Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC8394

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-03-2008
Datum publicatie
02-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/28
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/28 27 maart 2008

11200 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, voorheen: C B.V, appellante,

gemachtigde: mr. W.B. van den Berg, advocaat te, Meppel,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. K. de Jonge, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Het College heeft bij uitspraak van 8 november 2005, AWB 04/565, te vinden op www.rechtspraak.nl, LJN AU6015, voor zover hier van belang, verweerders beslissing van 8 september 2004 op het door C B.V. ingediende bezwaarschrift vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel met opdracht aan verweerder om met inachtneming van de uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen.

Appellante heeft bij brief van brief van 15 januari 2007, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit door verweerder.

Bij besluit van 24 januari 2007 heeft verweerder alsnog een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van appellante genomen.

Appellante heeft het College bij brief van 19 februari 2007 desgevraagd bericht het beroep te handhaven, waarna zij op 21 maart 2007 de gronden van het beroepschrift heeft aangevuld.

Bij brief van 3 mei 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 9 februari 2008 heeft appellante nog een aantal nadere stukken ingediend.

Op 21 februari 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader uiteen hebben gezet. Voor appellante is tevens verschenen D en E. Namens verweerder is tevens het woord gevoerd door drs. S.E.H.M. Waelen, werkzaam bij verweerders Directie Voedselkwaliteit en Diergezondheid en drs. P.T.M. Leijs, werkzaam bij de Voedsel- en Warenautoriteit.

2. De grondslag van het geschil

Voor de vaststaande feiten en de grondslag van het geschil wordt verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 mei 2003, AWB 03/493, te vinden op www.rechtspraak.nl, LJN: AF9622, en naar de in rubriek 1 vermelde uitspraak van het College van 8 november 2005.

Het College heeft in zijn uitspraak van 8 november 2005 onder meer het volgende overwogen:

“Bij de beoordeling van de (…..) intrekking van de aanwijzing van appellante (…) dient met inachtneming van de grote beoordelingsruimte die verweerder in deze gevallen heeft, te worden bezien of verweerder die keuze in het licht van het beoogde doel – het afnemen van de risico’s van verspreiding van de besmetting – op goede gronden heeft gemaakt.

(…)

Het College wijst er allereerst op dat niet is uitgesloten dat bij het nemen van het intrekkingsbesluit is uitgegaan van een onjuiste ligging van de slachterij van appellante. Zo heeft appellante terecht betoogd dat in stukken die verweerder in het kader van de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening aan de voorzieningenrechter heeft toegezonden, is uitgegaan van de locatie van de gelijknamige slagerij/winkel (…) in het centrum van Ermelo, in plaats van de locatie van de slachterij. Anders dan verweerder blijkens het bestreden besluit meent, heeft appellante hier niet louter het oog gehad op een onjuiste kaart, maar ook op de gegeven motivering voor de intrekking van haar aanwijzing. Hoewel hieruit op zichzelf nog niet volgt dat verweerder ten onrechte is overgegaan tot intrekking van die aanwijzing, lag het gelet hierop eens te meer op de weg van verweerder om met kracht van argumenten aannemelijk te maken dat het geconstateerde abuis niet van wezenlijke betekenis was voor de besluitvorming.

(….)

Verweerder zal zich in zijn nieuwe beslissing op bezwaar ook (opnieuw) over het door appellante in de bezwaarfase gedane verzoek om schadevergoeding dienen uit te laten. Overigens overweegt het College dat, voor het geval daarbij aan de orde zal komen of appellante aanspraak kan maken op nadeelcompensatie, niet zonder meer duidelijk is dat de gehele schade van appellante binnen het normale ondernemersrisico van appellante valt. Zo is voorstelbaar dat het deel van de schade dat appellante mogelijkerwijs heeft geleden als gevolg van de omstandigheid dat de aanwijzing van de slachterij van VSE in stand bleef – boven de schade die appellante heeft geleden door haar gedwongen gedeeltelijke stillegging – als zo bijzonder moet worden aangemerkt dat zij niet binnen dat risico valt.”

