Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC8367

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
02-04-2008
Zaaknummer
AWB 05/100
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/100 26 maart 2008

14350 Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot

Uitspraak in de zaak van:

A B.V. (voorheen geheten B B.V.), te C, appellante,

gemachtigde: mr. M.J. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. H.J. 't Hart, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 2 februari 2005, die dezelfde dag bij het College is binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 december 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar tegen zijn besluit van 3 december 2001, zoals gewijzigd bij besluit van 17 februari 2003, beide op grond van de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot.

Bij besluit van 12 april 2005 heeft verweerder zijn eerdere besluit herzien. Verweerder heeft bij brief van 13 april 2005 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 30 juni 2005 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.

Op 21 oktober 2005 heeft het College een comparitie gehouden, waar namens verweerder mr. M.W. van Heumen, Unitmanager Juridische Zaken, is verschenen.

Bij besluit van 15 november 2005 heeft verweerder zijn eerdere besluiten tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift herzien en de bezwaren ongegrond verklaard.

Bij brief van 8 december 2005 heeft appellante naar aanleiding van het besluit van 15 november 2005 de gronden van het beroep aangevuld.

Bij besluit van 13 april 2007 heeft verweerder een nader besluit genomen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting op 25 april 2007 heeft het College het onderzoek heropend bij beslissing van 1 mei 2007.

Bij brief van 11 juni 2007 heeft appellante haar reactie gegeven op het nadere besluit van verweerder van 13 april 2007 en heeft zij de gronden van het beroep, voorzover nodig, aangevuld.

Bij brief van 14 augustus 2007 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2007, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot (hierna: de Wet) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Raadsverordening: Verordening nr. 718/1999 van de Raad van de Europese Unie van 29 maart 1999 betreffende het beleid ten aanzien van de capaciteit van de communautaire binnenvaartvloot met het oog op de bevordering van het vervoer over de binnenwateren (PbEG L 90);

b. Commissieverordening: Verordening nr. 805/1999 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 16 april 1999 tot vaststelling van een aantal bepalingen ter uitvoering van de Raadsverordening (PbEG L 102/64);

c. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

(…)

Artikel 4

Onze Minister legt, overeenkomstig het terzake bepaalde in de Commissieverordening, speciale bijdragen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, tweede gedachtenstreepje, van de Raadsverordening op (…). "

In de in artikel 1 van de Wet bedoelde Raadsverordening is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 2

1. Deze verordening is van toepassing op vrachtschepen en duwboten waarmee beroepsvervoer of eigen vervoer wordt verricht en die zijn geregistreerd in een lidstaat of, indien zij niet geregistreerd staan, door een in een lidstaat gevestigde onderneming worden geëxploiteerd.

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder “onderneming” verstaan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een ambachtelijke of industriële economische bedrijvigheid uitoefent.

(…)

Artikel 4

1. Voor het in de vaart brengen van onder deze verordening vallende schepen die nieuw, uit een derde land geïmporteerd, of van nationale waterwegen als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder a), b) of c), afkomstig zijn, geldt als voorwaarde (de “oud voor nieuw”-regeling) dat de eigenaar van het in de vaart te brengen schip:

- ofwel zonder een slooppremie te ontvangen tonnage laat slopen volgens een zo genoemde “verhouding” tussen de oude en nieuwe tonnage, die door de Commissie wordt vastgesteld;

- ofwel in het fonds waaronder zijn nieuwe schip ressorteert, of in een door hem overeenkomstig artikel 5, lid 2, gekozen fonds, een speciale bijdrage stort die is vastgesteld op basis van genoemde verhouding, of indien hij minder tonnage sloopt dan vereist volgens genoemde verhouding, het verschil in tonnage tussen het nieuwe schip en de gesloopte tonnage betaalt.

2. De verhouding kan worden gedifferentieerd naar gelang van de marktsectoren: drogeladingschepen, tankschepen en duwboten.

De verhouding wordt geleidelijk verlaagd, zodat zij zo spoedig mogelijk in gelijke etappes en uiterlijk op 29 april 2003 tot nul wordt teruggebracht.

