Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC5642

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
04-03-2008
Zaaknummer
AWB 04/307
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 04/307 12 februari 2008

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante,

gemachtigde: C, directrice van appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.W. Oomen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij faxbericht van 13 april 2004 beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 maart 2004.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een op grond van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) genomen besluit over appellantes slachtpremie voor het jaar 2002.

Bij brief van 18 mei 2004 heeft appellante de gronden van haar beroep ingediend.

Op 14 juli 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 23 mei 2005 heeft het College partijen meegedeeld dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden in verband met de prejudiciële vragen die het College in de zaak Maatschap Schonewille-Prins (AWB 03/901) aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) heeft gesteld.

Bij arrest van 24 mei 2007 (Maatschap Schonewille-Prins, C-45/05, Jur. blz. I-3997) heeft het Hof van Justitie op de vragen van het College geantwoord.

Bij brief van 9 juli 2007 heeft appellante op dit arrest gereageerd. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 31 augustus 2007 gereageerd.

Op 15 januari 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Appellante is met bericht van verhindering niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees luidt, voorzover en ten tijde hier van belang:

“ Artikel 11

1. Een producent die runderen op zijn bedrijf houdt, kan op zijn verzoek in aanmerking komen voor een slachtpremie. (…)

Artikel 21

Om in aanmerking te komen voor rechtstreekse betalingen op grond van dit hoofdstuk, moet een dier geïdentificeerd en geregistreerd zijn overeenkomstig verordening (EG) nr. 820/97.”

Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad luidt, voorzover hier van belang:

“ Artikel 7

1. Elke houder van dieren, met uitzondering van vervoerders:

- houdt een register bij,

- stelt, zodra het gecomputeriseerde gegevensbestand volledig operationeel is, de bevoegde autoriteit binnen een door de lidstaat vastgestelde termijn, die zich uitstrekt over drie tot zeven dagen, in kennis van alle verplaatsingen van en naar het bedrijf en van elke geboorte of sterfte van een dier op het bedrijf, samen met de data waarop een en ander heeft plaatsgevonden. (…)"

Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001, houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen luidde, voorzover en ten tijde hier van belang:

“ Artikel 12

Verbetering van kennelijke fouten

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 6 tot en met 11 kan in geval van een door de bevoegde instantie erkende kennelijke fout, een steunaanvraag te allen tijde na de indiening worden aangepast.

Artikel 36

Berekeningsgrondslag

1. (…)

4. (…)

Het bepaalde in artikel 12 is van toepassing op de melding en het registreren van gegevens in het kader van de identificatie- en registratieregeling”

De Regeling luidde, voorzover en ten tijde hier van belang:

“ Artikel 4.6

Premie wordt de producent slechts verstrekt ten behoeve van runderen die:

(…)

c. overeenkomstig de bepalingen gesteld bij en krachtens verordening 1760/2000 zijn geïdentificeerd en geregistreerd.

Artikel 4.9

1. Geen premie wordt verstrekt voor runderen ten aanzien waarvan de producent de op hem, ingevolge de Regeling identificatie en registratie van dieren 2002, rustende bepalingen met betrekking tot de melding aan het

I&R-systeem rund van de geboortedatum, de datum van aanvoer op, of afvoer van zijn bedrijf of de datum van slacht onderscheidenlijk uitvoer naar een derde land, niet binnen 25 dagen is nagekomen, voorzover de desbetreffende meldingsplicht op of na 1 januari 2000 is ontstaan.

2. De premie wordt verminderd met 25% voor runderen ten aanzien waarvan de producent de in het eerste lid bedoelde op hem rustende bepalingen niet tijdig doch wel binnen 25 dagen nadat de betrokken gebeurtenis heeft plaatsgevonden, is nagekomen, voorzover de desbetreffende meldingsplicht op of na 1 januari 2000 is ontstaan.”

In de jaren 2000 en 2001 verwees artikel 4.9 van de Regeling in plaats van naar de Regeling identificatie en registratie van dieren 2002, naar de hieronder genoemde verordening van het Productschap Vee en Vlees.

