Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC6109

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
10-03-2008
Zaaknummer
AWB 06/297
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Elektriciteitswet 1998

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/297 21 februari 2008

18050 Elektriciteitswet 1998

Uitspraak in de zaak van:

GTI Infra B.V. en Windnet Oost-Flevoland B.V., te Heinenoord, appellanten,

gemachtigde: mr. I. Brinkman, advocaat te Rotterdam,

tegen

TenneT TSO B.V., te Arnhem, verweerder,

gemachtigde: mr. S.F.M. Vollering, advocaat te Den Haag.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 10 april 2006, bij het College per fax op dezelfde dag binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 2 maart 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellanten tegen de afwijzing van hun verzoek tot het verstrekken van een account in het door verweerder beheerde Centraal Postbussysteem (hierna: CPS).

Appellanten hebben bij brieven van 9 mei en 31 mei 2006 de gronden van hun beroep aangevoerd.

Bij brief van 31 oktober 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 24 januari 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Windnet Oost-Flevoland B.V. (hierna: Windnet) heeft bij brief van 7 december 2005 bij verweerder een aanvraag ingediend voor het verstrekken van een account om gebruik te kunnen maken van het door verweerder beheerde CPS ten behoeve van haar activiteiten als netbeheerder.

- Verweerder heeft dit verzoek bij schrijven van 17 januari 2006 afgewezen.

- Appellanten hebben bij brief van 3 februari 2006 bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing, voor zover deze als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden aangemerkt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

3.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de afwijzing van het verzoek geen besluit is in de zin van de Awb en dat appellanten niet in aanmerking komen voor een account. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder het volgende aangevoerd.

Een CPS-account wordt slechts verstrekt ten behoeve van een beperkt aantal activiteiten. In het aanvraagformulier heeft Windnet aangegeven een account te wensen ten behoeve van "Activiteiten als Netbeheerder". Windnet voldoet evenwel niet aan de definitie van netbeheerder in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder k, van de Elektriciteitswet 1998. Dat er een CPS moet zijn, alsmede wie daarop aangesloten zijn, is geregeld in de door de Nederlandse Mededingingsautoriteit vastgestelde "Technische Voorwaarden ", waaronder de Systeemcode, Netcode en Meetcode. Zo bepaalt artikel 3.8.1 van de Systeemcode dat er een CPS moet zijn voor de communicatie tussen netbeheerders en tussen netbeheerders en erkende programmaverantwoordelijken. Op grond van artikel 1.2.8, aanhef en sub c, van de Meetcode moeten erkende meetverantwoordelijken zijn aangesloten op het CPS. Uit bijlage 1 van de Netcode volgt dat leveranciers een aansluiting op het CPS moeten hebben. Alleen voor deze categorieën is bepaald dat ze toegang moeten hebben tot het CPS en het CPS is zo ingericht dat het geschikt is voor het berichtenverkeer tussen deze categorieën.

Er bestaat voor verweerder geen verplichting het CPS geschikt te maken voor gebruik door andere partijen. Verweerder acht het ook niet wenselijk om dat mogelijk te maken, zonder een uitdrukkelijke basis in de Technische Voorwaarden.

Verweerder is voorts niet gebleken van een op de wet of de Technische Voorwaarden steunende verplichting van appellanten om met betrekking tot het door haar geëxploiteerde particuliere net alle netbeheerderstaken uit te oefenen ten behoeve van de aangesloten op dat net. Hetgeen appellanten door het verkrijgen van een CPS-account wensen te bereiken, te weten individualiseerbaarheid van de aansluitingen op het geëxploiteerde net, kan ook op andere wijze worden bereikt.

3.2 In zijn verweerschrift heeft verweerder nog aangevoerd dat er geen publiekrechtelijk voorschrift is waarin de bevoegdheid aan verweerder is gegeven om in algemene zin te beslissen over toelating van een natuurlijke persoon of rechtspersoon tot het CPS. Voorts is de afwijzing van het verzoek niet gericht op rechtsgevolg. Het gevolg van toelating - gebruikers kunnen via het systeem met elkaar communiceren en berichten uitwisselen - is slechts van feitelijke aard. Voorts heeft verweerder het College verzocht om appellanten te veroordelen in de kosten van de beroepsmatig aan verweerder verleende rechtsbijstand.

3.3 Ter zitting heeft verweerder onder meer het volgende naar voren gebracht.

De afwijzing van de aanvraag is geen besluit in de zin van de Awb. Op de voet van de Systeemcode heeft verweerder slechts de taak toegangcodes en versleutelingsmethodes te verstrekken aan gebruikers van het CPS. Wie deze gebruikers zijn, volgt uit de Technische Voorwaarden. De Technische Voorwaarden geven evenwel verweerder niet de bevoegdheid om vast te stellen wie deze gebruikers zijn.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter onderbouwing van hun beroep in hun aanvullende beroepschriften en ter zitting onder meer het volgende naar voren gebracht.

Hoewel ze zelf betwijfelen of er sprake is van een besluit - met name betrekking tot het rechtsgevolg en de vraag of het gaat om een bestuursorgaan - willen appellanten dit ter beoordeling voorleggen aan het College. Het College heeft immers reeds eerder geoordeeld dat verweerder bij de uitvoering van andere taken op grond van de Systeemcode dient te worden beschouwd als een bestuursorgaan. Indien het gaat om een besluit in de zin van de Awb staat voor appellanten de bestuursrechtelijke rechtsgang open, in het andere geval de civiele rechtsgang. Het is voor appellanten derhalve van belang hieromtrent duidelijkheid te verkrijgen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Appellanten hebben op 7 december 2005 door middel van het indienen van het "Aanvraagformulier voor een account" bij verweerder een aanvraag ingediend tot het verstrekken van een account in het CPS. Bij zijn besluit van 2 maart 2006 heeft verweerder, naar het College met partijen begrijpt, het tegen de afwijzing van dit verzoek van 17 januari 2006 ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze afwijzing geen besluit is in de zin van de Awb.

Het College overweegt dienaangaande als volgt.

5.2 Partijen hebben in beroep gesteld dat het verstrekken van een account geen rechtsgevolgen in het leven roept, doch slechts feitelijke gevolgen. Ook het College is niet gebleken van enig rechtsgevolg dat aan het verstrekken van een account is verbonden. In dit verband overweegt het College dat de verstrekking van een account niet in de Technische Voorwaarden of elders in een algemeen verbindend voorschrift is geregeld.

5.3 Gelet op het bovenstaande is de beslissing van verweerder om appellanten geen account te verstrekken geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder dan ook terecht het bezwaar van appellanten niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

5.4 Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Voor een veroordeling van een rechtzoekende in de kosten van de aan een bestuursorgaan verleende rechtsbijstand bestaat slechts dan aanleiding indien sprake is van misbruik van procesrecht door de rechtzoekende. Naar het oordeel van het College doet deze situatie zich in het onderhavige geval niet voor.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. S.C. Stuldreher en mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2008.

w.g. C.J. Borman w.g. R. Meijer