Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC6530

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
AWB 07/538
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Tegemoetkoming ex art. 86

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 22, geldigheid: 2008-03-11
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 86, geldigheid: 2008-03-11
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 87, geldigheid: 2008-03-11
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 88, geldigheid: 2008-03-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/538 11 maart 2008

11249 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Tegemoetkoming ex art. 86

Uitspraak in de zaak van:

Pluimveehouderij A B.V., te B, appellante,

gemachtigde: ing. P.J. Houtsma, werkzaam bij Houtsma Bedrijfsadvies te Deventer,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. K.A. van Dartel, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 23 juli 2007, bij het College binnengekomen op diezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 juni 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante gericht tegen zijn besluit van 9 december 2005. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder op basis van artikel 86 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) de door appellante te ontvangen tegemoetkoming in de door haar als gevolg van maatregelen ter bestrijding van Aviaire Influenza (hierna: AI) geleden schade definitief vastgesteld.

Bij brief van 16 augustus 2007 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Bij brief van 20 september 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft hierop bij brief van 16 november 2007 gereageerd. Verweerder heeft vervolgens bij brief van 5 december 2007 een reactie ingediend.

Op 18 december 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij zijn verschenen de gemachtigden van partijen en voorts namens appellante de heer C en namens verweerder drs. J. Baaij, senior toezichthoudend dierenarts bij de Voedsel en Warenautoriteit.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De voor de beoordeling van het geschil van belang zijnde bepalingen van de Gwd luidden ten tijde hier van belang als volgt:

"Artikel 22

1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:

(…)

f. het doden van zieke en verdachte dieren;

g. het onschadelijk maken van gedode of gestorven, zieke en verdachte dieren, en van produkten en voorwerpen, die besmet zijn of ervan worden verdacht gevaar op te leveren voor verspreiding van smetstof;

(…)

Artikel 86

1. Uit het Diergezondheidsfonds wordt aan de eigenaar een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd, indien:

a. dieren krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel f, worden gedood;

b. produkten en voorwerpen krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid,

onderdeel g, onschadelijk worden gemaakt;

(…).

2. De tegemoetkoming in de schade bedraagt:

a. voor verdachte dieren: de waarde in gezonde toestand,

b. voor zieke dieren: het bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gedeelte van de waarde in gezonde toestand,

c. voor produkten en voorwerpen: de waarde op het moment van de maatregel (…).

(…)

Artikel 87

Alvorens dieren op grond van artikel 22, eerste lid, onderdeel f, worden gedood of producten en voorwerpen op grond van artikel 22, eerste lid, onderdeel g, onschadelijk worden gemaakt (…), wordt de waarde daarvan vastgesteld.

Artikel 88

(…)

2. De in artikel 87 bedoelde waardevaststelling geschiedt door een beëdigd deskundige, welke wordt aangewezen door Onze Minister.

3. Indien Onze Minister of de eigenaar of diens gemachtigde geen genoegen neemt met de waardevaststelling verzoekt Onze Minister de kantonrechter in het kanton waar de dieren, bedoeld in artikel 87, zijn gedood of produkten en voorwerpen, bedoeld in dat artikel, onschadelijk zijn gemaakt (…), drie beëdigde deskundigen te benoemen, waaronder de krachtens het tweede lid aangewezen deskundige.

4. Indien over de waardevaststelling geen overeenstemming wordt bereikt, geldt het bedrag dat het gemiddelde is van de verschillende waarderingen. (…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Naar aanleiding van maatregelen als bedoeld in artikel 22 Gwd in verband met een uitbraak van AI in Nederland, heeft op het bedrijf van appellante conform artikel 87 Gwd op 26 maart 2003 een taxatie plaatsgevonden van de waarde van de dieren, de waarde van het voer en eieren en de waarde van de overige besmette of van besmetting verdachte producten en voorwerpen.

- Bij brief van 23 april 2003 heeft verweerder, onder correctie van de waarden opgegeven op het taxatieformulier, de waarde van de dieren en producten vastgesteld op € 306.397,49 (incl. BTW).

- Bij brief van 24 april 2003 heeft appellante aan verweerder te kennen gegeven het niet eens te zijn met de waardevaststelling. Hierop heeft verweerder bij brief van 25 april 2003 aan appellante bericht dat de kantonrechter verzocht zal worden taxateurs voor een hertaxatie te benoemen.