Ter uitvoering van de uitspraak van 8 november 2005 zijn besprekingen tussen appellante en verweerder in gang gezet over de door appellante in de bezwaarprocedure gestelde schadeposten. Bij brief van 28 december 2005 heeft verweerder appellantes raadsvrouwe ter zake als volgt bericht.

“Namens uw cliënt (…) heeft u een schadeverzoek ingediend betreffende de schade die geleden zou zijn door uw cliënt tussen 10 april en 13 juni 2003. In het kader hiervan verzoek ik u om bewijsstukken en andere nadere gegevens, die de berekening van de schade, opgesteld door KPMG op 3 februari 2004 kunnen staven. U kunt daarvoor onder meer contracten overleggen, afschriften van rekeningen, urenstaten van de betreffende vervoerders, inpakkers en ander personeel dat door u extra is ingeschakeld.

Tevens zou ik de correspondentie willen ontvangen waarnaar verwezen wordt inzake het verlies geleden op de kwaliteit veren, alsmede een overzicht van de ontvangen uitkeringen in verband met werktijdverkorting.

Voorts verzoek ik u aan te geven in hoeverre de vermelde werkzaamheden van de vervoerders , inpakkers, de WTV, verkopers en directieleden, als gevolg van de slachtingen bij VSE, extra kosten met zich meebrachten.”

Appellantes raadsvrouwe heeft verweerder bij brief van 17 februari 2006 het volgende meegedeeld.

“Primair is cliënte mening dat de omvang van de geleden schade reeds vast staat, nu daartegen in de gevoerde procedures geen enkel verweer (…) is gevoerd; ook niet in subsidiaire vorm.

De opdracht van het CBb om de geleden schade nader te onderzoeken ziet op de vraag of de onderscheiden posten voor vergoeding in aanmerking komen, maar niet (meer) op de omvang van deze posten zelf.

Voorzover te zijner tijd zou blijken dat het CBb deze visie niet zou delen wordt hierbij subsidiair toch de verzochte informatie verstrekt.

Bijgaand zend ik u ter kennisneming afschriften van:

- de aansprakelijkstelling van cliente door Nieuwenhuizen Bedveren BV d.d. 29 januari 2004 tot € 40.000,-;

- 33 facturen van (….) VSE terzake van externe slachtkosten.”

Op 8 mei 2006 heeft verweerder appellante opnieuw naar aanleiding van haar bezwaren gehoord.

Op 2 juni 2006 heeft appellante – onder meer – 8 uitkeringsnota’s van UWV GUO overgelegd waaruit blijkt dat in verband met de werktijdverkorting een bedrag van € 44.316,55 minder is uitgekeerd aan de werknemers dan aanvankelijk door KPMG was geschat. In verband hiermee heeft appellante haar schadeclaim van € 291.207,79 (gegrond op het KPMG rapport) verhoogd tot € 335.524,34.

Nadat appellante op 15 januari 2007 beroep bij het College had ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit heeft verweerder op 25 januari 2007 het besluit genomen waartegen het beroep zich thans mede richt.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder - voor zover van belang - als volgt overwogen.

Het zeer besmettelijke karakter van Aviaire Influenza (hierna: AI) rechtvaardigde krachtige maatregelen tegen de op 28 februari 2003 uitgebroken hoogpathogene variant van deze virusziekte. Aanvankelijk was besloten een corridor naar zowel VSE als naar appellante toe te staan voor de slacht van eenden in het vervoersbeperkingsgebied. Het College heeft in zijn uitspraak van 8 november 2005 geoordeeld dat het vanwege de verslechterde situatie begin april 2003, gerechtvaardigd was om de toegestane vervoersstromen in het vervoersbeperkingsgebied kritisch te bekijken, te heroverwegen en te beoordelen of het risico van vervoersbewegingen door aanpassingen kan worden verkleind. Eén van de keuzes die in dat verband in overweging genomen kon worden, was het intrekken van de aanwijzing van één van de beide slachterijen in het vervoersbeperkingsgebied.

