Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC8376

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
02-04-2008
Zaaknummer
AWB 03/1061
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 03/1061 19 maart 2008

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.W. Oomen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 29 augustus 2003, bij het College binnengekomen op 2 september 2003, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 juli 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een op grond van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) genomen besluit over de aanvraag slachtpremie voor het jaar 2001 van appellant.

Bij brief van 22 september 2003 heeft appellant zijn beroep nader gemotiveerd.

Bij brief van 8 oktober 2003 heeft CR Delta Noord BV namens appellant een toelichting gegeven op een melding van verplaatsing van 41 runderen van appellant.

Bij brieven van 18 november 2003 respectievelijk 5 december 2003 heeft verweerder de op het geding betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 13 april 2004 heeft verweerder het College desgevraagd aanvullende informatie doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2004 en is vervolgens gesloten.

Bij brief van 13 juli 2004 heeft verweerder desgevraagd nadere informatie doen toekomen.

Bij beschikking van 16 juli 2004 heeft het College het onderzoek heropend en de behandeling van het beroep aangehouden in verband met de prejudiciële vragen die het College in de zaak Maatschap Schonewille-Prins (AWB 03/901) aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) heeft gesteld.

Bij arrest van 24 mei 2007 (Maatschap Schonewille-Prins, C-45/05, Jur. blz. I-3997) heeft het Hof van Justitie op de vragen van het College geantwoord.

Bij brief van 19 juli 2007 heeft appellant op dit arrest gereageerd. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 31 augustus 2007 gereageerd.

Bij brief van 11 januari 2008 heeft verweerder het College desgevraagd een nader stuk doen toekomen.

Op 15 januari 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen zijn verschenen en hun standpunten hebben toegelicht. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees luidde, voorzover en ten tijde hier van belang:

" Artikel 11

1. Een producent die runderen op zijn bedrijf houdt, kan op zijn verzoek in aanmerking komen voor een slachtpremie. (…)

Artikel 21

Om in aanmerking te komen voor rechtstreekse betalingen op grond van dit hoofdstuk, moet een dier geïdentificeerd en geregistreerd zijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 820/97. "

Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad luidt, voorzover hier van belang:

" Artikel 7

1. Elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders:

- houdt een register bij,

- stelt, zodra het gecomputeriseerde gegevensbestand volledig operationeel is, de bevoegde autoriteit binnen een door de lidstaat vastgestelde termijn, die zich uitstrekt over drie tot zeven dagen, in kennis van alle verplaatsingen van en naar het bedrijf en van elke geboorte of sterfte van een dier op het bedrijf, samen met de data waarop een en ander heeft plaatsgevonden. (…) "

Op grond van artikel 1 van Beschikking nr. 1999/546/EG van de Europese Commissie van 13 juli 1999 wordt het Nederlandse gegevensbestand voor runderen als volledig operationeel erkend met ingang van 1 oktober 1999.

De Regeling luidde, voorzover en ten tijde hier van belang:

" Artikel 4.6

Premie wordt de producent slechts verstrekt ten behoeve van runderen die:

(…)

c. overeenkomstig de bepalingen gesteld bij en krachtens verordening 820/97 zijn geïdentificeerd en geregistreerd.

Artikel 4.9

1. Geen premie wordt verstrekt voor runderen ten aanzien waarvan de producent de op hem, krachtens de PVV-verordening, rustende bepalingen met betrekking tot de melding aan het I&R-register van de geboortedatum, de datum van aanvoer op, of afvoer van zijn bedrijf of de datum van slacht, onderscheidenlijk uitvoer naar een derde land, niet binnen 25 dagen is nagekomen, voorzover de desbetreffende meldingsplicht op of na 1 januari 2000 is ontstaan.

2. De premie wordt verminderd met 25% voor runderen ten aanzien waarvan de producent de op hem, krachtens de PVV-verordening, rustende bepalingen met betrekking tot de melding aan het I&R-register van de geboortedatum, de datum van aanvoer op, of afvoer van zijn bedrijf of de datum van slacht, onderscheidenlijk uitvoer naar een derde land, niet tijdig doch wel binnen 25 dagen nadat de betrokken gebeurtenis heeft plaatsgevonden, is nagekomen, voorzover de desbetreffende meldingsplicht op of na 1 januari 2000 is ontstaan. "

In de Verordening identificatie en registratie runderen 1998 van het Productschap Vee en Vlees (hierna: pvv-verordening) was ten tijde van belang onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 12

1. De houder, met uitzondering van de vervoerder, is verplicht de in artikel 4, derde lid en de in artikel 7, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van verordening 820/97 bedoelde gegevens (…) nauwkeurig en volledig in het register aan te tekenen.