- Bij brief van 8 augustus 2003 heeft verweerder appellante bericht dat zij naar aanleiding van een in overleg met de pluimveesector vastgestelde wijziging van de waarderingsgrondslagen voor taxatie, een aanvullende tegemoetkoming voor de producten en voorwerpen van € 30.962,87 (excl. BTW) zal doen mits appellante haar verzoek om hertaxatie intrekt.

- Bij brief van 4 februari 2005 heeft verweerder appellante geïnformeerd over de resultaten van de pilot hertaxaties die in overleg met vertegenwoordigers van de pluimveesector in 2004 is gehouden en op basis waarvan is besloten dat op bepaalde onderdelen (eierstaffel en/of productiestaffel) geen hertaxaties meer zullen worden uitgevoerd, dan wel niet langer nodig zijn voor het verkrijgen van een vergoeding (entingen die aangetoond kunnen worden aan de hand van entkaarten). Voorts heeft verweerder bericht dat, indien appellante besluit de hertaxatie voort te zetten, het traject daartoe gestart zal worden in de vorm van een verzoek aan de kantonrechter tot benoeming van drie taxateurs.

- Op 3 oktober 2005 heeft een hertaxatie plaatsgevonden van de waarde van de dieren, de waarde van het voer en de eieren en de waarde van de overige besmette of van besmetting verdachte producten en voorwerpen.

- Bij besluit van 9 december 2005 heeft verweerder de tegemoetkoming definitief vastgesteld op € 327.090,49 (incl. BTW) en het resterende te ontvangen bedrag op € 50.484,57 (excl. BTW)

- Bij brief van 17 januari 2006 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft appellante aan verweerder verstrekt een entkaart (opgesteld door D’s Opfokbedrijven B.V.), een tweetal afleverings- en meldingsformulieren pluimvee waarop enting van de afgeleverde dieren met SE en ST is vermeld, een rekening van eiertrays en een drietal afrekeningen de dato 21 en 28 februari 2003 van eiergroothandel E (te Duitsland) waarop is opgenomen het bedrag dat appellante per kilo eieren heeft ontvangen.

- Op 13 september 2006 is appellante gehoord.

- Bij fax van 26 oktober 2006 heeft appellante een gecorrigeerde entkaart (opgesteld door D’s Opfokbedrijven B.V.) aan verweerder gestuurd.

- Bij brief van 19 maart 2007 heeft verweerder aan appellante een aantal vragen over de entkaarten gesteld, waarop appellante bij faxbericht van 3 april 2007 heeft gereageerd met een verklaring van F van D’s Opfokbedrijven B.V.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard voor zover betreffende de benoeming van de taxateurs, gegrond verklaard voor zover betreffende de waarde van de trays en de platen, gedeeltelijk gegrond verklaard voor zover betreffende de waarde van de eieren en voor het overige ongegrond verklaard. Tevens heeft verweerder de wettelijke rente toegekend over het in bezwaar aan de waardevaststelling toegevoegde bedrag. Daartoe heeft verweerder voor zover van belang als volgt overwogen.

Er is geen aanleiding de door appellante gestelde kosten van entingen te vergoeden omdat uit de overgelegde entkaarten niet is gebleken dat zij betrekking hebben op de koppel dieren die door appellante gekocht is.

De eieren van appellante zijn onschadelijk gemaakt in het kader van maatregelen op grond van de Gwd. Bij het vergoeden van de onschadelijk gemaakte eieren geldt de marktwaarde. Deze waarde wordt bepaald op het moment van de maatregel en bij de taxatie vastgesteld, zo volgt uit de uitspraak van het College van 20 april 2006, AWB 04/1137 (www.rechtspraak.nl, LJN AW5769). Als uitgangspunt geldt de Europese en Nederlandse wetgeving (omtrent de uiterste houdbaarheidsdatum en de periode die de consument gegund moet worden om de aangeschafte eieren te consumeren), hetgeen inhoudt dat eieren in beginsel worden vergoed tegen de marktwaarde, mits zij niet ouder dan drie weken zijn. In dit geval is de marktwaarde vastgesteld op 4,915 eurocent per ei. Tegemoetkoming voor de eieren van appellante dient op basis van die waarde vastgesteld te worden. Er is geen aanleiding om de getaxeerde eieren te vergoeden tegen de door appellante gestelde waarde van 6,25 eurocent per ei. Door de beperkte afzetmogelijkhden van de eieren op het moment van taxatie was de waarde van de betreffende eieren op het moment van de maatregel nihil (bij vervoersverbod) dan wel gering (bij beperkte afzet aan industrie). In het geval van appellante is op 2 maart 2003 een vervoersverbod ingevoerd en waren de eieren vanaf dat moment niet meer verhandelbaar. De taxateurs hebben daarom aansluiting gezocht bij de laatste leveringsfactuur van de eieren (28 februari 2003), vlak voor het moment van de ingang van de maatregel toen er nog wel sprake was van afzet. Door de taxateurs is bewust geen aansluiting gezocht bij een vergoeding van de vernietigde eieren op basis van gemiddelde noteringen op het moment van taxatie. De versoepeling van het vervoersverbod op 17 maart 2003 doet hier niets aan af, omdat de eieren op het moment van taxatie slechts af te zetten waren bij een aangewezen eiverwerkende producent. De afzetmogelijkheden waren hierdoor nog steeds beperkt.