Bij zijn besluitvorming is verweerder steeds uitgegaan van de juiste ligging van appellantes bedrijf. Dit blijkt uit de aanwijzing en de instructie zelf. Deze bevat zelfs een routebeschrijving naar appellantes slachterij. Ook uit de beslissing tot intrekking van de aanwijzing blijkt dat van de juiste locatie is uitgegaan. Verweerders ambtenaren zijn aanwezig op elke slachterij om toezicht uit te oefenen, zodat verweerder van de juiste locatie op de hoogte is. Het is, aldus verweerder, wel ongelukkig dat tijdens de voorlopige voorzieningenprocedure door een van zijn medewerkers de verkeerde kaart naar het College is verstuurd.

Dat de corridor die oorspronkelijk zowel naar appellante als naar VSE leidde, pas later, namelijk op 29 april in plaats van op 4 april 2003 is verlegd, is eveneens een ongelukkige omstandigheid geweest. De vertraging is veroorzaakt door de grote aantallen wijzigingen van diverse regelgeving als gevolg van de AI crisis. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat de diverse beslissingen van slachterijen tot aanwijzing dan wel intrekking daarvan in het gebied steeds gebaseerd zijn op onvoldoende kennis omtrent het gebied. Gelet hierop kan ook uit de motivering van de bestreden intrekking niet worden afgeleid dat van verkeerde gegevens is uitgegaan.

Van willekeur is voorts geen sprake geweest. De reden dat appellante aanvankelijk heeft mogen doorslachten was dat buiten het vervoersbeperkingsgebied in het geheel geen eendenslachterij was en acute welzijnsproblemen niettemin de slacht vereisten. Appellante kon in de gegeven omstandigheden nergens op rekenen. Verweerder achtte het begin april 2003 aangewezen om binnen het vervoersbeperkingsgebied nog maar één slachterij te belasten met de slacht en de aanwijzing van de andere slachterij in te trekken. Eén slachterij kon de welzijnsproblemen voldoende aan, aldus verweerder.

Een analyse van de feitelijke situatie leidde verweerder tot de conclusie dat de ligging van VSE gunstiger was dan die van appellante. VSE ligt verder af van het gebied waar het virus rondwaarde en iets dichter bij de grens van het vervoersbeperkingsgebied. VSE ligt bovendien in een stedelijke omgeving waar geen professionele pluimveehouderijen waren. Bij de behandeling van het beroep dat geleid heeft tot de uitspraak van 8 november 2005, is bevestigd dat bij appellante een pluimveehouderij in de buurt lag. Het besmettingsgevaar door wilde eenden in de eendenvijver acht verweerder in verhouding minder ernstig. De verspreiding van vogelgriep via wilde vogels is op het moment van een uitbraak bij gehouden pluimvee niet meer relevant wanneer direct de juiste maatregelen worden getroffen, zoals ophokken of afschermen van het gehouden pluimvee teneinde contact met wilde vogels te voorkomen. Bovendien is er gedurende de periode van de uitbraak onder andere in de Gelderse Vallei voortdurend gemonitord onder de wilde vogels. De resultaten van deze monitoring waren negatief. Er is geen besmetting aangetroffen met het H7N7 virus bij de wilde vogels. De kans dat het transport van slachteenden naar de slachterij voor insleep van virus bij wilde vogels in de eendenvijver bij VSE zou kunnen zorgen is weliswaar klein, maar wel aanwezig. Veterinair gezien zal dit geen groot risico vormen. Gehouden dieren vormen het besmettingsrisico, temeer daar zij in groten getale worden gehouden. Samen vormen de gehouden dieren door hun massaliteit een veel groter risico op besmetting van hun omgeving, omdat zij na besmetting massaal virus zullen gaan uitscheiden. Ten slotte komen wilde vogels niet alleen in de eendenvijver in de buurt van VSE voor, maar ook in de buurt van appellante, zodat ook de eendenvijver de positie van VSE niet ongunstiger maakt.

