Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC8382

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-03-2008
Datum publicatie
02-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/393
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 07/393 20 maart 2008

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij LTO Noord Advies te Drachten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit , verweerder,

gemachtigde: mr. P.M. Bakker Schut, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 30 mei 2007, bij het College op dezelfde dag per fax binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 mei 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder opnieuw beslist op appellantes bezwaar tegen het besluit van 17 januari 2005, waarbij verweerder appellantes aanvraag akkerbouwsteun voor het jaar 2004 op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) heeft afgewezen.

Bij brief van 27 juni 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij griffiersbrief van 2 oktober 2007 heeft het College verweerder verzocht aanvullende gegevens te verstrekken. Bij brief van 12 oktober 2007 heeft verweerder de gevraagde gegevens overgelegd.

Op 7 februari 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij van de zijde van appellante A en haar gemachtigde zijn verschenen. Namens verweerder is, zoals bij brief van 21 januari 2008 is bericht, niemand verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is onder meer het volgende bepaald:

“ Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was.”

In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen is het volgende bepaald:

“ Voor de toepassing van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1251/1999 gelden voor de begrippen "blijvend grasland", "blijvende teelten", "meerjarige gewassen"en "herstructureringsprogramma" de in bijlage I opgenomen definities.”

In de bedoelde bijdrage staat:

“ Definities

1. Blijvend grasland

Grond die geen deel uitmaakt van een vruchtwisseling en die blijvend (ten minste vijf jaar) als grasland wordt gebruikt, ongeacht of het ingezaaid dan wel natuurlijk grasland betreft.”

Bij Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen is onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 32

Kortingen en uitsluitingen bij te hoge aangifte

1. Wanneer ten aanzien van een gewasgroep de aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, wordt het steunbedrag berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil wanneer dit groter is dan 3 % of dan 2 ha, doch niet groter dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte.

Wanneer het verschil groter is dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gerelateerde steun toegekend.

2. Wanneer met betrekking tot de totale geconstateerde oppervlakte waarop een steunaanvraag in het kader van de in artikel 1, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 3508/92 vermelde steunregelingen betrekking heeft, het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 31, lid 2, groter is dan 30 %, wordt het op grond van die steunregelingen toe te kennen steunbedrag waarop het bedrijfshoofd overeenkomstig artikel 31, lid 2, aanspraak zou kunnen maken, voor het betrokken kalenderjaar geweigerd.

(…)

Artikel 44

Uitzonderingen op de toepassing van kortingen en uitsluitingen

1. De in deze titel bedoelde kortingen en uitsluitingen zijn niet van toepassing wanneer het bedrijfshoofd feitelijk juiste gegevens heeft verschaft of wanneer hij anderszins kan bewijzen dat hem geen schuld treft. (...)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 17 januari 2005 heeft verweerder beslist op de aanvraag akkerbouwsteun 2004 van appellante. Bij dit besluit heeft verweerder overwogen dat van het maïsperceel 9, dat voor 4.75 ha voor steun werd opgegeven slechts 2.96 ha als geconstateerd kan worden aangemerkt. Daardoor ontstaat een verschil tussen de totale voor steun in aanmerking gebrachte oppervlakte maïs van 8.25 ha en de geconstateerde oppervlakte van 6.46 ha, dat, uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte, 27,71 % bedraagt. Met toepassing van artikel 32 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 heeft verweerder vervolgens de aanvraag akkerbouwsteun afgewezen.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 23 februari 2005 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar bij besluit van 4 november 2005 ongegrond verklaard.

- Tegen het besluit van 4 november 2005 heeft appellante beroep ingesteld bij het College. Bij uitspraak van 29 juni 2006 (AWB 05/812) heeft het College het beroep gegrond verklaard en het besluit van 4 november 2005 vernietigd. Hiertoe is onder meer het volgende overwogen.