Appellante heeft voldoende aangetoond dat de gemaakte kosten voor platen en trays niet in de eierprijs zijn verdisconteerd. De vergoeding van platen en trays dient op basis van de overgelegde facturen € 731,26, inclusief BTW (100 pakken trays à

€ 5,355 per pak en 350 platen à € 0,559 per plaat) en € 981,75, inclusief BTW (150 pakken trays à € 6,55 per pak) te bedragen. Deze bedragen zullen worden verrekend met het reeds toegekende bedrag voor het verpakkingsmateriaal dat niet onder de eieren zat en waarvan de taxateur de waarde heeft vastgesteld op € 940,00, inclusief BTW (20 pakken trays à € 7,50 per pak en 790 platen à € 1,00 per stuk), zodat nog een bedrag van € 649,59 (exclusief BTW) zal worden uitgekeerd.

Appellante komt in aanmerking voor een rentevergoeding in verband met de (gedeeltelijk) gegrond verklaarde bezwaren tegen de waardevaststelling van de eieren en de trays en platen. De rente loopt vanaf 9 december 2005, zijnde het moment dat de vergoeding toegekend had moeten worden indien dit reeds in het primaire besluit was besloten tot het moment van onderhavige beslissing.

Naar in het verweerschrift is gesteld, komt appellante niet in aanmerking voor een vergoeding van de kosten van juridische bijstand in de bezwaarfase, aangezien deze op grond van artikel 7:15, tweede lid, Awb slechts wordt toegekend aan een rechtsbijstandverlener ingeval het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Appellante is echter in bezwaar niet bijgestaan door een erkende beroepsmatig rechtsbijstandverlener in de zin van artikel 1, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Blijkens de nota van toelichting bij dit Besluit wordt met een rechtsbijstandverlener in dit verband bedoeld een persoon van wie het verlenen van rechtsbijstand tot zijn beroepsmatige taak behoort en vallen personen zonder enige juridische scholing daarbuiten. Voorts moet het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormen van een duurzame op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening, Gesteld maar niet gebleken is dat de gemachtigde van appellante aan deze voorwaarden voldoet.

In het verweerschrift heeft verweerder voorts gesteld dat onduidelijkheid bestaat over de juistheid van de entkaarten. Appellante heeft aanvankelijk een entkaart overgelegd die betrekking had op minder dieren (67.392) dan het aantal geruimde dieren (76.300) en waarop de datum van een van de entingen ontbrak. Toen verweerder appellante hierop wees, heeft appellante een gecorrigeerde entkaart overgelegd, waarop de ontbrekende datum was ingevuld. Uit die datum kan worden opgemaakt dat de betreffende enting is uitgevoerd nadat de dieren geplaatst waren op het bedrijf van appellante, wat, zo leert navraag, verre van gebruikelijk, want zeer tijdrovend, is, omdat de dieren dan gevangen moeten worden. Voorts komt het aantal dieren op de entkaart (108.793) nog steeds niet overeen met het aantal geruimde dieren en is de tweede entkaart door een andere dierenarts getekend dan de eerste. Het feit dat de opfokker heeft bevestigd dat de dieren op het bedrijf van appellante zijn geënt, een verklaring heeft gegeven voor het aantal dieren (twee opfokstallen samengevoegd, waaruit de dieren voor appellante zijn geleverd) en heeft verklaard dat de ondertekenende dierenarts de eindverantwoordelijke is van de dierenarts die de eerst entkaart heeft ondertekend, neemt niet weg dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de entkaarten betrekking hebben op de door appellante aangekochte dieren en zijn opgesteld in 2003.