2. (…)

Artikel 13

1. De houder, met uitzondering van de vervoerder, is verplicht binnen een periode van 3 werkdagen aan de dienst melding te doen van de in artikel 12, eerste lid, van deze verordening (…) bedoelde gegevens.

2. (…) "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 4 juni 2002 heeft verweerder aan appellant € 1592,30 aan slachtpremie voor het jaar 2001 toegekend. Voor zeven runderen met ID-code NL 223068625, NL 223068632, NL 223068740, NL 223068810, NL 247669961, NL 247670019 en NL 247670110 is geen premie toegekend.

- Tegen dit besluit, althans tegen verweerders beslissing ten aanzien van genoemde zeven dieren, heeft appellant bij brief van 11 juli 2002 bezwaar gemaakt.

- Op 8 april 2003 is appellant over zijn bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hiertoe overweegt verweerder, samengevat, als volgt:

" Uit het I&R-register is gebleken dat van de runderen met de ID-codes NL 223068625, NL 223068632 en NL223068740, als afvoerdatum 19-04-2000 is geregistreerd. De runderen met de ID-codes NL 223068810, NL 247670110 hebben 26-04-2000 als afvoerdatum. Ten slotte hebben de runderen met de ID-codes NL 247669961 en NL 247670019 respectievelijk 10-06-2000 en 24-07-2000 als afvoerdatum. Als datum van de melding van afvoer van de betreffende runderen is in het I&R-register 23-10-2000 geregistreerd.

Uit het voorgaande blijkt dat de melding van afvoer van het bedrijf niet is gedaan binnen de in artikel 4.9, eerste lid, van de Regeling gestelde termijn van 25 dagen. Voor de bepaling of de melding niet is gedaan binnen 25 dagen na datum van afvoer van het bedrijf, heeft LASER bovendien nog 5 verwerkingsdagen extra in acht genomen. Gekeken is derhalve of de melding later heeft plaatsgevonden dan 30 dagen na datum van afvoer van het bedrijf. In uw geval is gebleken dat de melding heeft plaatsgevonden later dan 30 dagen na datum van afvoer van het bedrijf. Derhalve kan voor de betreffende runderen geen slachtpremie worden verstrekt.

Tijdens de hoorzitting van 8 april jl. geeft u aan dat de desbetreffende runderen zijn afgemeld bij CR-Delta via meldingsformulieren. Later bleek dat CR-Delta de meldingen pas op 23 oktober 2001 had gedaan. U geeft tijdens de hoorzitting aan hier geen verklaring voor te hebben. Uit een begeleidende brief van CR-Delta blijkt dat u op 18 oktober heeft gebeld. Men is er toen achter gekomen dat de in- en uitscharing niet verwerkt waren. Tegelijkertijd verklaart CR-Delta in deze brief dat zij hier eerder geen opdrachten voor hebben ontvangen.

Verder blijkt volgens u, uit de door u overgelegde stallijsten van C, dat de desbetreffende runderen wel binnen drie dagen zijn aangemeld. Dit vanwege het feit dat deze runderen op de stallijsten staan genoteerd. En deze stallijsten hebben allen een peildatum welke gelegen is binnen drie dagen na afvoer van uw bedrijf.

Echter, dat deze runderen op de stallijsten staan doet er niets aan af dat al deze runderen een te late afvoermelding hebben. Deze stallijsten hebben als verwerkingsdatum respectievelijk 31-01-2003 en 18-03-2003. Er wordt achteraf gekeken waar de desbetreffende runderen zich bevonden. Dit mede aan de hand van de meldingen van de producent. In uw situatie wordt aan de hand van de melding van 23-10-2000 genoteerd dat de betreffende runderen op 19-04-2000, 26-04-2000, 10-06-2000, en 24-07-2000 zijn afgevoerd naar het bedrijf van C. Aan de hand van deze stallijsten kan dus niet beoordeeld worden of de meldingen tijdig zijn gedaan. "

4. Het standpunt van appellant

Appellant voert ter motivering van zijn beroep het volgende aan.

Appellant is van mening dat hem ten onrechte slachtpremie is geweigerd voor de desbetreffende dieren.

" Ten eerste doordat de dieren niet zijn afgemeld, daardoor altijd op mijn naam zijn blijven staan. Het bewijs is de stallijst en ook het I&R-bewijs van 4 september 2000 van C. Ze staan dus correct op mijn naam.

Ten tweede u geeft aan dat de melding aan het I&R (dit om de slachtpremie te behouden) te laat is gedaan. Er is geen melddatum. Ik heb bewijs dat de dieren in 2000 bij mij op de stallijst staan. Ik heb zelfs bewijs dat ze niet op de stallijst van C voorkomen.