De intrekking leverde, ook toen de corridor nog niet was verlegd, een vermindering van transporten op in de buurt van de grootschalige pluimveehouderij nabij het bedrijf van appellante. Door het intrekken van de aanwijzing kon geen gebruik meer worden gemaakt van de afslag naar appellante. Daardoor kon geen transport plaatsvinden van levende dieren dieper het toezichtsgebied in, hetgeen als een verbetering van de veterinaire situatie kon worden beschouwd. Een en ander valt ook af te leiden uit een door verweerder bij het bestreden besluit gevoegde kaart.

Vanaf 29 april 2003 is de corridor naar VSE verlegd. De route ging nu vanuit het noorden naar VSE, zodat nog minder door het toezichtsgebied werd gereden en alleen door stedelijk gebied. Na de verlegging van de corridor was derhalve de situering van VSE nog gunstiger.

Verweerder wijst het verzoek van appellante om vergoeding van de schade af, daartoe stellende dat het risico van schade door bestrijding van besmettelijke dierziekten een normaal ondernemersrisico is. Het feit dat appellantes concurrent open mocht blijven maakt dat niet anders. Appellante ondervond niet meer schade dan de andere slachterijen die in april 2003 werden getroffen door de algehele standstill begin april 2003. Het maakt ook geen verschil dat appellante en VSE in hetzelfde vervoersbeperkingsgebied lagen, aldus verweerder. Appellante heeft in tegenstelling tot de andere slachterijen zelfs minder schade geleden. Verder zijn de extra kosten die door appellante zijn gemaakt door het vervoer van VSE naar appellante, het herstempelen en herverpakken op het eigen bedrijf een gevolg van appellantes eigen bedrijfsvoering en niet een direct gevolg van zijn intrekkingsbeslissing. Ook zonder het aanbieden van schadevergoeding is de gemaakte belangenafweging evenredig en proportioneel.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft - evenals in de voorgaande procedure - aangevoerd dat de RVV/VWA niet bevoegd is geweest tot het nemen van de bestreden intrekkingsbeslissing.

Voorts meent appellante dat verweerder er tijdens het gehele besluitvormingsproces ten onrechte vanuit is gegaan dat haar bedrijf zo’n 3 km dichter bij het buffergebied lag dan in werkelijkheid het geval was. Zij meent dat met de stelling van verweerder dat de ontheffing op grond van de juiste ligging is verleend nog niet is weersproken dat bij de intrekking van de ontheffing is uitgegaan van een onjuiste ligging. Dat dit het geval is geweest blijkt uit het feit dat is gesteld dat de route naar VSE over een kortere afstand door het toezichtsgebied zou voeren, hetgeen feitelijk niet juist is. De route naar VSE is juist 600 meter langer dan die naar appellantes bedrijf. Verweerders stelling zou wel kloppen als uitgegaan was van het verkeerde adres.

Uitgaande van de situatie voor verlegging van de corridor is het aantal vervoersbewegingen voor het vervoer van levende dieren noch door vermindering van het aantal corridors, noch door de intrekking van de aanwijzing verkleind. Verweerders stelling dat door de intrekking van haar aanwijzing de controle zou worden vergemakkelijkt overtuigt niet, nu ten aanzien van beide bedrijven de corridor slechts verschilde voor de laatste 1700 meter naar appellante, respectievelijk 2300 meter naar VSE. De controle had over een lengte van 600 meter kunnen worden beperkt indien de ontheffing van VSE was ingetrokken in plaats van appellante.

