken betreffende eerdere S&O-verklaringen, waaruit een gemiddeld uurloon van rond € 27,40 blijkt en betreffende de aangifte loonbelasting 2004, ingediend op 20 april 2005, waaruit het definitief opgegeven uurloon blijkt en de definitieve afdrachtvermindering. Voorts mag blijken uit het feit dat appellante meer gerealiseerde uren heeft opgegeven dan verweerder heeft goedgekeurd, dat het een kennelijke fout betreft.

Voorts wijst appellante op het besluit van de staatssecretaris van Financiën inzake het ambtshalve verlenen van verminderingen of teruggaven (Besluit van 3 juni 1996, nr. AFZ 96/1125), waarin de staatssecretaris heeft beslist dat in die gevallen waarin wegens te laat indienen van een bezwaarschrift niet-ontvankelijkheid moet volgen, de inspecteur ambtshalve de vermindering of teruggaaf verleent waarvoor de betrokkene redelijkerwijze in aanmerking komt.

Voorts is appellante van mening dat aan doel en strekking van de Wva te kort zou worden gedaan indien aan appellante geen correctie zou worden toegestaan.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Tegen het besluit tot afgifte van een S&O-verklaring overeenkomstig de aanvraag zijn geen rechtsmiddelen aangewend binnen de daarvoor in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalde termijn. Eerst na het verstrijken van deze termijn heeft appellante verzocht om terug te komen van dat besluit. Ter beoordeling van het College staat de vraag of de weigering om aan dit verzoek tegemoet te komen, in rechte stand kan houden.

Dienaangaande overweegt het College als volgt.

5.2 Het College stelt voorop dat de aanvraag voor een S&O-verklaring ingevolge artikel 22, vierde lid, Wva moet worden ingediend ten minste een kalendermaand voorafgaande aan de periode waarop de aanvraag betrekking heeft. Gelet op deze beperking heeft verweerder het verzoek van appellante terecht niet opgevat als een nieuwe aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb. Voorts overweegt het College het volgende.

Zoals het College in zijn uitspraak van 28 januari 2004 (AWB 02/1894, <www.rechtspraak.nl>, LJN: AO3850) heeft overwogen heeft de wetgever aan de mogelijkheid om een besluit in rechte aan te tasten beperkingen en voorwaarden gesteld. De belanghebbende die meent dat een bestuursorgaan ten onrechte een bepaald besluit heeft genomen, is voor het in rechte opkomen tegen dat besluit aangewezen op het aanwenden van een rechtsmiddel binnen de daarvoor door de wet gestelde termijn en met inachtneming van de overige processuele vereisten. Voor het bestaan van een recht om daarbuiten aanpassing te verlangen van een onrechtmatig geacht besluit, zonder daarbij gebonden te zijn aan evenbedoelde beperkingen, valt geen grondslag aan te wijzen, behoudens bijzondere omstandigheden.

Voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de weigering van een bestuursorgaan om terug te komen van zijn in rechte onaantastbaar geworden besluit, kan naar het oordeel van het College niet beslissend zijn of dat besluit is genomen op grond van onjuiste, bij de aanvraag verstrekte gegevens. De omstandigheden dat onjuiste gegevens louter bij vergissing van appellante zijn verstrekt, dat die vergissing voor verweerder mogelijk herkenbaar was, en dat verweerder met kennis van de juiste gegevens een voor appellante gunstiger besluit zou hebben genomen, kunnen dan ook niet in hun algemeenheid worden aanvaard als grondslag voor het bestaan van een aanspraak rechtens op aanpassing van bedoeld besluit.

5.3 Bij de beoordeling of sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van het hiervoor uiteengezette uitgangspunt neemt het College het volgende in aanmerking. Verweerder heeft het door appellante opgegeven gemiddelde uurloon gelegd naast de gegevens van de belastingdienst over 2004 en geconstateerd dat deze gegevens overeenkwamen. Voorts was de opgave van het aantal gerealiseerde uren niet zodanig, dat verweerder aanstonds had moeten begrijpen dat appellante zich had vergist. Zoals verweerder heeft opgemerkt zijn bepaalde verschillen tussen de aanvraag en de bij verweerder bekende gegevens verklaarbaar door later bij de aanvrager veranderde omstandigheden. Ook overigens valt niet in te zien dat verweerder had moeten opmerken dat aan de kant van appellante sprake was van een vergissing. Dat appellante in andere jaren een gemiddeld uurloon van rond € 27,30 realiseerde, maakt niet dat voor 2004 zonder meer hetzelfde zou moeten gelden. Evenmin is doorslaggevend appellante in de aangifte loonbelasting 2004 een hoger gemiddeld uurloon heeft opgegeven, aangezien verweerder mocht afgaan op de gegevens zoals die door de belastingdienst aan hem werden verstrekt.

5.4 Evenmin kunnen de omstandigheid dat de onderbouwing van het bestreden besluit afwijkt van het primaire besluit of de omstandigheid dat bij de hoorzitting in bezwaar is onderzocht of sprake zou kunnen zijn van een kennelijke vergissing leiden tot een aanspraak op herziening. De bezwaarschriftprocedure heeft immers tot doel het primaire besluit te heroverwegen, hetgeen aanleiding kan zijn tot het nader bezien van de omstandigheden van het geval en tot een andere of nadere onderbouwing van de (afwijzende) beslissing.

5.5 Dat – zoals appellante heeft gesteld – door de staatssecretaris van Financiën bij de vermindering of teruggave van loonbelasting het beleid wordt gevoerd dat bij een niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar wegens termijnoverschrijding ambtshalve wordt overgegaan tot vermindering of teruggave maakt het vorenstaande niet anders, aangezien dit beleid wordt gevoerd binnen een ander wettelijk kader en verweerder binnen de context van de Wva niet is gebonden aan dit beleid.

5.6 Uit het vorenstaande volgt dat verweerder niet was gehouden om terug te komen van diens in rechte onaantastbaar geworden besluit tot afgifte van de onderhavige S&O-verklaring.

5.7 Het College acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten in de zin van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2008.

w.g. A.J.C. de Moor-van Vugt w.g. M.A. Voskamp