Zodra de verhouding nul is geworden, wordt de regeling tot een waakmechanisme, dat alleen kan worden gereactiveerd bij ernstige verstoring van de markt, overeenkomstig artikel 6.

3. De eigenaar van het schip moet zijn speciale bijdrage betalen of de oude tonnage laten slopen:

- op het moment dat de order voor de bouw van het nieuwe schip wordt geplaatst of de invoervergunning wordt aangevraagd, op voorwaarde dat het schip binnen twaalf maanden daarna in de vaart wordt genomen, of

- op het moment dat het nieuwe of geïmporteerde schip daadwerkelijk in de vaart wordt gebracht.

Deze keuze van het moment moet kenbaar worden gemaakt op het moment dat de order wordt geplaatst of de vergunning voor de invoer van het schip wordt aangevraagd.

Het als compenserende tonnage voor de sloop aan te bieden schip moet zijn gesloopt voordat het nieuwe schip in de vaart wordt gebracht.

(…) "

De in artikel 1 van de Wet bedoelde Commissieverordening luidde op 5 juni 2001 onder meer als volgt:

" SPECIALE BIJDRAGEN

Artikel 2

1. De grootte van de speciale bijdragen voor de verschillende typen en categorieën schepen wordt op basis van 70 tot 115% van onderstaande tarieven bepaald:

- Droge ladingschepen:

- motorvrachtschepen: 120 EUR/ton,

- vrachtduwbakken: 60 EUR/ton,

- sleepvrachtschepen: 43 EUR/ton,

- Tankschepen:

- motortankschepen: 216 EUR/ton,

- tankduwbakken: 108 EUR/ton,

- sleeptankschepen: 39 EUR/ton.

- Duwboten:

180 EUR/kW, met een lineaire verhoging tot 240 EUR/kW voor een motorvermogen van 1000 kW of meer.

2. - Voor schepen met een laadvermogen van minder dan 450 ton worden de maximumtarieven van de in lid 1 bedoelde speciale bijdragen verlaagd met 30%.

- Voor schepen met een laadvermogen van 450 tot 650 ton worden de maximumtarieven van de speciale bijdragen verlaagd met 0,15% voor elke ton dat het laadvermogen van het schip minder dan 650 ton bedraagt.

- Voor schepen met een laadvermogen van 650 tot 1650 ton worden de maximumtarieven van de speciale bijdragen lineair verhoogd van 100 tot 115%; voor schepen met een laadvermogen van meer dan 1650 ton worden de maximumtarieven van de speciale bijdragen gehandhaafd op 115%.

(…)

“OUD VOOR NIEUW”- VERHOUDINGEN

Artikel 4

Met ingang van 29 april 1999 geldt voor het in de vaart brengen van schepen de in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 718/1999 vermelde voorwaarde:

1. Voor droge ladingschepen wordt de verhouding vastgesteld op 0,8 : 1

(verhouding tussen de oude en de nieuwe tonnage),

2. Voor tankschepen wordt de verhouding vastgesteld op 1,15 : 1.

3. Voor duwboten wordt de verhouding vastgesteld op 0,5 : 1. "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 6 april 1998 heeft verweerder in verband met het in de vaart brengen van het motorvrachtschip “D” - meetbrief HN 6666 afgegeven op 26 maart 1998 voor 4.520,371 ton - aan appellante oud-voor-nieuw verplichtingen opgelegd.

- Vanwege de indiening van nieuwe stabiliteitsberekeningen, heeft op 5 juni 2001 een hermeting van de “D” plaatsgevonden. De meetbrief HN 8373 geeft aan dat het maximale laadvermogen 5.175,048 ton is.

- Op basis van de toename van het laadvermogen met afgerond 655 ton heeft verweerder aan appellante bij besluit van 3 december 2001 oud-voor-nieuw verplichtingen opgelegd, die op grond van de toegepaste oud-voor-nieuw verhouding zijn berekend op 523,742 ton.

- Tegen laatstgenoemd besluit heeft appellante bij brief van 3 januari 2002 bezwaar gemaakt.

- Op 10 juli 2002 is appellante omtrent het bezwaar gehoord.