Voorts heeft verweerder in zijn reactie op het nadere standpunt van appellante van 16 november 2006, bij brief van 5 december 2006 gesteld dat afgezien van het feit dat het onacceptabel is om in beroep een andere en hogere eierwaarde te stellen (van € 6,45 per 100), het een gegeven blijft dat appellante op het moment van taxatie geen eieren kon afzetten aan haar Duitse eierhandelaar. Ten aanzien van de waarde van de trays en platen onder de eieren heeft verweerder gesteld bij het standpunt te blijven dat die waarde door facturen onderbouwd dient te worden en dat het daarnaast onacceptabel is dat appellante voor de waardevaststelling van die trays en platen rekent met de door verweerder gehanteerde prijzen voor trays en platen, terwijl uit de wel overgelegde facturen blijkt dat appellante een lagere prijs heeft betaald. De betrouwbaarheid van de stukken die appellante heeft overgelegd als bewijs dat zich trays en platen onder de vernietigde eieren bevonden, (“Afleveringsbewijzen producten pluimveebedrijf”) staat ter discussie omdat zij niet op briefpapier van Laser , RVV of Rendac zijn geprint. Bovendien blijkt uit de bijgevoegde formulieren met het opschrift “ruimen begeleidingsformulier vrachtauto rechtstreekse afvoer eieren” dat de eieren los gestort zijn. Bij deze formulieren zijn door de betreffende functionarissen geen opmerkingen gemaakt over het aantal trays en platen die zou zijn geruimd.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in beroep het volgende naar voren gebracht.

Bij de vaststelling van de waarde van de hennen is geen rekening gehouden met de kosten van de entingen tegen Salmonella Enteritidis (SE) en Salmonella Typhimurium (ST). Uit de overgelegde gegevens (factuur hennen, entkaart, vervoersbewijzen hennen en verklaringen opfokker) blijkt echter onomstotelijk dat de betreffende entingen zijn uitgevoerd en dat deze entingen daarom voor vergoeding in aanmerking komen.

De producten dienen vergoed te worden tegen de waarde op het moment van de maatregel die op 25 maart 2003 heeft plaatsgevonden. Conform artikel 86, tweede lid, Gwd dient de waarde dus op dat moment bepaald te worden. Verweerder baseert de waarde echter op de laatste leveringsfactuur van 28 februari 2003 en handelt aldus in strijd met het bepaalde in artikel 86 Gwd. Volgens de marktberichten bedroeg de eierprijs op het moment van de maatregel 6,25 eurocent per stuk in plaats van 4,915 eurocent per stuk. In Duitsland – waar appellante de eieren normaliter afzet – was de prijs op 29 maart 2003 6,45 eurocent. De waarde is dus te laag vastgesteld.

Dat geen sprake meer zou zijn van een marktprijs en een waarde, zoals verweerder stelt, klopt niet want de Gwd voorziet juist in het tegemoetkomen van getroffen landbouwers in dit soort gevallen. De korting die verweerder toepast ten opzichte van de Gwd is in strijd met diezelfde wet.

Dat geen sprake meer was van een markt binnen het gebied is het gevolg van de maatregelen die verweerder op 2 maart 2003 heeft genomen. De prijsstijgingen die in de rest van Europa vervolgens plaatsvonden, bepalen de waarde op het moment van de maatregelen. Deze prijsstijgingen zijn een gevolg van de toegenomen vraag naar eieren als gevolg van de paasdagen en wellicht ook door de ruimingen in verband met de vogelgriep.

Volgens de uitspraak van het College van 20 september 2007, AWB 07/19, heeft verweerder gesteld dat de waarde van de eieren op 30 maart 2003 € 0,06052 per ei was. Verweerder is kennelijk van mening dat er toen nog wel een markt was.

De waardebepaling is niet alleen in strijd met de Gwd maar ook met de betekenis die aan de term waarde wordt gehecht in het economisch verkeer, te weten: “datgene dat de verkoper bij de beste voorbereiding en bij de beste omstandigheden van de meest biedende gegadigde kan verkrijgen”.

