Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC8398

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-03-2008
Datum publicatie
02-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/743
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Ontbinding rechtspersonen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2008, 40
JRV 2008, 479

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 07/743 27 maart 2008

24100 Ontbinding rechtspersonen

Uitspraak in de zaak van:

I.P.D.S. Holding B.V., in liquidatie, appellante,

gemachtigde: C.A.H. Beirnaert, werkzaam bij Buro Bilan te Tilburg,

tegen

de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Brabant, te Tilburg, verweerster,

gemachtigden: A.M.S. Ligtenberg en A.A.F. Bierings, beiden werkzaam bij verweerster.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 6 oktober 2007, bij het College binnengekomen op 8 oktober 2007 beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 30 augustus 2007.

Bij dit besluit heeft verweerster beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen het besluit van verweerster van 1 juni 2007, strekkende tot ontbinding van appellante op grond van artikel 2:19a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

Bij brief van 7 december 2007 heeft verweerster een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2008. Aldaar waren de gemachtigden van appellante en verweerster aanwezig.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De artikelen 2:19 en 2:19a van het BW luiden, voorzover hier van belang, als volgt:

“Artikel 2:19

1. Een rechtspersoon wordt ontbonden:

(…);

e. door een beschikking van de Kamer van Koophandel en Fabrieken als bedoeld in artikel 19a ;

(…).

3. Aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven wordt van de ontbinding opgaaf gedaan: (…), in het geval als bedoeld in lid 1, onder e door de Kamer van Koophandel en Fabrieken (…).

4. Indien de rechtspersoon op het moment van zijn ontbinding geen baten meer heeft, houdt hij alsdan op te bestaan. In dat geval doet het bestuur of, bij toepassing van artikel 19a, de Kamer van Koophandel en Fabrieken, daarvan opgaaf aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven.

(…).

Artikel 2:19a

1. Een in het handelsregister ingeschreven naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij wordt door een beschikking van de Kamer van Koophandel en Fabrieken, waar die rechtspersoon is ingeschreven, ontbonden, indien de Kamer is gebleken dat ten minste twee van de hiernavolgende omstandigheden zich voordoen:

a. de rechtspersoon heeft het voor zijn inschrijving in het handelsregister of voor de inschrijving van een aan hem toebehorende onderneming verschuldigde bedrag niet voldaan gedurende ten minste een jaar na de datum waarvoor hij dat bedrag had moeten voldoen;

b. er staan gedurende ten minste een jaar geen bestuurders van de rechtspersoon in het register ingeschreven, terwijl ook geen opgaaf tot inschrijving is gedaan, dan wel er doet zich, indien er wel bestuurders staan ingeschreven, met betrekking tot alle ingeschreven bestuurders een van de navolgende omstandigheden voor:

1o. (…),

2o. de bestuurder is tenminste een jaar niet bereikbaar gebleken op het in het register vermelde adres, en evenmin op het in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven adres, dan wel in die administratie staat ten minste een jaar geen adres van de bestuurder vermeld;

c. de rechtspersoon is ten minste een jaar in gebreke met de nakoming van de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening of de balans en de toelichting overeenkomstig de artikelen 394, 396 of 397;

d. de rechtspersoon heeft ten minste een jaar geen gevolg gegeven aan een aanmaning als bedoeld in artikel 9, lid 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen tot het doen van aangifte voor de vennootschapsbelasting.

2. (…).

3. Indien de Kamer op grond van haar bekende gegevens gebleken is dat een rechtspersoon als bedoeld in de leden 1 en 2 voor ontbinding in aanmerking komt, deelt zij de rechtspersoon en de ingeschreven bestuurders bij aangetekende brief aan hun laatst bekende adres mee, dat zij voornemens is tot ontbinding van de rechtspersoon over te gaan, met vermelding van de omstandigheden waarop het voornemen is gegrond. De Kamer schrijft deze mededeling in het register. (…).

4. Na verloop van acht weken na de dagtekening van de aangetekende brief ontbindt de Kamer de rechtspersoon bij beschikking, tenzij voordien is gebleken dat de omstandigheden die ingevolge het derde lid zijn vermeld, zich niet of niet meer voordoen.

5. De beschikking wordt bekend gemaakt aan de rechtspersoon en de ingeschreven bestuurders.

6. De Kamer doet van de ontbinding een mededeling opnemen in de Nederlandse Staatscourant. (…).

(…).

8. Indien tegen een beschikking als bedoeld in lid 4, beroep wordt ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven schrijft de Kamer dat in het register in. (…).”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- A, directeur en enig aandeelhouder van appellante, laatstelijk als Ipds Holding B.V. ingeschreven in het handelsregister, is met ingang van 12 augustus 2003 vertrokken uit Nederland.

- Bij brief van 28 maart 2007, onder meer gericht aan Ipds Holding B.V., heeft verweerster de rechtspersoon en A voornoemd op grond van artikel 2:19a, derde lid, BW in kennis gesteld van haar voornemen om tot ontbinding van de rechtspersoon over te gaan op de gronden vermeld in het eerste lid van artikel 2:19a BW.