Ten derde de dieren werden bij C geweid. Ik had daar tien hectare grasland in gebruik, waar uitsluitend dieren van mij geweid werden.

Ten vierde: in uw "beslissing op bezwaar", Regeling Dierlijke EG-premie met kenmerk 02.4.0999 bladzijde 3. Hier trekt u de conclusie dat: "Ik verklaar uw bezwaren ongegrond " niet voorzien is van een handtekening. Dit is juridisch niet correct en daarom niet rechtsgeldig.

Terzijde: "Beslissing op bezwaar" was gedateerd op 23 juli 2003.

Ten vijfde: Ik wist op 23 oktober 2000 nog niet dat de gevolgen van aan en afmelding bij I&R de vormen gingen aannemen die ze nu hebben, namelijk de verwerking van de gegevens van de dieren voor de slachtpremie in latere jaren. De berichtgeving hierover was toen nog niet bekend. "

In zijn brief van 22 september 2003 voegt appellant hieraan toe:

" Punt vier: CR Delta was op 23 oktober 2000 niet op de hoogte van de Regeling dierlijke slachtpremie 2001.

Punt vier b: Dan had CR Delta mij kunnen uitleggen wat de gevolgen waren van de mutaties met name voor de slachtpremie.

Punt vijf: Ook als afdruk van bewijs stuur ik u toe de inventarisatielijst van de slachtpremie 2001. (…) "

In reactie op het arrest Schonewille-Prins stelt appellant desgevraagd dat dit arrest betrekking heeft op een situatie waarin een eigendomsoverdracht van runderen plaatsvond, terwijl appellant steeds eigenaar van de dieren is gebleven.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 7, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 juncto de artikelen 12 en 13 van de pvv-verordening diende appellant als houder van dieren binnen drie werkdagen melding te doen van onder meer de afvoer van dieren van het bedrijf.

5.2 Niet in geschil is dat de zeven afgewezen runderen op respectievelijk 19 april 2000, 26 april 2000, 10 juni 2000 en 24 juli 2000 van het bedrijf van appellant zijn afgevoerd om te worden geweid op het bedrijf van C, terwijl als verwerkings- en melddatum van de afvoer van deze zeven dieren 23 oktober 2000 is geregistreerd.

Ook indien rekening wordt gehouden met de door verweerder gehanteerde vijf verwerkingsdagen, dient de conclusie te zijn dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat appellant de afvoer van deze zeven dieren te laat heeft gemeld en voor deze dieren geen slachtpremie kan worden toegekend.

5.3 Het betoog van appellant dat hij CR-Delta Noord BV tijdig opdracht heeft gegeven om de afvoer van de desbetreffende dieren te melden, maar dat CR-Delta Noord BV heeft verzuimd om zijn opdracht uit te voeren, kan aan deze conclusie niet afdoen. Voorzover appellant de opvatting toegedaan is dat hij aan zijn meldingsplicht heeft voldaan door de afvoer van de onderhavige dieren te melden aan CR-Delta Noord BV overweegt het College dat de melding aan CR Delta Noord BV niet kan gelden als een melding aan het bevoegd gezag. Appellant blijft als houder zelf verantwoordelijk voor het tijdig melden van de afvoer van zijn dieren, zodat het niet tijdig melden door CR Delta Noord BV voor zijn rekening en risico dient te blijven.

5.4 Voorzover appellant meent dat een melding van afvoer van dieren slechts vereist is indien zij bij die verplaatsing van eigenaar veranderen, overweegt het College dat hiervoor geen grondslag aanwezig is in artikel 7, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 juncto de artikelen 12 en 13 van de pvv-verordening. Het gaat hierbij immers om alle verplaatsingen van dieren van en naar het bedrijf, ongeacht of die verplaatsingen gepaard gaan met een eigendomsoverdracht.

5.5 De stelling van appellant over onbekendheid van hemzelf en CR Delta Noord BV met de consequenties van de te late meldingen en de onderhavige regelgeving kan evenmin slagen. Degene die premies aanvraagt, dient op de hoogte te zijn van de toepasselijke regelgeving. Onbekendheid daarmee komt voor rekening en risico van de aanvrager.

5.6 Ten slotte stelt het College vast dat het bestreden besluit namens verweerder door de unitmanager van LASER is genomen en ondertekend. Er is, anders dan appellant kennelijk meent, geen reden aan te nemen dat het besluit niet rechtsgeldig is.

5.7 De conclusie is dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, mr. E.J.M. Heijs en mr. F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2008.

w.g. J.A. Hagen w.g. C.M. Leliveld