“ Hangende de bezwaarprocedure heeft appellante kaartmateriaal overgelegd betreffende een aantal percelen waarop in 2000 lelies werden geteeld. Doel hiervan was dat GeoRas zou onderzoeken of aan de hand van beelden van deze percelen te zien zou zijn dat er lelies werden geteeld. Bij brief van 4 juli 2000 heeft verweerder meegedeeld dat van het jaar 2000 geen satellietbeelden beschikbaar waren. Daarom heeft hij appellante alsnog verzocht soortgelijk kaartmateriaal uit 2004 over te leggen. Appellante heeft daarop kaartmateriaal afkomstig van een lelieteler D, die in 2004 lelies heeft geteeld, overgelegd.

In het bestreden besluit is verweerder niet ingegaan op de vraag of op satellietbeelden een onderscheid is te maken tussen gras en lelies en evenmin is ingegaan op het door appellante toegezonden kaartmateriaal van lelieteler D. Daarmee voldoet het bestreden besluit niet aan de in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna; Awb) neergelegde eis dat het dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Pas bij het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder aangegeven dat dit onderscheid wel degelijk is te maken. Gras geeft, volgens verweerder, afhankelijk van de lengte, het gehele jaar een lichtgroene tot oranje kleur. Lelies geven later in het groeiseizoen een donkere kleur.

Verweerder heeft ook satellietbeelden uit 2004 laten bestuderen, waarop de percelen van D zichtbaar zijn. Daarop is in mei een blauwige kleur te zien zijn, die overeenkomt met kale of pas ingezaaide grond. Deze kleur ontbreekt volgens verweerder op de beelden van perceel 9 uit de referentieperiode. Het College kan verweerder in dit betoog niet volgen, omdat op het beeld van 5 juli 1987 van perceel 9 in het noordoosten een blauwige kleur is te zien. Uit de overgelegde stukken kan niet worden opgemaakt dat het om een andere kleur gaat dan op de percelen van D is aangetroffen.Verweerder is er bijgevolg niet in geslaagd voldoende inzichtelijk te maken op basis waarvan hij tot het oordeel is gekomen dat er op het noordelijk gedeelte van perceel 9 in 1987 geen lelies hebben gestaan.

Verweerder heeft aan de hand van meitellinggegevens van voormalig eigenaar E uit de jaren 1989 tot en met 1991 geconcludeerd dat deze in die jaren geen lelies heeft opgegeven en daaruit de gevolgtrekking gemaakt dat op perceel 9 geen lelies hebben gestaan. Daarmee is niets aangetoond omtrent de situatie in de referentiejaren 1987 en 1988.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat deze laatste gegevens wel bekeken zijn bij de Dienst Regelingen in Groningen, maar dat hij niet weet wat daaruit is gebleken. Nu de betrokken gegevens niet zijn overgelegd en ter zitting evenmin beschikbaar waren, heeft verweerder het bestreden besluit in dit opzicht onvoldoende onderbouwd. Weliswaar heeft appellante aangevoerd dat opgave van lelies bij de landbouwtelling achterwege placht te blijven, maar dat heeft verweerder desgevraagd ontkend.

Derhalve is niet komen vast te staan dat verweerder voldaan heeft aan de ingevolge artikel 3:2 van de Awb op hem rustende plicht.”

- Naar aanleiding van deze uitspraak van 29 juni 2006 heeft verweerder bij besluit van 26 juli 2006 een nieuwe beslissing genomen en appellantes bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

- Bij uitspraak van 23 april 2007 heeft het College het tegen dit besluit ingestelde beroep (AWB 06/680) gegrond verklaard en het besluit van 26 juli 2006 vernietigd.

Hiertoe is onder meer het volgende overwogen:

“ Verweerder stelt zich op basis van analyse door GeoRas aan de hand van satellietbeelden op het standpunt dat het noordelijk gedeelte van perceel 9 in de jaren 1987 t/m 1991 blijvend grasland is geweest en dat het betrokken perceelsgedeelte daarom als niet geconstateerd moet worden aangemerkt. Daartegenover heeft appellante aangevoerd dat op dit perceelsgedeelte in 1987 dan wel 1988 sprake is geweest van lelieteelt en dat er in ieder geval aanleiding bestaat om te betwijfelen of de gebruikte satellietbeelden de conclusie kunnen rechtvaardigen dat dit niet het geval is geweest.

