Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC4767

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
AWB 06/801
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling superheffing 1993

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/801 14 februari 2008

10700 Regeling superheffing 1993

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

het Productschap Zuivel, verweerder,

gemachtigden: mr. A.C.R. Geelen en L.J. Koers, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 23 oktober 2006, bij het College binnengekomen op 1 november 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 september 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van verweerder van 16 september 2005, genomen op grond van de Regeling superheffing 1993 (hierna: de Regeling).

Bij brief van 11 januari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 14 januari 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant in persoon is verschenen en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Regeling luidde voorzover hier en ten tijde van belang als volgt:

"Artikel 4

1. De producent is ter zake van rechtstreekse verkoop voor consumptie van een hoeveelheid melk, of het equivalent daarvan, die zijn referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop overschrijdt, een heffing verschuldigd.

(…)

Artikel 29

1. De in artikel 4 bedoelde producent doet conform het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1392/2001 en conform de door het productschap daartoe gestelde regelen, aangifte bij het productschap van de hoeveelheid melk of andere melkproducten die hij in de vorige heffingsperiode rechtstreeks aan de consument, groot- of detailhandel of aan affineurs heeft geleverd, gespecificeerd per product.

(…)

Artikel 31

1. (…)

2. Het productschap kan ambtshalve de afgeleverde hoeveelheid vaststellen, indien de verplichtingen uit (…) artikel 29, eerste lid, niet of, naar het oordeel van het productschap, onvoldoende worden nagekomen."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 14 mei 2004 heeft appellant opgegeven dat hij in de heffingsperiode 2003/2004 34.223 kg boerenkaas rechtstreeks voor consumptie heeft geleverd en 3.380 kg melk heeft aangekocht voor de bereiding van zuursel. Tevens heeft hij opgegeven dat de voorraad kaas per 1 april 2003 ± 16.000 kg was en per 31 maart 2004 ± 11.000 kg.

- Bij beschikking van 18 juni 2004 is appellant meegedeeld dat op grond van zijn opgave en na correctie in verband met schrikkeljaar en aankoop een hoeveelheid van 303.785 kg geleverd melkequivalent is geregistreerd.

- Op 20 juli 2004 heeft verweerder in een Nota Superheffing Heffingsperiode 2003/2004 na verevening een inningvrije hoeveelheid van 303.785 kg melkequivalent vastgesteld en bepaald dat appellant over de betreffende periode geen superheffing is verschuldigd.

- De Algemene Inspectiedienst (AID) heeft op 9 mei 2005 een verificatieverslag uitgebracht met betrekking tot de opgave van appellant over de heffingsperiode 2003/2004.

- Op 16 september 2005 heeft verweerder naar aanleiding van het verslag van de AID ambtshalve vastgesteld dat in meergenoemde heffingsperiode 40.360 kg kaas rechtstreeks voor consumptie is geleverd en 1.777 kg melk is aangekocht. Dit resulteert in een geleverde hoeveelheid van 360.471 kg melkequivalent en een overschrijding van de inningvrije hoeveelheid met 56.686 kg melkequivalent. Ter zake van die overschrijding is aan appellant een bedrag van € 20.197,22 in rekening gebracht.

- Bij brief van 6 oktober 2005 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Op 15 juni 2006 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen het besluit van 16 september 2005 ongegrond verklaard en hiertoe, samengevat, het volgende overwogen.

Blijkens het rapport van de AID beschikt appellant niet over een volledige administratie met betrekking tot de geproduceerde en geleverde hoeveelheden kaas. Op een redelijke en verantwoorde wijze is vastgesteld dat in totaal 6.137 kg verkochte kaas niet is opgegeven. De ambtshalve vaststelling is gebaseerd op gegevens met betrekking tot verkochte hoeveelheden in het kaasboek (1.120 kg), op facturen die de AID heeft aangetroffen in de administratie van appellant (1.071 kg) en op een vergelijking van de administratie van appellant met de administratie van zijn afnemers (3.946 kg).

Gelet op de bevindingen van de AID met betrekking tot de mogelijke productie op het bedrijf van appellant en de afgenomen voorraad in de betreffende heffingsperiode, is de ambtshalve vaststelling niet onaannemelijk.

De gegevens die appellant heeft overgelegd ter weerlegging van de ambtshalve vastgestelde hoeveelheid zijn voor een groot deel gebaseerd op aannames van zijn kant en vormen een onvoldoende weerlegging van de door verweerder gehanteerde methode van berekening van de aan superheffing onderworpen hoeveelheid melkequivalent.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft, samengevat, het volgende aangevoerd.

Appellant is niet in staat om aan te tonen dat zijn opgave juist is geweest c.q. op welke wijze en op welke punten de AID geen juiste voorstelling van zaken geeft, omdat de AID de kaasboeken destijds heeft meegenomen en nog altijd niet heeft terugbezorgd. Appellant beperkt zich daarom tot het aantonen van beperkingen en fouten in de rekenmethodiek van de AID.

De AID houdt geen rekening met een realistische aftrek voor melk die wordt gebruikt voor voedering van kalveren. Ook is de eigen consumptie te laag ingeschat. Voorts is geen rekening gehouden met drooggezette koeien die verder worden afgemest en koeien die worden drooggezet in verband met drachtigheid. Ook met kaasmonsters, kleine verliesposten zoals bloedspenen en wintergriep gaat melk verloren. Ten onrechte is geen rekening gehouden met terugkoop van kaas.

