Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC8242

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
01-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/501
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 07/501 21 februari 2008

5134 Regeling GLB-inkomenssteun

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. C.E.B. Haazen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft op 6 juli 2007 beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 25 mei 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 juni 2006 van verweerder op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun (hierna: de Regeling) inzake appellantes aanvraag om premie voor het aanhouden van mannelijke runderen (hierna: stierenpremie).

Bij brief van 28 augustus 2007 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Bij brief van 4 oktober 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 7 februari 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante werd vertegenwoordigd door A, bijgestaan door zijn zwager D. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 138 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt:

" Alleen dieren die geïdentificeerd en geregistreerd zijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1760/2000 komen in aanmerking voor rechtstreekse betalingen overeenkomstig dit hoofdstuk. "

Artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad luidt, voorzover hier van belang:

"1. Elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders:

- houdt een register bij,

- stelt, zodra het gecomputeriseerde gegevensbestand volledig operationeel is, de bevoegde autoriteit binnen een door de lidstaat vastgestelde termijn, die zich uitstrekt over drie tot zeven dagen, in kennis van alle verplaatsingen van en naar het bedrijf en van elke geboorte of sterfte van een dier op het bedrijf, samen met de data waarop een en ander heeft plaatsgevonden.

(…)

4. Het register wordt handmatig of door middel van een computer bijgehouden in een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde vorm en moet te allen tijde en gedurende een door de bevoegde autoriteit vast te stellen periode van ten minste drie jaar ter beschikking worden gehouden van de bevoegde autoriteit, die op haar verzoek inzage krijgt. "

Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt, voorzover hier van belang:

"Artikel 2 - Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

23. "geconstateerd dier": een dier waarvoor aan alle in de voorschriften voor de toekenning van de steun gestelde voorwaarden is voldaan;

(…)

Artikel 35 - Onderdelen van de controles ter plaatse

1. De controles ter plaatse hebben betrekking op alle dieren waarvoor op grond van de te controleren steunregelingen steunaanvragen zijn ingediend en, wat de steunregelingen voor rundvee betreft, ook op runderen waarvoor geen steun is aangevraagd.

2. De controles ter plaatse omvatten met name:

a) (…)

b) wat de steunregelingen voor rundvee betreft:

- (….)

- steekproefcontroles om na te gaan of de informatie in het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen overeenstemt met die in het register, ten aanzien van de dieren waarvoor steunaanvragen zijn ingediend in de 12 maanden vóór de controle ter plaatse,

(…)

Artikel 57 - Berekeningsgrondslag

1. Wanneer een individueel maximum geldt, wordt het in de steunaanvragen aangegeven aantal dieren verlaagd tot het voor de betrokken landbouwer vastgestelde maximum.

2. In geen geval kan steun worden toegekend voor een groter aantal dieren dan het in de steunaanvraag aangegeven aantal.

3. Onverminderd de artikelen 59 en 60 wordt, indien het in een steunaanvraag aangegeven aantal dieren groter is dan het bij administratieve controles of controles ter plaatse geconstateerde aantal, de steun berekend op basis van het geconstateerde aantal dieren. (…)

Artikel 59 - Kortingen en uitsluitingen ten aanzien van runderen waarvoor

steun is aangevraagd

1. (…)

2. (…)

Is het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage hoger dan 20%, dan wordt voor de betrokken premieperiode de steun waarop de landbouwer overeenkomstig artikel 57, lid 3, in het kader van die regelingen aanspraak zou kunnen maken, geweigerd.

Is het overeenkomstig lid 3 van het onderhavige artikel bepaalde percentage hoger dan 50%, dan wordt de landbouwer bovendien nogmaals van steun uitgesloten voor het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen het aangegeven aantal dieren en het overeenkomstig artikel 57, lid 3, geconstateerde aantal dieren. (…)

3. Voor de bepaling van de in de leden 1 en 2 bedoelde percentages wordt, uitgaande van de runderen waarvoor gedurende de betrokken premieperiode in het kader van alle steunregelingen voor rundvee samen genomen steun is aangevraagd, het aantal van die runderen waarvoor onregelmatigheden zijn vastgesteld, gedeeld door het totale aantal voor die premieperiode geconstateerde runderen.

(…) "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 30 augustus 2005 heeft verweerder van appellante een aanvraag stierenpremie ontvangen voor 25 dieren.

- Op 20 en 21 oktober 2005 en 1 november 2005 is op het bedrijf van appellante een controle ter plaatse uitgevoerd. Aan de controleur is noch op 20 oktober 2005 noch op 21 oktober 2005 het bedrijfsregister getoond. Pas op 1 november 2005 heeft de controleur het bedrijfsregister ter inzage gekregen.