Doorslaggevend voor de beslissing in dit geschil is of voldoende aannemelijk is geworden of het betreffende perceelsgedeelte in 1987/1988 als blijvend grasland in gebruik is geweest. Verweerder heeft ter ondersteuning van zijn standpunt landbouwtellinggegevens in het geding heeft betrokken.

Vervolgens heeft hij, nadat het College zijn besluit had vernietigd, omdat aldus een beroep werd gedaan op stukken, die niet overgelegd waren, een nieuwe beslissing genomen zonder daarbij deze, naar hij stelt bij het LEI aanwezige, stukken, waarvan het bestaan en de mogelijke relevantie voor deze zaak niet ontkend worden, in de beschouwing te betrekken. Deze stukken zijn ook niet aan het College ter beschikking gesteld.

Gelet op het voorgaande kan het College slechts vaststellen dat verweerder niet heeft voldaan aan de hem in de uitspraak van 29 juni 2006 verstrekte opdracht om met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen.

Het beroep is derhalve gegrond, het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking en verweerder zal alsnog aan de hem verstrekte opdracht dienen te voldoen.”

- Naar aanleiding van deze uitspraak van 23 april 2007 heeft verweerder op 16 mei 2007 het thans bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder appellantes bezwaar wederom ongegrond verklaard en hiertoe als volgt overwogen.

“ Op 23 april 2007 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven de bestreden beschikking op bezwaar van 26 juli 2006 aan u vernietigd wegens een motiveringsgebrek en het beroep gegrond verklaard. Ook na herbeoordeling van uw bezwaarschrift is mij echter gebleken, dat uw aanvraag nog steeds niet kan worden goedgekeurd.

Dienst Regelingen verkeerde aanvankelijk ten onrechte in de veronderstelling dat voor de jaren 1987 en 1988 nog was na te gaan of er voor die jaren lelies op uw bedrijf werden geteeld. Bij het Landbouw Economisch Instituut (hierna: LEI) waar de landbouwtellingsgegevens momenteel worden beheerd is voor de jaren 1987 en 1988 thans alleen nog maar na te gaan of er grasland of akkerbouwgewassen zijn opgegeven. Er is echter niet meer na te gaan welke akkerbouwgewassen in 1987 en 1988 precies zijn geteeld. Navraag bij het LEI leverde echter op dat u zowel over 1987 als over 1988 slechts 0,85 ha akkerbouwgewassen heeft opgegeven tegenover 23,15 ha grasland.

Zoals eveneens al uit de satellietbeelden van perceel 9 bleek, komt dus ook uit de landbouwtellingsgegevens naar voren dat er geen lelies op de opgegeven 4,75 ha hebben gestaan. U heeft immers slechts op zijn hoogst 0,85 ha benut voor de lelieteelt, waardoor het perceel nog steeds niet voldoet aan de definitie akkerland. Voorts heeft u evenmin bewijsmateriaal overgelegd, waaruit aannemelijk wordt dat u in 1987 of 1988 wel lelies heeft geteeld, maar deze oppervlakte niet heeft opgegeven op de landbouwtelling.”

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft, samengevat, het volgende aangevoerd.

In het bestreden besluit is ook nu weer niet ingegaan op het door haar ingebrachte kaartmateriaal van lelieteler D.

Er is onvoldoende deskundigheid bij verweerder om aan de hand van satellietbeelden het verschil tussen een perceel met lelies en een perceel met gras vast te stellen. Uit de overgelegde verklaring van 22 augustus 2006 van A en lelieteler D blijkt dat er verschillende vormen van lelieteelt zijn en dat de biomassa in de loop van het groeiseizoen enorm kan fluctueren. Ook in het thans bestreden besluit wordt daarop niet ingegaan.