- Het besluit is herzien op 17 februari 2003 in verband met de inbreng van compenserende tonnages van de gesloopte schepen “E” en “F”, waardoor nog een bedrag van € 35,65 te betalen bleef.

- Tegen dit besluit heeft appellante aanvullende gronden van bezwaar ingediend bij brief van 27 februari 2003, waarbij zij tevens heeft verzocht om toekenning van schadevergoeding.

- Bij besluit van 23 december 2004 heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit, de herziene besluiten van 12 april 2005 en 15 november 2005 en het nadere besluit van 13 april 2007

Bij het bestreden besluit, evenals bij het gewijzigde besluit van 12 april 2005, heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard.

Bij het gewijzigde besluit van 15 november 2005 heeft verweerder, onder intrekking van zijn besluit van 12 april 2005, de op appellante rustende verplichtingen opnieuw berekend. Anders dan in het besluit van 27 februari 2003 heeft hij van de gesloopte schepen niet hun compensatiewaarde in aanmerking genomen en dit in aftrek gebracht op de te betalen bijdrage, maar heeft hij de gesloopte tonnen in aftrek gebracht van de in de vaart gebrachte tonnage. Resultaat van de berekening is dat appellante nog een tegoed heeft aan compenserende tonnage (motorvrachtschepen) van 110,340 ton.

Bij het nadere besluit van 13 april 2007 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding afgewezen onder meer op grond dat appellante aan verweerder wettelijke rente verschuldigd is.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter onderbouwing van het beroep, voorzover ter zitting gehandhaafd, het volgende aangevoerd.

Bij besluit van 6 april 1998 heeft verweerder onder de oude Verordening (EEG) nr. 1101/89 van de Raad van 27 april 1989 (hierna: de oude Raadsverordening) in verband met het in de vaart brengen van de “D” reeds oud-voor-nieuw verplichtingen opgelegd, welke appellante heeft voldaan. Dit besluit heeft formele rechtskracht. Verordening (EG) nr. 718/1999 van de Raad van 29 maart 1999 (hierna: de Raadsverordening) biedt geen basis voor het nogmaals opleggen van oud-voor-nieuw verplichtingen in verband met de hermeting van de “D”. Dit schip was ten tijde van de inwerkingtreding van de Raadsverordening reeds in de vaart gebracht en behoorde dus tot de bestaande binnenvaartvloot. Derhalve behoefde appellante niet aan de opgelegde verplichting te voldoen.

Dit betekent dat verweerder ten onrechte het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen. Appellante verlangt vergoeding van de volledige aankoopprijs van de sloopschepen, waarmee zij aan de opgelegde verplichting heeft voldaan. Appellante stelt dat de schade in verband hiermede € 29.620,-- bedraagt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2003 tot de dag der voldoening. Tevens vordert zij terugbetaling van € 35,65 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2003.

Subsidiair bedraagt de schadevergoeding € 8.827,72, het bedrag dat appellante heeft betaald voor het tegoed aan slooptonnage van 110,340 ton, exclusief wettelijke rente.

Appellante stelt voorts vast dat verweerder de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft overschreden. Appellante heeft steeds de proceshandelingen binnen de daarvoor gegeven termijn verricht, terwijl verweerder uiterst traag heeft gehandeld zonder dat daartoe reden was. Illustratief is de late herziening van het besluit kort voor de zitting van 25 april 2007, wat tot een vertraging van ongeveer 10 maanden heeft geleid.

Primair dient de Staat der Nederlanden in zijn vordering op appellante niet-ontvankelijk te worden verklaard en subsidiair dient de appellante opgelegde oud-voor-nieuw verplichting verregaand te worden gematigd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Nu appellantes bezwaar bij besluit van 15 november 2005 alsnog ontvankelijk is verklaard en enig belang bij een beoordeling van het beroep tegen het oorspronkelijk bestreden besluit van 23 december 2004, zoals herzien bij het besluit van 12 april 2005, gesteld noch gebleken is, is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.

Met betrekking tot het beroep, dat ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) mede is gericht tegen de herziene beslissing op bezwaar van 15 november 2005, overweegt het College als volgt.