In de Verordening identificatie en registratie runderen 1998 van het Productschap Vee en Vees was ten tijde van belang onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 12

1. De houder, met uitzondering van de vervoerder, is verplicht de in artikel 4, derde lid en de in artikel 7, eerste lid, tweede gedachtestreepje, van verordening 820/97 bedoelde gegevens (…) nauwkeurig en volledig in het register aan te tekenen.

2. (…)

Artikel 13

1. De houder, met uitzondering van de vervoerder, is verplicht binnen een periode van 3 werkdagen aan de dienst melding te doen van de in artikel 12, eerste lid, van deze verordening (…) bedoelde gegevens.

2. (…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 5 juni 2003 heeft verweerder aan appellante € 17.130,38 aan slachtpremie voor het jaar 2002 toegekend. Voor twee runderen met ID-code DE 1500529947 en DE 1500530108 is een korting van 25% toegepast en voor zes runderen met ID-code NL 190253282, NL 208761639, NL 211161974, NL 230130328, NL 232950968 en NL 233127664 is geen premie toegekend.

- Tegen dit besluit, althans tegen verweerders beslissing ten aanzien van genoemde acht dieren, heeft appellante bij brief van 15 juli 2003 bezwaar gemaakt.

- Op 1 december 2003 is appellante over haar bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder appellantes bezwaar wat betreft de runderen met ID-code NL 190253282, NL 211161974 en NL 230130328 gegrond verklaard en appellantes bezwaar wat betreft de runderen met ID-code NL 208761639, NL 232950968, NL 233127664, DE 1500529947 en DE 1500530108 ongegrond verklaard. Hiertoe is, samengevat, het volgende overwogen.

Uit het I&R-systeem rund is gebleken dat de runderen met ID-code NL 190253282, NL 232950968 en NL 233127664 respectievelijk op 11 april 2000, 27 december 2001 en 17 juni 2001 op appellantes bedrijf zijn aangevoerd, terwijl ze volgens het I&R-systeem rund op respectievelijk 12 april 2000, 28 december 2001 en 18 juni 2001 zijn afgevoerd van het bedrijf van de vorige eigenaar.

Voor het rund met ID-code NL 190253282 is een landbouwverklaring overgelegd, waaruit blijkt dat dit rund op 11 april 2000 op appellantes bedrijf is aangevoerd. Deze verklaring is voldoende overtuigend om te concluderen dat dit rund op 11 april 2000 op het bedrijf is aangevoerd, zodat voor dit rund alsnog slachtpremie kan worden toegekend.

Met betrekking tot de runderen met ID-code NL 232950968 en NL 233127664 gaat verweerder uit van de gegevens zoals deze zijn verwerkt in het I&R-systeem rund. Nu niet is gebleken dat de betwiste data vanwege storingen bij het voorportaal of het I&R-systeem rund zijn veroorzaakt, is er geen aanleiding de eerdergenoemde aanvoerdata te wijzigen. Aangezien deze runderen aldus niet overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1760/2000 zijn geregistreerd, kon voor deze dieren op grond van artikel 21 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 en artikel 4.6, onder c, van de Regeling geen slachtpremie worden toegekend.

Uit het I&R-systeem rund is voorts gebleken dat van de runderen met ID-code NL 208761639, NL 211161974, NL 230130328, DE 1500529947 en DE 1500530108 als datum van aanvoer op appellantes bedrijf respectievelijk 15 mei 2000, 3 juni 2000, 31 mei 2000, 31 maart 2001 en 31 maart 2001 is geregistreerd, terwijl als melddatum van deze aanvoeren respectievelijk 2 januari 2001, 1 oktober 2001, 8 september 2000, 12 april 2001 en 12 april 2001 is geregistreerd.

Met betrekking tot de runderen met ID-code NL 211161974 en NL 230130328NL zijn herstelmeldingen gedaan, die ten onrechte niet zijn meegenomen in de beoordeling. Op grond van die herstelmeldingen is gebleken dat de aanvoer van deze twee runderen tijdig is gemeld, zodat voor deze runderen alsnog slachtpremie kan worden toegekend.