Het argument van verweerder dat een slachterij binnen een vervoersbeperkingsgebied zo dicht mogelijk tegen de grens van dat gebied aan moet liggen, overtuigt evenmin, omdat voor het vervoer naar beide bedrijven van dezelfde corridor gebruik gemaakt moest worden en daarbij in beide gevallen over dezelfde afstand via de A28 het toezichtsgebied moest worden ingereden. Juist op dat deel zou het risico hebben bestaan dat via de lucht besmetting zou kunnen plaatsvinden van de levende dieren op de aldaar aanwezige pluimveebedrijven. Dat is niet consistent omdat verweerder het risico van besmetting via de lucht minder waarschijnlijk achtte en slechts mogelijk over geringe afstand. De aanvoer van dieren vond echter uitsluitend plaats vanuit het noorden, zodat het ging over de aanvoer van onbesmette dieren uit onbesmet gebied.

Verweerder stelde zich op het standpunt dat het aantal vervoersbewegingen tot een minimum moest worden beperkt met ingang van 1 mei 2003. Door de intrekking van de ontheffing van appellante werd echter het aantal vervoersbewegingen in het betreffende gebied vergroot in plaats van verkleind. Het verschil in ligging tussen VSE en appellante kon elk geval niet redengevend zijn geweest tot 29 april 2003. Sindsdien werden inderdaad de bedrijven die een potentieel risico vormden (maar al waren geruimd en waarvan uit bloedonderzoek niet van besmetting was gebleken) op een kleinere afstand langs de provinciale weg gepasseerd. Door de verplaatsing van de corridor is echter niet voor een doorgang met minder veterinaire risico’s geopteerd, aangezien de verlegde corridor niet langs de hoofdweg, maar langs de provinciale weg liep, waarlangs meer vervoerscontacten kunnen plaatsvinden en zich meer onafgeschermde hobbydieren bevinden. VSE heeft ondanks de vijver met wilde eenden nabij een ziekenhuis gewoon mogen doorslachten, hoewel de risico’s van wilde eenden en de risico’s voor mensen genoegzaam bekend waren en er (met toestemming van verweerder) meer vervoersbewegingen ontstonden.

De welzijnsproblemen buiten het toezichtsgebied waren ten tijde van de intrekking van haar aanwijzing nog lang niet van de baan. VSE en appellante zijn de enige twee eendenslachterijen binnen Nederland. Dat VSE niet voldoende slachtcapaciteit had om de welzijnsproblemen op te vangen blijkt ook weer uit een door appellante op 8 februari 2008 aan het College toegezonden verklaring van de heer Van Dijk van Ducky Dons Nederland B.V., waarin wordt gesteld dat een medewerker van VSE hem desgevraagd heeft meegedeeld dat de slechte kwaliteit van de geleverde veren zijn oorzaak vond in het feit dat destijds boven de officiële capaciteit van VSE werd geslacht.

Ten aanzien van de gestelde schade heeft appellante voorts aangevoerd dat als al sprake was geweest van een bedrijfsrisico, dit risico zowel appellante als VSE gelijkelijk had moeten treffen, hetgeen niet het geval is geweest. In ieder geval had uit een oogpunt van gelijke lasten nadeelcompensatie moeten worden toegekend.

Appellante vindt het onbegrijpelijk dat verweerder het risico van de schade uitsluitend voorstelt als een bedrijfsrisico waarvoor risicoaansprakelijkheid zou zijn aanvaard door het enkele werkzaam zijn binnen de sector. Verweerder is al tekortgeschoten bij het ruimen. De ruimingscapaciteit voor het aanvankelijk over 1 km ingestelde gebied was onvoldoende en daarom is waarschijnlijk pas later een gebied over 3 km ingesteld waarin de ruimingen werden uitgevoerd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het beroep dat is ingesteld op 15 januari 2007 is ingesteld tegen het niet tijdig nemen door verweerder van een besluit op appellantes bezwaarschrift na de uitspraak van het College van 8 november 2005. Gelet op artikel 20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, (hierna: Awb) wordt het beroep geacht te zijn mede te zijn gericht tegen de door verweerder hangende beroep alsnog genomen beslissing op appellantes bezwaarschrift. Nu niet is gebleken dat appellante nog een (afzonderlijk) belang heeft bij een beslissing op haar beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar, zal het College het beroep in zoverre niet ontvankelijk verklaren.