5.2 Het College verwerpt het betoog van appellante dat haar in verband met de hermeting van de “D” geen oud-voor-nieuw verplichtingen kunnen worden opgelegd, omdat met betrekking tot dit schip reeds in 1998 onder de op 28 april 1999 afgelopen oude Raadsverordening dergelijke verplichtingen zijn opgelegd.

Vaststaat dat de “D” blijkens de meetbrief van 26 maart 1998, met een laadvermogen van 4.520,371 ton in de vaart is gebracht en dat het laadvermogen blijkens de meetbrief van 5 juni 2001 is vastgesteld op 5.175,048 ton. Over het aan de binnenvaartvloot toegevoegde extra laadvermogen van 523,742 ton heeft verweerder terecht oud-voor-nieuw verplichtingen berekend en aan appellante opgelegd. Daarbij is niet van belang dat ook onder de oude Raadsverordening verplichtingen zijn opgelegd gebaseerd op het destijds nieuw in de vaart gebrachte laadvermogen. De Verordeningen hebben immers elk een eigen toepassingsbereik.

Het College heeft in zijn uitspraak van 21 november 2006 inzake AWB 05/316 (www.rechtspraak.nl., LJN: AZ3841) geoordeeld dat de Raadsverordening ruimte laat voor oplegging van oud-voor-nieuw verplichtingen als tijdens de looptijd ervan met hetzelfde schip nog weer extra laadvermogen aan de binnenvaartvloot wordt toegevoegd. Dit oordeel wordt niet anders in het geval het schip tijdens de looptijd van de oude Raadsverordening in de vaart is gebracht.

Ingevolge artikel 4 van de Raadsverordening rust op de eigenaar van een schip waarmee laadvermogen aan de binnenvaartvloot wordt toegevoegd de plicht om oud-voor-nieuw verplichtingen te voldoen. Daarbij speelt geen rol of het laadvermogen is toegenomen als gevolg van constructieve of andere aanpassingen. Het beroep van appellante op het ontbreken van de bij onderijking gebruikelijke waarschuwing in het besluit van 6 april 1998 kan reeds daarom niet slagen.

5.3 Het College kan het betoog van appellante niet onderschrijven dat in het onderhavige geval is gehandeld in strijd met artikel 6 EVRM, omdat niet binnen een redelijke termijn op het bezwaar en het beroep van appellante is beslist.

Het College overweegt hiertoe dat het tijdsverloop tussen het moment van hermeting van de “D” (5 juni 2001) en het primaire besluit (3 december 2001) niet onredelijk lang is. De periode tot aan het besluit van 17 februari 2003 heeft appellante benut door slooptonnen aan te kopen, waarvan appellante voordeel heeft gehad. De periode van bezwaar en beroep tot de onderhavige uitspraak wordt gekenmerkt door procesincidenten, zoals nadere besluiten als gevolg van jurisprudentie van het College en de afhandeling van het verzoek om schadevergoeding. Dit in aanmerking nemend kan de duur van de procedure niet als onredelijk lang worden beschouwd.

5.4 Ten aanzien van de afwijzing in het nadere besluit van 13 april 2007 van de door appellante gevorderde schadevergoeding, overweegt het College als volgt.

Blijkens de stukken heeft appellante op 13 november 2002 slooptonnen, afkomstig van de sloop van de stalen duwbak “F”, aangekocht ter voldoening van een gedeelte van de haar opgelegde speciale bijdrage in verband met de hermeting van de “D”. Vaststaat dat 110,340 ton van het aldus gekochte slooptonnage nodeloos is aangekocht, enkel ter voldoening aan de door verweerder in zoverre ten onrechte opgelegde verplichting.

De teveel gekochte tonnen hebben per stuk € 46,71 gekost, exclusief BTW.

De door appellante tengevolge van onrechtmatige besluitvorming van verweerder geleden schade laat zich dan ook als volgt berekenen: 110,340 maal 46,71 = € 5.153,98, vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 13 november 2002 (zijnde de datum van aankoop van het slooptonnage) tot en met de dag van de uitspraak. Dit leidt tot een bedrag van

€ 6.682,53.