Verweerder heeft zich verrekend in het aantal platen en trays dat appellante heeft gebruikt voor de geruimde eieren door alleen uit te gaan van de overgelegde facturen. Bij de geruimde eieren zijn 5 platen per pallet en 142 pallets gebruikt hetgeen bij de door verweerder gehanteerde prijs per plaat een totale waarde van € 396,89 geeft. Tevens zijn 68.336 trays gebruikt (voor 1.537.560 eieren van € 0,559 per stapel van 180 eieren twee trays als bodem en vijf trays om de zes lagen eieren te scheiden alsmede een tray om de stapel af te dekken) hetgeen bij de door verweerder gehanteerde prijs per tray van

€ 0,0382 neerkomt op een totale waarde van € 2.610,41.

Het aantal platen en trays is niet alleen rekenkundig te benaderen, maar blijkt ook uit de door J. Vermeulen namens Laser ondertekende afleverbewijzen. Daaruit blijkt een aantal van 1.551.300 eieren, 60.351 trays en 719 platen. Dat niet van alle trays de bijbehorende factuur is overgelegd, doet hieraan niets af. De waarde dient conform de Gwd te worden bepaald en is genoegzaam bekend in de markt. Uitgaande van de door verweerder gehanteerde prijs van € 1,- per plaat en € 7,50 per pak en utigaande van 140 trays per pak, ontbreekt nog een bedrag van € 3.952,-. De waarde van de platen en de trays is derhalve te laag vastgesteld.

Daarnaast zijn de niet gebruikte platen en trays bij de ruiming vernietigd. Volgens de taxatie vertegenwoordigen deze een waarde van € 940,-. Die taxatie is niet bestreden en derhalve ten onrechte in het bestreden besluit weer meegenomen en gebruikt om te verrekenen.

Met betrekking tot de toegekende rentevergoeding heeft appellante erop gewezen dat het vier jaar geleden is dat de ruiming op haar bedrijf heeft plaatsgevonden. Overeenkomstig het bestreden besluit dient ook een rentevergoeding te worden toegekend over de bijzonder lange termijn van betaling.

Tenslotte heeft appellante in bezwaar verzocht om een vergoeding van de kosten van het bezwaar. Dat verzoek is door verweerder bij verweerschrift verworpen met de stelling dat de gemachtigde van appellante niet onder de omschrijving van artikel 7:15 Awb zou vallen. Uit uitspraken van het College van 6 september 2006, AWB 05/403, rechtbank Arnhem van 13 april 2007, AWB 06/3163 en beslissingen van verweerders Dienst Regelingen (6 juni 2007, 06.4.1871 en 17 november 2006, BHF06219051002/U02/sm) blijkt dat deze stelling niet juist is. Appellante dient een kostenvergoeding te worden toegekend.

Ter zitting heeft appellante desgevraagd ten aanzien van de tweede entkaart verklaard dat daarop ten onrechte staat vermeld dat het om 40.000 drinkwatertoevoegingen en injecties tegen SE en ST gaat. Het computerprogramma gaat niet goed om met getallen; op de entkaart wordt de restwaarde weergegeven. Hieruit moet worden afgeleid dat alle dieren van appellante (108.792 minus 40.000 is 68.792) geënt zijn. Voorts zijn de entingen inderdaad op de locatie van appellante geschied, hetgeen, anders dan verweerder stelt, niet meer werk is dan enten bij de opfokker, aangezien de dieren op beide locaties in batterijen worden gehouden.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In dit geschil is aan de orde de door verweerder op grond van artikel 86 Gwd toegekende tegemoetkoming in de schade die appellante heeft geleden als gevolg van de toepassing van maatregelen in het kader van de bestrijding van AI. Uit vaste jurisprudentie van het College, zoals onder meer neergelegd in de hiervoor genoemde uitspraak van 20 september 2005, AWB 04/720, dient verweerder bij de bepaling van de hoogte van deze tegemoetkoming uit te gaan van de waardevaststelling door deskundigen op grond van artikel 88, tweede lid, Gwd. Slechts in uitzonderlijke gevallen zal verweerder van deze waarde kunnen afwijken. Dat zal het geval kunnen zijn, indien de vaststelling van de waarde hetzij uit hoofde van haar inhoud, hetzij uit hoofde van de wijze waarop zij tot stand is gekomen, zozeer indruist tegen hetgeen redelijk en billijk is dat verweerder in redelijkheid deze waardevaststelling niet aan verdere besluiten ten grondslag kan leggen. Voorts zal voor verweerder aanleiding kunnen bestaan van de waardevaststelling door de deskundigen af te wijken, indien deze waardevaststelling klaarblijkelijk in strijd met enig wettelijk voorschrift tot stand is gekomen, dan wel aan die vaststelling klaarblijkelijk een onjuiste voorstelling van de feiten ten grondslag heeft gelegen.

