Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC7466

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-03-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
AWB 07/929
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Kaderwet EZ-subsidies

Subsidieregeling opwekken duurzame electriciteit in vergistingsinstallaties

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/929 20 maart 2008

27307 Kaderwet EZ-subsidies

Subsidieregeling opwekken duurzame electriciteit

in vergistingsinstallaties

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. W. Frankema, werkzaam bij Accon Avm Juridisch Advies B.V. te Leeuwarden,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. C. Cromheecke en J.O.R. ten Haven, werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 30 november 2007, bij het College binnengekomen op 3 december 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 22 oktober 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant, gericht tegen een besluit van verweerder van 20 augustus 2007 waarbij een eerder bezwaar van appellant gegrond was verklaard en een aanvraag van appellant in het kader van de Subsidieregeling opwekken duurzame elektriciteit in vergistingsinstallaties (hierna: Regeling) alsnog was toegewezen,

niet-ontvankelijk verklaard.

Voorts heeft appellant bij voornoemde brief van 30 november 2007 een verzoek om voorlopige voorziening respectievelijk een verzoek om versnelde behandeling ingediend. Nadat het College het verzoek om versnelde behandeling had toegewezen, heeft appellant het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken.

Bij brief van 20 december 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Op 24 januari 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is, voor zover hier van belang, onder meer het volgende bepaald:

“ Artikel 7:1

1. Degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij het besluit:

a. op bezwaar (…) is genomen,

(…).

2. Tegen de beslissing op het bezwaar kan beroep worden ingesteld (…).”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij een daartoe bestemd formulier, gedateerd 19 december 2006, heeft appellant een aanvraag gedaan tot subsidieverlening op grond van de Regeling.

- Bij besluit van 27 februari 2007 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 5 april 2007 bezwaar gemaakt.

- Bij besluit van 20 augustus 2007 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de aanvraag van appellant ingewilligd.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 7 september 2007, bij verweerder binnengekomen op 10 september 2007, bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant, gericht tegen zijn besluit van 20 augustus 2007, niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daaraan de overweging ten grondslag gelegd dat het besluit van 20 augustus 2007 een beslissing op het bezwaarschrift van appellant van 5 april 2007 betreft. Ingevolge de Awb is het niet mogelijk om bezwaar te maken tegen een beslissing op bezwaar.

4. Het standpunt van appellant

Appellant voert aan dat het weliswaar juist is dat tegen een beslissing op bezwaar niet wederom bezwaar kan worden gemaakt, maar dat hij ten onrechte niet is gehoord over de voorgenomen toekenning van de gevraagde subsidie, welke toekenning bij de beslissing op bezwaar van 20 augustus 2007 heeft plaatsgevonden. Bovendien heeft verweerder in dat besluit ten onrechte nagelaten bij de gegrondverklaring van het bezwaar de verzochte vergoeding van de kosten van bezwaar toe te kennen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt vast dat het besluit van verweerder van 20 augustus 2007 een beslissing behelst op het bezwaar van appellant tegen verweerders beslissing van 27 februari 2007. Ingevolge artikel 7:1, eerst lid, aanhef en onder a, Awb gelezen in samenhang met het tweede lid van deze bepaling staat tegen een dergelijk besluit niet opnieuw bezwaar open bij verweerder, maar kan daartegen slechts beroep worden ingesteld bij een administratieve rechter, in dit geval het College. Gelet hierop heeft verweerder het bezwaar van appellant gericht tegen zijn besluit van 20 augustus 2007 terecht niet-ontvankelijk verklaard. In de door appellant aangevoerde gronden met betrekking tot het horen en de vergoeding van de kosten van bezwaar ziet het College geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze gronden betreffen de rechtmatigheid van het besluit van 20 augustus 2007 en kunnen geen verandering brengen in het systeem van de Awb. In het kader van de beroepsprocedure bij het College (AWB 07/677) met betrekking tot het besluit van 20 augustus 2007 kunnen deze gronden aan de orde komen.

5.2 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. J.L.W. Aerts en mr. M. van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. A. Douwes als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2008.

w.g. C.M. Wolters w.g. A. Douwes