Voor de runderen met ID-code NL 208761639, DE 15000529947 en DE 1500530108 zijn geen herstelmeldingen gedaan. Nu niet is gebleken dat de door appellante betwiste data vanwege storingen in het I&R-systeem rund zijn veroorzaakt, is er geen aanleiding de eerdergenoemde meldingsdata te wijzigen. Ook deze dieren zijn dus niet overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1760/2000 geregistreerd.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep, samengevat, het volgende aangevoerd.

Aan de hand van de overgelegde landbouwverklaringen en verzendrapporten uit het dieradministratiesysteem is aangetoond en aannemelijk gemaakt dat de feitelijk juiste aanvoer van deze runderen correct en tijdig aan het I&R-systeem rund is gemeld. Het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd en dus strijdig met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bovendien had verweerder de kortingen en uitsluitingen op grond van artikel 44 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 achterwege moeten laten.

Voorts is niet gebleken dat verweerder in zijn beslissing ook zaken als onderhoudswerkzaamheden aan het I&R-systeem rund, vertraging in dataverwerking, situaties van overbelasting en het eventueel beperkt actief zijn van het systeem heeft meegenomen. Het besluit is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en in strijd met artikel 3:2 Awb.

Voor het rund met ID-code NL 208761639 is blijkens de door haar overgelegde stukken wel degelijk getracht de foutieve aanvoerdatum in het I&R-systeem rund te herstellen. Op grond van artikel 44, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 had verweerder deze herstelmeldingen moeten meenemen in zijn beslissing. Voorts blijkt uit de brief van

CR-Delta dat dit rund omstreeks 27 november 2000 ten onrechte op dit bedrijf stond geregistreerd. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten onderzoek te doen naar de juiste aan- en afvoergegevens in het I&R-systeem rund.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ingevolge artikel 7, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 in verbinding met de artikelen 12 en 13 van Verordening identificatie en registratie runderen 1998 diende een houder van dieren meldingen van onder meer de aanvoer van dieren binnen drie werkdagen te melden.

Aangezien ten tijde van belang in het I&R-systeem rund als melddatum de datum van verwerking van de melding werd geregistreerd in plaats van de werkelijke datum van melding, heeft verweerder de gedragslijn gehanteerd dat een melding alleen dan te laat is gemeld indien de vastgestelde termijn van drie werkdagen, vermeerderd met vijf zogenaamde verwerkingsdagen, werden overschreden. Deze gedragslijn was gebaseerd op de praktijk waarbij uiterlijk binnen vijf dagen na de melding tot registratie hiervan werd overgegaan.

Appellante heeft naar het oordeel van het College niet aannemelijk gemaakt dat verweerder met deze tegemoetkoming het I&R-systeem rund niet ten grondslag had mogen leggen aan zijn beslissing over de vijf in geschil zijnde runderen. De overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting bieden geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de voor deze dieren geregistreerde gegevens in het I&R-systeem rund niet overeenkomen met hetgeen door of namens appellante aan het I&R-systeem rund is gemeld.

5.2 De runderen met ID-code NL 208761639, DE 1500529947 en DE 1500530108 zijn blijkens het I&R-systeem rund respectievelijk op 15 mei 2000, 31 maart 2001 en 31 maart 2001 op appellantes bedrijf aangevoerd, terwijl als verwerkings- en melddatum van de aanvoer van deze dieren 2 januari 2001, 12 april 2001 en 12 april 2001 is geregistreerd.

Ook indien rekening wordt gehouden met de vijf eerdergenoemde verwerkingsdagen, dient de conclusie te zijn dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat appellante de aanvoer van deze drie dieren op haar bedrijf te laat heeft gemeld. De door appellante voor deze dieren overgelegde Veehandelsverklaringen O.B. en EDI-I&R-lijsten kunnen haar niet baten, omdat uit deze stukken op geen enkele wijze blijkt wanneer de melding van de aanvoer van deze dieren aan het I&R-systeem rund is gedaan.