- Bij aangetekende brief van 5 april 2007, gericht aan Ipds Holding B.V., heeft verweerster de rechtspersoon en A nogmaals op grond van artikel 2:19a, derde lid, BW in kennis gesteld van haar voornemen om tot ontbinding van de rechtspersoon over te gaan op de gronden vermeld in het eerste lid van artikel 2:19a BW.

- Bij besluit van 1 juni 2007 heeft verweerster Ipds Holding B.V. op grond van artikel 2:19a, vierde lid, BW ontbonden en de inschrijving in het handelsregister doorgehaald.

- Bij brief van 19 juni 2007, ingekomen bij verweerster op 26 juni 2007, heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 9 juli 2007 heeft appellante desverzocht de gronden van het bezwaar ingediend.

- Bij brief van 12 juli 2007 heeft verweerster appellante om bewijsstukken betreffende de door haar gestelde pensioenverplichting verzocht.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij onder meer het volgende overwogen.

"Op 20 juni 2007 en 9 juli 2007 hebben wij van u een bezwaarschrift ontvangen tegen de beschikking van de Kamer van Koophandel Midden-Brabant van 1 juni 2007 tot ontbinding van Ipds Holding B.V. In deze bezwaarschriften ontbraken de gronden van het bezwaar.

Teneinde het bezwaarschrift inhoudelijk te kunnen beoordelen, hebben wij u bij brief van 12 juli 2007 zes weken in de gelegenheid gesteld de gronden van het bezwaar schriftelijk aan ons kenbaar te maken.

De gronden van het bezwaar zijn door ons niet ontvangen binnen de gestelde termijn van zes weken.

Het bezwaar wordt ongegrond verklaard."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in haar beroepschrift naar voren gebracht dat ten gevolge van de moeilijke bereikbaarheid van de directeur-grootaandeelhouder - die inmiddels in de Verenigde staten van Amerika woont - en het feit dat wegens de vakantieperiode diverse contactpersonen welke met betrekking tot de stukken moesten worden geraadpleegd niet bereikbaar waren, niet tijdig aan het verzoek van verweerster kon worden voldaan om bewijsstukken over te leggen ter zake van de aangegane pensioenverplichting. Inmiddels is de jaarrekening van de holding opgemaakt en zijn tevens de pensioendocumenten beschikbaar.

Appellante stelt dat de directeur-grootaandeelhouder en zijn echtgenote door ontbinding van de besloten vennootschap aanzienlijk zouden zijn gedupeerd en verzoekt om het (doen) herstellen van de inschrijving in het handelsregister.

5. De beoordeling van het geschil

Uit artikel 2:19a, eerste, derde en vierde lid, BW vloeit voort dat verweerster tot ontbinding van de rechtspersoon dient over te gaan, indien na verloop van de termijn van acht weken twee of meer van de in het eerste lid genoemde aan de rechtspersoon in de voornemenbrief medegedeelde omstandigheden zich nog steeds voordoen. Slechts indien voor verweerster volstrekt duidelijk is of behoort te zijn dat sprake is van een rechtspersoon die nog volop activiteiten verricht in het maatschappelijk verkeer brengt een redelijke toepassing van de regeling mee dat verweerster de haar toegekende bevoegdheden niet uitoefent.

Niet in geschil is - en ook voor het College staat op grond van de stukken en het ter zitting verhandelde vast - dat op 1 juni 2007, na ommekomst van de termijn van acht weken na dagtekening van de voornemenbrief van 5 april 2007, de in artikel 2:19a, eerste lid, BW genoemde omstandigheden zich ten aanzien van Ipds Holding B.V. nog steeds voordeden.

Hieraan doet niet af dat - zoals door appellante is medegedeeld in de brief van 9 juli 2007 - inmiddels aan alle fiscale verplichtingen zou zijn voldaan en alle aangiften zouden zijn verzorgd, en dat - zo stelt appellante in het beroepschrift - inmiddels de jaarrekening over 2005 is opgemaakt. Indien, zoals in artikel 2:19a BW het geval is, de wetgever verweerster het nemen van een besluit oplegt indien geen gebruik wordt gemaakt van een laatste mogelijkheid tot herstel van verzuimen binnen een daartoe gestelde tijdslimiet, kan een eventueel later herstel van die verzuimen niet leiden tot het oordeel dat aan die dwingende termijnbepaling voorbij zou moeten worden gegaan.

Voorts is het College van oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat het voor verweerster volstrekt duidelijk was of behoorde te zijn dat Ipds Holding B.V. nog volop activiteiten verrichtte in het maatschappelijk verkeer. Het enkele feit dat in de rechtspersoon een pensioenvoorziening is onderbracht ten behoeve van de directeur/grootaandeelhouder - nog daargelaten dat de daarvoor door verweerster verlangde bewijsstukken niet tijdig, binnen zes weken, zijn overgelegd - is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van het volop verrichten van activiteiten in het maatschappelijk verkeer, zodat er geen aanleiding bestond voor verweerster om de haar toegekende bevoegdheden niet uit te oefenen.

Verweerster was derhalve gehouden de rechtspersoon te ontbinden.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerster het bezwaar terecht ongegrond verklaard, zij het dat verweerster ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat het bezwaarschrift niet tijdig is gemotiveerd. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2008.

w.g. C.M. Wolters w.g. M.A. Voskamp