5.2 Met betrekking tot het beroep dat gericht is tegen de op 25 januari 2007 genomen beslissing op bezwaar wordt als volgt overwogen.

5.2.1 Ter weerlegging van het betoog van appellante ten aanzien van de bevoegdheid tot het intrekken van de aanwijzing en de capaciteitsproblemen van VSE, verwijst het College naar het reeds in zijn uitspraak van 8 november 2005 ter zake gegeven oordeel.

5.2.2 In zijn uitspraak van 8 november 2005 heeft het College geoordeeld dat het gezien de veterinaire situatie destijds op de weg van verweerder lag de vervoersbewegingen in het gebied die verband hielden met de slacht van eenden te herbeoordelen en te bezien of het risico van verspreiding van AI-besmetting door aanpassing van die bewegingen kon worden verkleind. Eén van de opties die verweerder daarbij ter beschikking stond was, aldus het College, de intrekking van één van beide aanwijzingen van de eendenslachterijen in het vervoersbeperkingsgebied. Het College is er in zijn uitspraak vanuit gegaan dat verweerder gezien de veterinaire situatie op 4 april 2003 redelijkerwijze heeft kunnen besluiten slechts een van de beide eendenslachterijen in het toezichtsgebied open te houden. Het door het College vastgestelde motiveringsgebrek betrof de keuze tot intrekking van de aanwijzing van appellante en de vraag of verweerder bij zijn keuze in het licht van het beoogde doel – het afnemen van risico’s van verspreiding van de besmetting – op goede gronden heeft gemaakt. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

5.2.3 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij altijd van de juiste ligging van appellantes bedrijf is uitgegaan. Hij heeft zijn standpunt thans gestaafd door te verwijzen naar de aanwijzing en naar de intrekkingsbeslissing zelf, waarin het juiste adres en (in de aanwijzing) een routebeschrijving zowel naar appellante als naar VSE zijn opgenomen. Appellantes betoog dat verweerder aan de vooravond van het door haar in de zaak gevoerde kort geding nr. AWB 03/493 - nadat zij hem via de voorzieningenrechter op zijn vergissing met betrekking tot de ligging van haar bedrijf had geattendeerd - zijn vergissing met een motivering achteraf heeft willen herstellen en ook de feitelijke verlegging van de corridor hiermee in rechtstreeks verband gebracht moet worden, komt het College niet aannemelijk voor. Daarbij heeft het College in aanmerking genomen dat verweerder ter zitting desgevraagd zijn reactie met het oog op de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening die bij het College per fax is binnengekomen op 29 april 2003 om 17:45 uur en zijn daarin neergelegde keuze voor intrekking van de aanwijzing van appellante aan de hand van de bij het bestreden besluit gevoegde kaart heeft toegelicht. Aan de hand van die toelichting staat thans voor het College voldoende vast dat verweerder bij het nemen van de bestreden beslissing is uitgegaan van de situatie na verlegging van de corridor. Uitgaande van de ligging van appellante op het in de aanwijzing en de intrekking vermelde adres, zou na verlegging van de corridor inderdaad de afstand door het beschermings- en toezichtsgebied (compartiment A) naar VSE korter zijn dan de afstand naar appellante. Hoewel aan appellante moet worden toegegeven dat ongelukkig is dat de verlegging van de corridor tot 29 april 2003 nog niet gerealiseerd was, staat gelet op het vorenstaande naar het oordeel van het College voldoende vast dat de bestreden beslissing, gebaseerd is geweest op de juiste ligging van appellantes bedrijf.