Een ander probleem betreft de ingekochte melk die benodigd is voor de bereiding van zuursel. Een deel van de bonnetjes van de aangekochte melk is door inwerking van zonlicht niet meer leesbaar. Op basis van de gevolgde werkwijze moet bij een verkochte hoeveelheid kaas van 34.223 kg worden uitgegaan van tenminste 3.170 kg zuursel.

Een belangrijk onderdeel van de ambtshalve berekening behelst de voorraad die eind maart 2004 5.000 kg lager wordt ingeschat dan begin april 2003. Als appellant destijds had geweten dat de schatting gebruikt zou worden voor de berekening, dan had hij een nauwkeuriger opgave gedaan. Hij heeft dit destijds niet kunnen vermoeden; belangrijk is te bedenken dat in april 2003 voor de eerste maal een schatting diende te worden opgegeven.

Verder worden voor de productie van kruidenkazen kruiden gebruikt die van de kaaskilogrammen mogen worden afgetrokken. Het gaat hierbij om 42 kg kruiden, overeenkomend met 378 kg melk. Indien al deze hoeveelheden in mindering worden gebracht op de berekende hoeveelheid dan komt de berekening overeen met de opgave van appellant.

Ter zitting heeft appellant nog toegelicht dat hij vaste afspraken heeft met zijn afnemers, die in het verleden zijn gemaakt, en die er op neerkomen dat de prijs wordt bepaald op basis van het productiegewicht. De kazen blijven na berekening van de prijs bij appellant liggen en worden pas na een bepaalde periode bij de afnemers geleverd met een gewicht dat door het indikken van de kaas lager is van het productiegewicht. Het gevolg van deze constructie is dat in het kaasboek het lagere aflevergewicht wordt vermeld en op de facturen een hoger gewicht - te weten het productiegewicht - wordt genoemd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Appellant heeft gesteld dat hij zich vanwege de inbeslagname van zijn kaasboeken niet kan verweren tegen de bevindingen van de AID. Uit de stukken blijkt echter dat appellant een gewaarmerkte kopie van zijn kaasboek 2004 heeft ontvangen en geweigerd heeft een gewaarmerkte kopie van zijn kaasboek 2003 in ontvangst te nemen. Het College vermag niet in te zien waarom appellant niet op basis van gewaarmerkte kopieën van de kaasboeken zijn bezwaren zou hebben kunnen onderbouwen. Appellant kan zich dan ook niet met succes beroepen op het feit dat hij niet de beschikking had over de kaasboeken.

5.2 De AID heeft op basis van de in de kaasboeken vermelde geleverde hoeveelheden kaas, de in de administratie van appellant aanwezige facturen en de bij afnemers gecontroleerde facturen van appellant, afwijkingen geconstateerd ten opzichte van de door appellant opgegeven hoeveelheden geleverde kaas. De AID heeft deze bevindingen vervolgens bevestigd gezien in een berekening op basis van de NRS-gegevens. Hetgeen appellant heeft aangevoerd over hoeveelheden melk die verloren gaan danwel worden gebruikt voor zelfconsumptie en de omvang van de op het bedrijf aanwezige voorraad kaas, ziet op deze berekening ten overvloede en kan niet afdoen aan hetgeen de AID op basis van de kaasboeken en facturen heeft geconstateerd ten aanzien van de geleverde hoeveelheid kaas.

5.3 Appellant heeft gesteld dat de verschillen tussen de geleverde hoeveelheden volgens de kaasboeken en de facturen bij de afnemers, zijn te verklaren door de met afnemers gemaakte afspraak dat de prijs wordt berekend op basis van het (hogere) productiegewicht en niet op basis van het (lagere) aflevergewicht. Het College volgt appellant niet in deze stelling. Daarbij is naar het oordeel van het College van belang dat de stelling met betrekking tot de prijsafspraak en het gevolg daarvan niet is onderbouwd door appellant en een dergelijke afspraak niet blijkt uit de in het dossier aangetroffen facturen. Het College acht het zonder nadere onderbouwing niet aannemelijk dat de afnemers een lagere hoeveelheid geleverd krijgen dan op de factuur staat vermeld tegen een, blijkens het AID-rapport, bijzonder hoge gemiddelde verkoopprijs per kilo (afgeleverde) kaas.

Voorts heeft verweerder naar het oordeel van het College op goede gronden geen rekening gehouden met de door appellant gestelde terugkoop van kaas, nu deze kaas geleverd is geweest en op grond daarvan in de berekening van de superheffing dient te worden betrokken.

Nu appellant niet heeft aangetoond dat er meer melk door hem is aangekocht ten behoeve van zuursel dan de door verweerder vastgestelde hoeveelheid, is deze grief tevergeefs voorgesteld.

Verweerder heeft ten slotte onweersproken gesteld dat bij de vaststelling van de geleverde hoeveelheid melkequivalent al rekening is gehouden met de verwerking van kruiden in de kaas. De kruiden leiden, zo heeft verweerder toegelicht, tot een andere vochtsamenstelling van de kaas, in verband waarmee in het geval van appellant bij de omrekening van kaas naar melkequivalent niet de gebruikelijke factor 9,5 is gehanteerd, maar een factor 9,0. De grief van appellant terzake treft derhalve geen doel.

5.4 Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. F. Stuurop en mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Hof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2008.

w.g. C.J. Borman w.g. I.C. Hof