Verweerder heeft naar aanleiding van de uitspraak van het College in zaak 06/680 meitellinggegevens overgelegd van appellante uit de jaren 1987 en 1988. Uit deze gegevens zou zijn gebleken dat appellante in die jaren maximaal 0.85 ha benut kan hebben voor de lelieteelt. Ten onrechte, want het perceel waar het in deze zaak om draait (perceel 9 uit de aanvraag oppervlakten 2004 van appellante) heeft appellante pas eind 1998 gekocht van maatschap E. De meitellinggegevens van appellante uit de jaren 1987 en 1988 zeggen dus niets over de premiewaardigheid van perceel 9.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In de uitspraak van 23 april 2007 (AWB 06/68) heeft het College vastgesteld dat verweerder niet heeft voldaan aan de hem in de uitspraak van 29 juni 2006 (AWB (AWB 05/812) verstrekte opdracht om met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen. Verweerder diende alsnog de meitellinggegevens van de maatschap E over de jaren 1987 en 1988 over te leggen en die gegevens bij zijn besluit te betrekken.

Appellante heeft terecht opgemerkt dat verweerder aan het thans bestreden besluit niet de meitellinggegevens van de maatschap E over de jaren 1987 en 1988 ten grondslag heeft gelegd, maar de meitellinggegevens van appellante over die jaren.

Dit brengt mee dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit opnieuw op grond van artikel 3:2 Awb dient te worden vernietigd.

5.2 Het College ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen in strand blijven en overweegt hiertoe als volgt.

5.2.1 Verweerder heeft desgevraagd bij brief van 12 oktober 2007 alsnog de meitellinggegevens van de maatschap E over 1987 en 1988 overgelegd. Blijkens die gegevens had de maatschap E in de jaren 1987 en 1988 respectievelijk 2.30 en 2.50 ha akkerland en respectievelijk 30.70 en 30.50 ha grasland in gebruik. Deze gegevens bieden aldus geen steun voor de opvatting dat de maatschap E in 1987 of 1988 een perceel lelies met een oppervlakte van 4.75 ha in gebruik heeft gehad.

5.2.2 Appellantes stelling dat bij verweerder onvoldoende deskundigheid aanwezig is om aan de hand van satellietbeelden het verschil tussen een perceel met lelies en een perceel met gras vast te stellen, kan evenmin slagen.

Verweerder maakt voor de beoordeling van satellietbeelden gebruik van de diensten van GeoRas, een door de Europese autoriteiten gecertificeerd bedrijf dat de door de Europese Commissie beschikbaar gestelde satellietbeelden volgens vaste procedures interpreteert. Bij brieven van 13 juli 2006 en 11 oktober 2006 is drs. M. Honig van GeoRas uitvoerig op het door appellante overgelegde kaartmateriaal en op de standpunten van appellante ingegaan en heeft hij de interpretatie van de satellietbeelden uit 1987 en 1988 van perceel 9 gemotiveerd gehandhaafd. De enkele omstandigheid dat appellante zich niet kan vinden in die interpretatie, is onvoldoende om aan het oordeel van de deskundige te twijfelen. Het College neemt hierbij in aanmerking dat appellantes stelling niet is gebaseerd op het oordeel van een op het terrein van de teledetectie ingevoerde deskundige.

5.2.3 Nu op basis van het teledetectieonderzoek door GeoRas niet kan worden vastgesteld dat perceel 9 op 31 december 1991 anders dan als blijvend grasland in gebruik was en appellante de premiewaardigheid van het perceel niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt, komt het College tot de slotsom dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat 1.79 ha van perceel 9 niet als geconstateerde oppervlakte kan worden aangemerkt. Omdat het verschil tussen de opgegeven en geconstateerde oppervlakte groter was dan 20% van de geconstateerde oppervlakte, was verweerder op grond van artikel 32, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 verplicht de aanvraag akkerbouwsteun 2004 van appellante af te wijzen.

5.3 Het College acht ten slotte termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel

8:75 Awb te veroordelen in de door appellante gemaakte kosten voor rechtsbijstand ten bedrage van € 644.--.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 16 mei 2007;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de kosten die appellante in verband met het beroep heeft moeten maken tot een bedrag van

€ 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die

deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,-- (zegge:

tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2008.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. F.W. du Marchie Sarvaas