- Bij besluit van 2 juni 2006 heeft verweerder appellantes aanvraag om stierenpremie afgewezen en is appellante bovendien uitgesloten van premie (€ 5.250,--).

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 12 juli 2006 bezwaar gemaakt.

- Op 5 april 2007 is appellante over haar bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag om stierenpremie gehandhaafd en het uitsluitingsbedrag verlaagd tot € 3.132,--. Hiertoe heeft verweerder, samengevat, het volgende overwogen.

Tijdens de fysieke controle op 20 oktober 2005 en 21 oktober 2005 heeft de controleur van de AID geconstateerd dat appellante geen bedrijfsregister voor runderen kon tonen. Pas op 1 november 2005 was appellante in staat een handmatig ingevuld bedrijfsregister te tonen.

In bezwaar heeft appellante aangegeven dat zij op 21 oktober 2005 vanwege een verhuizing geen bedrijfsregister kon tonen. Aldus staat vast dat appellante ten tijde van de fysieke controle op 21 oktober 2005 geen bedrijfsregister voor runderen kon tonen. Daarmee is niet voldaan aan Verordening (EG) nr. 1760/2000 en ook niet aan artikel 19 van de Regeling identificatie en registratie van dieren 2003. Dat appellante pas op 1 november 2006, dus na de eerste controles, alsnog het bedrijfsregister heeft kunnen tonen, doet niet af aan de constatering die op de dag van de controles is gedaan ten aanzien van het register. Voor de beoordeling of ten tijde van de controle een bedrijfsregister is aangetroffen, is het moment van het controlebezoek bepalend. Een doelmatige opsporing van de dieren en diergegevens moet ten tijde van de controle mogelijk zijn. Een verhuizing kan niet worden gezien als een omstandigheid waardoor appellante niet in staat zou zijn om aan de voorgeschreven verplichting te voldoen. Indien het bedrijfsregister zich niet op het bedrijf bevindt, is het appellantes eigen verantwoordelijkheid dat zij dit ter plekke bij de controle kan laten zien.

Het ontbreken van het bedrijfsregister levert een ernstige inbreuk op de voorschriften inzake identificatie en registratie op, omdat daardoor het in de Verordening (EG) nr. 3508/1992 bedoelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem niet kan functioneren en een doeltreffend beheer van de communautaire steunregelingen onmogelijk wordt. Een dergelijke situatie moet worden uitgelegd als een verhindering door het bedrijfshoofd van een controle ter plaatse, waartoe wordt verwezen naar een uitspraak van het College van 18 maart 2005 (AWB 04/372, <www.rechtspraak.nl>, LJN AT1731). De aanvraag waarop de fysieke controle betrekking heeft, diende aldus te worden afgewezen op grond van artikel 23, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004.

Ten aanzien van de opgelegde sanctie stelt verweerder dat de 25 mannelijke runderen waarvoor appellante premie heeft aangevraagd, gelet op het ontbreken van het bedrijfsregister ten tijde van de controle, op dat moment niet eenvoudig en doelmatig konden worden gecontroleerd en derhalve onregelmatig waren. Hieruit volgt dat er in het premiejaar 2005 voor 25 runderen niet aan de voorwaarden is voldaan, waardoor deze runderen als niet geconstateerd moeten worden beschouwd.

Het afwijkingspercentage wordt berekend over de geconstateerde dieren die er in het geval van appellante niet zijn. Op grond van artikel 59, derde lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 bedraagt het afwijkingspercentage 100.

Dit percentage is hoger dan 20, waardoor gelet op artikel 59, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 de aanvraag geweigerd diende te worden. Het percentage is tevens hoger dan 50 waardoor verweerder terecht tot uitsluiting van premie heeft besloten. In de beslissing van 20 oktober 2006 is echter abusievelijk uitgegaan van het nominale bedrag per dier in plaats van het reële premiebedrag per dier. Het uitsluitingsbedrag wordt derhalve gewijzigd van € 5.250,-- naar € 3.132,--.

De uitkering van premies op grond van de Regeling is gebaseerd op communautaire regels van de Europese Unie. Hierin wordt niet toegestaan dat verweerder afwijkt van het sanctiestelsel zoals dat is vastgelegd in de Verordeningen. Verweerder heeft bij de uitvoering van deze regelgeving derhalve niet de bevoegdheid een andere beslissing te nemen, dan die is voorgeschreven in de genoemde regelgeving. In de Europese regelgeving is rekening gehouden met de proportionaliteit. Dit betekent dat de hoogte van de sanctie afhankelijk is van de ernst van de onregelmatigheid en het aantal dieren waarbij onregelmatigheden is vastgesteld.