Bij de toekenning van de tegemoetkoming is onderscheid gemaakt in de te vergoeden waarde van het gedode pluimvee, de waarde van de onschadelijk gemaakte eieren en de waarde van de onschadelijk gemaakte voorwerpen (platen en trays).

Appellante heeft ten aanzien van elk van deze schadeposten bezwaren tegen de toegekende vergoeding.

Het College overweegt ter zake het volgende.

ten aanzien van de waarde van het gedode pluimvee

5.2 Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder – evenals de taxateurs – ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat de hennen van appellante geënt waren tegen Salmonella Enteritidis (SE) en Salmonella Typhimurium (ST), hetgeen had behoren te resulteren in een hogere waarde per hen. Verweerder heeft hiertegen ingebracht dat hij weliswaar op grond van de uit een entkaart blijkende gegevens aanleiding kan zien – in afwijking van de taxateurs – de entkosten in aanmerking te nemen bij de vaststelling van de tegemoetkoming, doch dat hij hiervoor in het geval van appellante geen aanleiding heeft gezien, omdat hem onvoldoende duidelijk was geworden dat de gedode hennen van het bedrijf van appellante inderdaad waren geënt. In het bijzonder is volgens verweerder twijfelachtig of de door appellante overgelegde (gecorrigeerde) entkaart betrekking heeft op deze hennen.

Het College onderschrijft het algemene standpunt van verweerder dat, ingeval vast komt te staan dat entingen als hierboven bedoeld zijn verricht en de taxateurs hiermee geen rekening hebben gehouden, daarin – gelet op het hiervoor in r.o. 5.1 gegeven criterium – grond kan zijn gelegen af te wijken van de waardevaststelling door de taxateurs.

Met betrekking tot de vraag of in het voorliggende geval is komen vast te staan dat de gedode hennen van appellante waren geënt overweegt het College het volgende.

Allereerst wijst het College op de op 16 november 2007 door appellante overgelegde verklaring van G van D’s Opfokbedrijven B.V. en het door appellante ter zitting van het College verklaarde. In de verklaring van de opfokker is vermeld dat 39960 dieren op 30 december 2002 op een leeftijd van 13 weken en 4 dagen zijn geleverd en dat 36960 dieren op 9 januari 2003 zijn geleverd op een leeftijd van 15 weken, hetgeen relatief jong is omdat de dieren tussen de 12 en 15 weken een injectie-enting krijgen. Appellante heeft ter zitting verklaard dat deze vroege levering samenhing met een verbouwing van zijn stallen. G heeft verklaard dat in dit geval bovendien relatief laat bekend werd dat een SG-enting diende plaats te vinden. Blijkens de entkaart vond de eerste fase plaats (een primer in het drinkwater) op 27 december 2002, zodat de tweede fase die minimaal twee weken later plaats dient te vinden, ten gevolge van de gewenste vroege levering, op het bedrijf van appellante moest worden uitgevoerd. Appellante heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat de stelling van verweerder dat een enting van dieren die geplaatst zijn in een legbatterij tijdrovend is, klopt, maar dat in dit opzicht geen verschil is tussen enting na levering en enting bij de opfokker, aangezien deze zijn dieren op dezelfde manier heeft ondergebracht. Verweerder heeft ter zitting onderkend dat dit mogelijk is. Met deze verklaringen, in combinatie met de uitleg die de opfokker heeft gegeven over de aantallen dieren op de entkaart en de onderlinge verhouding van de ondertekenende dierenartsen, is voldoende vast komen te staan dat de entkaart behoort bij aan appellante geleverde dieren.