Dat CR-Delta in een brief aan appellante heeft aangegeven dat het rund met ID-code NL 208761639 vanaf 17 januari 2000 op appellantes bedrijf aanwezig is geweest, kan appellante evenmin baten. Gelet op het I&R-systeem rund en de in het verslag van de hoorzitting opgenomen verklaring van D moet er van uit worden gegaan dat het betreffende rund van maart 2000 tot 15 mei 2000 op het bedrijf van D aanwezig is geweest. De aanvoer dan wel heraanvoer van het rund op de bedrijf van appellante op 15 mei 2000 is pas op 2 januari 2001 aan het I&R-systeem rund gemeld. Een eerdere aanvoer van dit rund op 17 januari 2000, kan aan de te late melding van de aanvoer op 15 mei 2000 niet afdoen.

5.3 De runderen met ID-code NL 232950968 en NL 233127664 zijn blijkens het I&R-systeem rund respectievelijk op 27 december 2001 en 17 juni 2001 op appellantes bedrijf aangevoerd, terwijl als datum van afvoer van het vorige bedrijf 28 december 2001 en 18 juni 2001 is geregistreerd.

Appellante heeft aangevoerd dat de in het I&R-systeem rund geregistreerde aanvoerdata van deze dieren (27 december 2001 en 17 juni 2001) onjuist zijn, dat 28 december 2001 en 18 juni 2001 de juiste aanvoerdata zijn en dat zij deze data ook aan het I&R-systeem rund heeft gemeld.

De stelling dat zij laatstgenoemde aanvoerdata aan het I&R-systeem rund heeft gemeld, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Dat in de in bezwaar door appellante overgelegde en aan haar eigen geautomatiseerde administratie ontleende EDI-I&R-lijsten als aankoopdatum van deze dieren respectievelijk 28 december 2001 en 18 juni 2001 is vermeld, zegt immers niets over de vraag welke aanvoerdata aan het I&R-systeem zijn gemeld.

Daarmee is evenwel niet gezegd dat aan de gegevens uit deze EDI-I&R-lijsten geen betekenis zou kunnen toekomen. Appellante heeft reeds in bezwaar aangevoerd dat de in het I&R-systeem rund geregistreerde aanvoerdata 27 december 2001 en 17 juni 2001 onjuist zijn en dat de juiste data 28 december 2001 en 18 juni 2001 zijn. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder heeft onderzocht of appellante met de gegevens uit de EDI-I&R-lijsten in samenhang met de afvoermelding van het vorige bedrijf aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvoer van de twee betreffende runderen op respectievelijk 28 december 2001 en 18 juni 2001 heeft plaatsgevonden. Hierbij komt dat verweerder het dier met ID-code NL 190253282, waarover in het I&R-systeem rund eenzelfde constatering was gedaan als bij de runderen met ID-code NL 232950968 en NL 233127664, aan de hand van een door appellante overgelegde 'landbouwverklaring' wel alsnog premiewaardig heeft bevonden. Ten slotte wijst het College er nog op dat een kennelijke fout in het I&R-systeem rund ingevolge artikel 36, vierde lid, laatste volzin, in verbinding met artikel 12 van Verordening (EG) nr. 2419/2001 te allen tijde kan worden aangepast.

5.4 Het voorgaande leidt het College tot de conclusie dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 Awb moet worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw op appellantes bezwaar moeten beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daarbij zal verweerder tevens de stukken dienen te betrekken die appellante in beroep heeft overgelegd ter nadere adstructie van haar stelling inzake de aanvoerdata op haar bedrijf van de runderen met ID-code NL 232950968 en NL 233127664.

5.5 Het College is niet gebleken dat appellante proceskosten heeft gemaakt, die met toepassing van artikel 8:75 Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 3 maart 2004;

- draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze

uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,-- (zegge:

tweehonderddrieënzeventig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, mr. E.J.M. Heijs en mr. F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2008.

w.g. J.A. Hagen w.g. C.M. Leliveld