Daarnaast heeft appellante tengevolge van het besluit van 17 februari 2003 een bedrag van € 35,65 onverschuldigd aan verweerder betaald op 24 februari 2003, wat vermeerderd met de wettelijke rente tot en met de dag van de uitspraak leidt tot een bedrag van € 45,34. In totaal bedraagt de schade voor appellante derhalve € 6.727,87.

Eveneens staat vast dat appellante gedurende de periode van 3 december 2001 (zijnde de datum van het besluit waarbij de speciale bijdrage is opgelegd) tot 17 februari 2003 (zijnde de datum van het besluit waarin is vastgesteld dat appellante aan haar oud-voor-nieuw verplichtingen heeft voldaan) het bedrag dat zij per 3 december 2001 verschuldigd was, zijnde

€ 72.276,40, verzuimd heeft tijdig aan de Staat te betalen. De renteschade die de Staat hierdoor heeft geleden bedraagt

€ 6.244,81.

Bij deze stand van zaken acht het College gronden aanwezig voor een door de Staat te betalen schadevergoeding ter grootte van het verschil van beide bedragen, te weten € 483,06.

Verweerder heeft aangevoerd dat op de aldus berekende schadevergoeding een bedrag in mindering moet worden gebracht vanwege het feit dat de slooptonnen waarmee appellante aan haar verplichting heeft voldaan in november 2002 aanzienlijk goedkoper konden worden gekocht dan op het tijdstip waarop het extra laadvermogen in de vaart werd genomen en eigenlijk aan de verplichting had moeten worden voldaan. Het College volgt verweerder hierin niet.

Door wettelijke rente aan appellante te berekenen over de periode waarover te laat is “betaald”, is verweerder gecompenseerd voor de vertraging in de voldoening aan de verplichting door appellante. Er is geen grond om vervolgens appellante tevens gehouden te achten om het voordeel dat zij uit de vertraging geniet – doordat inmiddels kennelijk de prijs van slooptonnen is gedaald – aan verweerder ten goede te laten komen.

Verweerder heeft verder een vermindering van de schadevergoeding bepleit, omdat minder vennootschapsbelasting zal zijn afgedragen, nu het bedrag, gemoeid met de aankoop van slooptonnen, in mindering kan worden gebracht op de belastbare winst. Nu appellante heeft ontkend dat zulks is geschied en verweerder niets concreets heeft aangedragen om zijn veronderstelling te onderbouwen, ziet het College ook op dit punt geen aanleiding tot verlaging van de schadevergoeding.

5.5 Het vorenstaande brengt mee dat de grieven van appellante tegen de oplegging van oud-voor-nieuw verplichtingen bij het besluit van 15 november 2005 niet slagen. Dit besluit kan in stand blijven en het daartegen gerichte beroep moet derhalve ongegrond worden verklaard.

Het beroep tegen het nadere besluit van 13 april 2007, waarbij het verzoek om schadevergoeding is afgewezen, wordt gegrond verklaard en het College zal zelf in de zaak voorzien door de schadevergoeding op het hiervoor berekende bedrag van € 483,06 te bepalen.

5.6 Verweerder heeft pas na het instellen van het beroep inhoudelijk op het bezwaar van appellante beslist. Bovendien is het beroep tegen het nadere besluit van 13 april 2007 gegrond. Het College ziet hierin aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellante. Deze kosten worden op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1,5 punt voor het verschijnen ter zitting en ter nadere zitting, met wegingsfactor 1 met een gemiddeld gewicht, ad € 322,-- per punt).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 23 december 2004 en tegen het gewijzigde besluit van 12 april 2005

niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 november 2005 ongegrond;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 13 april 2007 gegrond;

- vernietigt dit besluit voorzover het verzoek om schadevergoeding is afgewezen;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe tot een bedrag van € 483,06 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het vernietigde gedeelte van het besluit van 13 april 2007;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 805,-- (zegge: achthonderdenvijf euro),

onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat aan appellante vergoedt het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,-- (zegge:

tweehonderddrieënzeventig euro).

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. F. Stuurop en mr. H.O. Kerkmeester, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2008.

w.g. C.J. Borman w.g. C.M. Leliveld