Het College overweegt voorts dat gezien de functie van de entkaart en de ondertekening door de dierenarts van de daarop opgenomen registratie van entingen in beginsel van de juistheid ervan moet worden uitgegaan. De facturen van de opfokker en de later overgelegde afleverings- en meldingsformulieren pluimvee, spelen derhalve geen rol bij de vaststelling van de hoogte van de aanvullende schadevergoeding, tenzij vast zou komen te staan dat de entkaart niet juist is. Op de entkaart is achter de entstof voor SE en ST vermeld “(40.000 st)”. Appellante heeft verklaard dat dit te wijten is aan de omstandigheid dat de computerprogrammatuur “niet goed omgaat met getallen” en in plaats van de geënte dieren (de benodigde entstof), juist de niet-geënte dieren (de nog benodigde entstof) opgeeft. Het College ziet in deze stelling, die appellante, zonder nadere redengeving, voor het eerst ter zitting bij het College heeft betrokken en niet nader heeft onderbouwd, geen aanleiding om op dit punt een andere dan de meest voor de hand liggende uitleg te geven aan de op de entkaart vermelde en door de dierenarts ondertekende informatie. Het komt het College voor dat de door appellante gegeven, minder voor de hand liggende, uitleg van de vermelding van het aantal stuks injectie op de entkaart, tenminste vergezeld had kunnen gaan van een toelichting van de ondertekenende dierenarts, temeer daar het kennelijk gaat om een vaker voorkomend euvel.

Op grond van het vorenstaande is naar het oordeel van het College genoegzaam komen vast te staan dat 40.000 entingen hebben plaatsgevonden en dat die betrekking hebben op de gedode dieren op het bedrijf van appellante. Verweerder had hierin aanleiding behoren te zien de waardevaststelling van deze dieren aan te passen. Nu dit niet is geschied dient het beroep in zoverre gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit op dit onderdeel te worden vernietigd.

ten aanzien van de waarde van de onschadelijk gemaakte eieren

5.3 Verweerder is bij de toekenning van de tegemoetkoming ter zake van de onschadelijk gemaakte eieren uitgegaan van de door de taxateurs ter zake vastgestelde waarde per ei. Deze waarde is ontleend aan de laatste leveringsfactuur van de eieren vóór de ingang van het vervoersverbod op 2 maart 2003, welke factuur dateert van 28 februari 2003. Appellante is van mening dat deze waarde te laag ligt en dat ten onrechte niet is uitgegaan van de marktwaarde op de datum van de maatregel.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder terecht de vaststelling van de waarde per ei door de taxateurs gevolgd. Niet kan worden volgehouden dat deze vaststelling in strijd komt met artikel 86, tweede lid, aanhef en onder c, Gwd dat voorschrijft dat de tegemoetkoming de waarde op het moment van de maatregel bedraagt. Hiertoe heeft het College in aanmerking genomen dat de eieren van appellante vanaf het moment van het inwerkingtreden van het vervoersverbod niet meer vrij verhandelbaar waren. Ook na de versoepeling van het vervoersverbod op 17 maart 2003 kon niet van vrij verhandelbare eieren worden gesproken. Om deze reden valt niet in te zien dat de waarde van de eieren van appellante op het moment van de maatregel overeen zou komen met de prijs die op dat moment werd betaald voor (wel) vrij verhandelbare eieren. De omstandigheid dat de taxateurs vervolgens, om toch tot een waardevaststelling te komen, aansluiting hebben gezocht bij de laatste factuur vóór de ingang van het vervoerverbod, brengt niet met zich dat in strijd is gehandeld met evengenoemd artikelonderdeel. Hierbij is in aanmerking genomen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat er goede redenen waren de waarde van de eieren hoger te stellen dan de waarde volgens bedoelde factuur. De stelling dat die waarde hoger moet worden gesteld in verband met de paasdagen kan hieraan niet afdoen, omdat appellante die stelling niet heeft onderbouwd. Ook anderszins valt niet in te zien dat verweerder de taxateurs op dit onderdeel niet heeft kunnen volgen.

Op dit onderdeel is het beroep derhalve ongegrond.

ten aanzien van de waarde van de onschadelijk gemaakte voorwerpen (trays en platen)

5.4 Verweerder heeft bij het bestreden besluit aanleiding gezien – in afwijking van de taxateurs – niet alleen een vergoeding toe te kennen voor de op het bedrijf van appellante aanwezige voorraad trays en platen, maar ook voor de trays en platen onder en op de onschadelijk gemaakte eieren. Hiertoe heeft verweerder te kennen gegeven dat appellante genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat in haar geval, anders dan gebruikelijk is in de pluimveesector, de waarde van de trays en platen niet in de eierprijs was verdisconteerd. Vervolgens heeft verweerder ervoor gekozen de platen en trays te vergoeden, voor zover de waarde daarvan aan de hand van facturen is aangetoond.