5.2.4 Verweerder heeft voorts betoogd dat ook los van de verlegging van de corridor de slachterij van VSE gunstiger gelegen was dan die van appellante. Het College acht ook dit niet onaannemelijk, temeer daar verweerder appellantes stelling dat het risico voor besmetting door de wilde eenden in de eendenvijver nabij het ziekenhuis in Harderwijk tenminste even groot is als het besmettingsgevaar dat in voorkomend geval kan uitgaan van het in de buurt van appellante gelegen pluimveehouderij met 17.000 dieren, in het bestreden besluit gemotiveerd heeft weerlegd. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen verweerders argument dat het uit veterinair oogpunt vooral van belang was het vervoer van levende dieren door het vervoersgebied te beperken, kan aan het argument dat de intrekking voorzienbaar heeft geleid tot extra vervoersbewegingen door de eenden na de slacht bij VSE in het eigen bedrijf van appellante te laten verpakken en herstempelen niet de betekenis toekomen die appellante daaraan gehecht wil zien. Verweerder heeft dienaangaande bovendien gesteld dat het besmettingsgevaar vooral het vervoer van levende dieren geldt en de auto’s geladen met de geslachte - onverdachte - dieren voor het transport naar appellante vanzelfsprekend werden ontsmet, zodat dit vervoer veel minder risicovol is.

5.2.5 Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van het College redelijkerwijze kunnen besluiten de aanwijzing van appellante in te trekken.

5.3 De vraag of verweerder aan de intrekking van de aanwijzing van appellante een schadevergoeding in de vorm van nadeelcompensatie had moeten verbinden, beantwoordt het College als volgt.

5.3.1 Verweerders diende zich ingevolge de bij de uitspraak van 8 november 2005 gegeven opdracht aan verweerder - op de voet van het bezwaarschrift - uit te laten over de door appellante gestelde schade. Het College heeft verweerder daarbij in overweging gegeven dat het voorstelbaar is dat het deel van de schade dat appellante wellicht heeft geleden als gevolg van de omstandigheid dat de aanwijzing van de slachterij VSE in stand bleef - boven de schade die appellante heeft geleden door haar gedwongen gedeeltelijke stillegging - als zo bijzonder moet worden aangemerkt dat zij niet binnen het normale ondernemersrisico valt.

5.3.2 Met verweerder is het College van oordeel dat de door appellante onder verwijzing naar het KPMG-rapport opgevoerde schadeposten niet geacht kunnen worden buiten het normale ondernemersrisico te vallen. De door appellante op verzoek van verweerder gestuurde nadere informatie kan niet tot een ander oordeel leiden. De gevolgen van werktijdverkorting in verband met de tijdelijke stillegging van appellante en van de door haar genomen beslissing haar bij VSE geslachte eenden in haar eigen bedrijf te laten verpakken en herstempelen zijn redelijkerwijs niet te beschouwen als risico’s die uitstijgen boven het ondernemersrisico in de sector waarin appellante werkzaam is, hetgeen ook geldt voor de schade die appellante stelt te hebben geleden tengevolge van de kwaliteit van de door haar ten tijde van belang aan Ducky Dons geleverde bedveren.

5.3.3 Het door verweerder ingenomen standpunt met betrekking tot de in totaliteit door appellante gestelde schade is derhalve juist. Aangezien appellante desgevraagd ter zitting verklaard heeft “vanzelfsprekend” schade als bedoeld in de uitspraak van het College van 8 november 2005 te hebben geleden, maar zij haar stelling niet heeft onderbouwd, moet de slotsom zijn dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de belangenafweging op grond waarvan hij tot de bestreden intrekking is gekomen ook zonder een aanbod van schadevergoeding disproportioneel, noch onevenredig is.

5.4 Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling van verweerder acht het College geen termen aanwezig.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.A. Fierstra, mr. J.L.W. Aerts en mr. M. van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2008.

w.g. M.A. Fierstra w.g. A. Bruining