Van een landbouwer die premie aanvraagt, mag worden verwacht dat deze op de hoogte is van de aan de aanvraag verbonden voorwaarden. Met het ondertekenen van de verschillende premieaanvragen heeft appellante verklaard kennis te hebben genomen van en in te stemmen met de voorwaarden en verplichtingen zoals vermeld in de Regeling en heeft zij verklaard bekend te zijn met de communautaire regelgeving. Een beroep op onbekendheid met een voorwaarde uit de Regeling en de verordeningen kan alleen daarom al niet slagen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft, samengevat, het volgende aangevoerd.

Het besluit van 25 mei 2007 is genomen op verkeerde gronden. De werkelijke situatie is niet juist weergegeven in het bestreden besluit.

Het bedrijfsregister was wel aanwezig ten tijde van de controle, maar door omstandigheden, waaronder de ziekte van vader E en de interne verhuizing op het bedrijf, was het kwijt.

Appellante zou beter hebben gezocht en er zeker voor hebben gezorgd dat de controleur het bedrijfsregister tijdig te zien zou hebben gekregen, als zij had geweten wat de consequenties zijn van het niet tijdig tonen ervan.

E is ten onrechte als bedrijfshoofd aangezien tijdens de controle op 20 oktober 2005. Dat E, die slechts op het bedrijf woont, niet wist waar het bedrijfsregister zich bevond, kan appellante niet worden verweten. Geen van beide maten was op 20 oktober 2005 op het bedrijf aanwezig.

Daarnaast is de sanctie veel te hoog ten opzichte van de gestelde feiten.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Vaststaat en tussen partijen is niet in geschil dat tijdens de controle ter plaatse op appellantes bedrijf op 20 en 21 oktober 2005 geen bedrijfsregister aan de controleur is getoond.

Daarmee heeft appellante niet voldaan aan het vereiste van artikel 7, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 dat het bedrijfsregister te allen tijde ter beschikking moet worden gehouden van de bevoegde autoriteit, die op haar verzoek inzage krijgt.

5.2 Dat het bedrijfsregister, zoals appellante heeft gesteld, ten tijde van de controle wel op het bedrijf aanwezig was, maar kwijt was, dient voor haar rekening en risico te blijven. Hetzelfde geldt voor appellantes stelling dat zij er zeker voor zou hebben gezorgd dat de controleur het bedrijfsregister tijdig te zien zou hebben gekregen, als zij zou hebben geweten wat de consequenties zijn van het niet tijdig tonen ervan. Verweerder heeft terecht overwogen dat de landbouwer die premies aanvraagt zich op de hoogte dient te stellen van de toepasselijke regelgeving.

Appellantes stelling dat haar niet kan worden verweten dat op 20 oktober 2005 geen bedrijfsregister aan de controleur is getoond omdat vader E geen deel uitmaakt van appellantes bedrijf, kan haar reeds niet baten, nu ook op 21 oktober 2005, toen appellantes maat A op het bedrijf aanwezig was, geen bedrijfsregister aan de controleur is getoond.

5.3 Omdat appellante niet heeft voldaan aan artikel 7, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000, konden de 25 runderen waarvoor appellante in 2005 stierenpremie had aangevraagd niet als geconstateerde dieren in de zin van artikel 2, onder 23, van Verordening (EG) nr. 796/2004 worden aangemerkt. Hierdoor was verweerder ingevolge artikel 59, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 verplicht om appellantes aanvraag af te wijzen en appellante bovendien een uitsluiting op te leggen.

5.4 Appellantes standpunt dat de financiële gevolgen van het bestreden besluit onevenredig zijn, kan haar evenmin baten. De door verweerde toegepaste sancties vloeien rechtstreeks voort uit artikel 59 van Verordening (EG) nr. 796/2004. Dit artikel voorziet in een naar de ernst van de geconstateerde onregelmatigheid gedifferentieerd sanctiestelsel. Dit stelsel is, gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake vergelijkbare bepalingen in Verordening (EEG) nr. 3887/92 (arrest van 17 juli 1997, zaak C-354/95, National Farmers Union, Jur. I-04559), niet strijdig met het evenredigheidsbeginsel.

5.5 Het beroep dient, gelet op het voorgaande, ongegrond te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2008.

w.g. E.J.M. Heijs w.g. C.M. Leliveld