Appellante is van mening dat verweerder aldus te weinig trays en platen in de berekening van de tegemoetkoming heeft betrokken.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder – gelet op het hiervoor in r.o. 5.1 gegeven criterium – op goede gronden aanleiding gezien af te wijken van de waardevaststelling door de taxateurs op dit onderdeel.

Voorts heeft verweerder zich bij de berekening van de waarde van de onschadelijk gemaakte trays en platen redelijkerwijs kunnen baseren op de door appellante overgelegde facturen, aangezien een factuur het bewijs is dat, in afwijking van hetgeen gebruikelijk is, de platen en trays niet om niet zijn verstrekt, maar door appellante zijn betaald. De door appellante overgelegde berekening van de hoeveelheid trays en platen die benodigd zijn voor de verpakking van alle vernietigde eieren en de “Afleveringsbewijzen producten pluimveebedrijf” waarop aantallen platen en trays zijn vermeld, zijn daartoe onvoldoende. Voor zover deze informatie al toereikend zou zijn voor de conclusie dat zich onder de vernietigde eieren platen en trays bevonden, hetgeen verweerder betwist, kan daarmee geen antwoord worden gegeven op de vraag of en zo ja hoeveel appellante betaald heeft voor de platen en de trays. Het overige in verband met deze informatie door partijen aangevoerde kan dan ook onbesproken blijven.

De bij het bestreden besluit gehanteerde methode voor de vaststelling van de waarde van de trays en platen is immers een andere dan die door de taxateurs is gevolgd en sluit het hanteren van die laatste methode ook uit. Het ligt derhalve voor de hand dat de uitkomst van de bij het bestreden besluit gehanteerde methode maatgevend is, zodat hetgeen reeds was uitgekeerd op basis van de door de taxateurs gevolgde methode daarin begrepen wordt geacht.

Gelet op het vorenstaande is het beroep op dit onderdeel ongegrond.

5.5 Ten aanzien van de door verweerder toegekende rentevergoeding overweegt het College in het door appellante gestelde geen aanleiding te zien de door verweerder vastgestelde periode waarover de rentevergoeding wordt toegekend, te verlengen. Verweerder heeft naar het oordeel van het College terecht het begin van die periode gesteld op de datum van het nemen van het primaire besluit, aangezien voor dat moment niet vaststond welk bedrag verweerder aan appellante verschuldigd was. Als uitgangspunt voor de rentevergoeding heeft derhalve te gelden dat verweerder het volledige bedrag verschuldigd is vanaf het moment van het primaire besluit.

Het College gaat er vanuit dat verweerder in de naar aanleiding van deze uitspraak nieuw te nemen beslissing op bezwaar hetzelfde uitgangspunt zal hanteren ten aanzien van het alsnog toe te kennen deel van de tegemoetkoming en dat, in overeenstemming met het in het bestreden besluit bepaalde, het eindpunt van de periode van rentevergoeding zal worden bepaald op het moment van de betaling.

5.6 Gelet op het voorgaande zal het College het beroep gegrond verklaren voor zover het is gericht tegen dat deel van het bestreden besluit dat betrekking heeft op de aan appellante toegekende tegemoetkoming ter zake van het gedode pluimvee. In zoverre zal dit besluit worden vernietigd en zal verweerder worden opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Voor het overige zal het beroep ongegrond worden verklaard.

5.7 Op basis van het door de gemachtigde van appellante ter zitting van het College verklaarde ten aanzien van het juridische gehalte van zijn dienstverlening als bedrijfsadviseur en zijn scholing, is het College van oordeel dat het hier gaat om beroepsmatig verleende rechtsbijstand en acht het termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten, die met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden bepaald op € 1.288,- (voor het indienen van het bezwaarschrift, het verschijnen ter hoorzitting, het indienen van het beroepschrift alsmede voor het verschijnen het verschijnen ter zitting van het College elk 1 punt ad

€ 322,- met een wegingsfactor van 1).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen dat deel van het bestreden besluit dat betrekking heeft op de

aan appellante toegekende tegemoetkoming ter zake van het gedode pluimvee;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- draagt verweerder op in zoverre met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,- (zegge: twaalfhonderdachtentachtig

euro) onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,-- (zegge:

tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. J.L.W. Aerts en mr. M. van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2008.

w.g. C.M. Wolters de griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen