Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC4742

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/267
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Tegemoetkoming ex art. 86

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/267 6 februari 2008

11249 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Tegemoetkoming ex art. 86

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante,

gemachtigde: mr. J.F.C.M. Mulders, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. E.T. Stevens, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 24 april 2007, bij het College binnengekomen op 25 april 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 10 april 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante gericht tegen zijn besluit van 14 september 2006 deels gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. Bij dit laatste besluit heeft verweerder op basis van artikel 86 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) de tegemoetkoming in de door appellante geleden schade definitief vastgesteld.

Bij brief van 25 mei 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij griffiersbrief van 23 november 2007 is verweerder verzocht om toezending van een aantal stukken. Bij brief van 27 november 2007 heeft verweerder de gevraagde stukken overgelegd.

Op 18 december 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Voor appellante zijn verschenen mr. J.M. Stedelaar, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, en C, directeur van appellante. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De voor de beoordeling van het geschil van belang zijnde artikel(onderdel)en van de Gwd luidden ten tijde hier van belang als volgt:

“Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

zieke dieren: dieren die zijn aangetast door een krachtens artikel 15, eerste lid, aangewezen dierziekte;

(…)

Artikel 15

1. Deze afdeling is van toepassing op door Onze Minister aangewezen besmettelijke dierziekten bij:

(…)

b. pluimvee

(…)

Artikel 21

1. Onze Minister besluit zo spoedig mogelijk tot het nemen van de door hem nodig geachte maatregelen ter bestrijding van een besmettelijke dierziekte.

(…)

Artikel 22

1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:

(…)

f. het doden van zieke en verdachte dieren;

g. het onschadelijk maken van gedode of gestorven, zieke en verdachte dieren, en van produkten en voorwerpen, die besmet zijn of ervan worden verdacht gevaar op te leveren voor verspreiding van smetstof;

(…)

Artikel 86

1. Uit het Diergezondheidsfonds wordt aan de eigenaar een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd, indien:

a. dieren krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel f, worden gedood;

b. produkten en voorwerpen krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel g, onschadelijk worden gemaakt;

(…).

2. De tegemoetkoming in de schade bedraagt:

a. voor verdachte dieren: de waarde in gezonde toestand,

b. voor zieke dieren: het bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gedeelte van de waarde in gezonde toestand,

c. voor produkten en voorwerpen: de waarde op het moment van de maatregel (…).

(…)

Artikel 87

Alvorens dieren op grond van artikel 22, eerste lid, onderdeel f, worden gedood of producten en voorwerpen op grond van artikel 22, eerste lid, onderdeel g, onschadelijk worden gemaakt (…), wordt de waarde daarvan vastgesteld.

Artikel 88

(…)

2. De in artikel 87 bedoelde waardevaststelling geschiedt door een beëdigd deskundige, welke wordt aangewezen door Onze Minister.

Artikel 91

Schade veroorzaakt door de toepassing van maatregelen als bedoeld in artikel 17 of 21, kan voor zover deze niet uit hoofde van de artikelen 86 of 90 voor vergoeding in aanmerking komt, in door Onze Minister te bepalen bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk uit het Diergezondheidsfonds worden vergoed.”

In artikel 2 van het Besluit van 13 oktober 2000, houdende regels voor het vaststellen van een verlaging van de tegemoetkoming in de schade bij aangewezen dierziekten (hierna: Besluit verlaging tegemoetkoming aangewezen dierziekten) is bepaald dat het in artikel 86, tweede lid, onderdeel b, Gwd bedoelde gedeelte van de waarde van de dieren in gezonde toestand 50% bedraagt.

In de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s van 7 juni 2006, is in artikel 3, aanhef en onder a, bepaald dat als besmettelijke dierziekte als bedoeld in artikel 15 Gwd bij pluimvee, vogelpest (Aviaire Influenza, hierna: AI) wordt aangewezen.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 3 april 2003 heeft, naar aanleiding van een melding van verdenking klassieke vogelpest, een specialistenteam het bedrijf van appellante, omvattende de locaties D en E te B, bezocht. Dit team bestond uit F, keuringsarts en dierziektedeskundige, G, dierenarts-pluimvee-specialist, verbonden aan de Gezondheidsdienst voor Dieren en H, praktiserend dierenarts op het bedrijf van appellante. Van dit bezoek is door F voornoemd bij brief van 14 mei 2003 een verslag gemaakt en gericht aan het Nationaal Crisis Centrum Dierziektenbestrijding.

- Naar aanleiding van maatregelen als bedoeld in artikel 22 Gwd in verband met een uitbraak van AI in Nederland heeft op 4 april 2003 op het bedrijf van appellante, conform artikel 87 Gwd een taxatie plaatsgevonden van de waarde van de dieren, de waarde van het voer en eieren en de waarde van de overige besmette of van besmetting verdachte producten en voorwerpen.

- Bij besluit van 19 april 2003 heeft verweerder een tegemoetkoming in de schade toegekend.

- Bij brief van 1 mei 2003 heeft appellante onder meer te kennen gegeven het niet eens te zijn met de waardevaststelling die heeft plaatsgevonden op locatie E en om hertaxatie verzocht.

- Op 28 januari 2004 heeft een hertaxatie plaatsgevonden.

- Bij besluit van 14 september 2006 heeft verweerder de waarde van de dieren en de producten bepaald en de tegemoetkoming definitief vastgesteld op € 179.519,36, inclusief BTW.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 17 oktober 2006 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder voor zover thans relevant het volgende standpunt ingenomen:

“ (…)

Zieke dieren

Daarnaast heeft u bezwaar gemaakt tegen het feit dat 2.300 hanen zijn aangemerkt als ziek, zodat slechts 50% van de waarde is vergoed. Apathische dieren hoeven volgens u absoluut niet ziek te zijn, zodat een vermindering van zieke dieren ten opzichte van het totaal aantal dieren bij de waardebepaling niet op zijn plaats is. U stelt tegenover deze 2.300 zieke dieren de bewering dat het aantal AI besmette dieren in stal 10 op locatie Schans ongeveer 400 dieren bedroeg ten tijde van de screening.

Ook hier geldt dat in principe uitgegaan wordt van hetgeen taxateurs aandragen als waardebepaling, tenzij dit ingaat tegen de redelijkheid en billijkheid. Ik merk op dat de teammanager terecht de taxateurs is gevolgd in hun taxatie met betrekking tot de constatering dat 2.300 hanen ziek waren vanwege de AI.

Ik ga daarbij uit van de bevindingen van het specialistenteam dat op 3 en 4 april 2003 zowel locatie D als locatie E heeft bezocht. Op het moment van screening, 4 april 2003, zijn de kalkoenhanen getest op AI en positief bevonden. Daarnaast heeft de dierziekte deskundige/keuringsarts de heer F verklaard dat de op 3 april 2003 geconstateerde apathische kalkoenhanen weldegelijk symptonen van een ziekte vertoonden. Omdat toen nog geen duidelijkheid gegeven kon worden of het AI betrof, is de dag erop hieromtrent zekerheid verkregen. Nu achteraf bezien duidelijk is geworden dat de hanen in stal 10 op 3 april 2003 symptomen vertoonden van AI, is terecht uitgegaan van 2.300 zieke hanen.

De op de hoorzitting overgelegde verklaring (22 januari 2007) van de heer G, waaruit zou moeten blijken dat met de term ‘apathisch’ niet direct een verband is te leggen met een ziekte, zodat beduidend minder dan 2.300 dieren ziek zouden zijn, maakt dit niet anders. Deze verklaring is immers op uw aandringen tot stand gekomen, zoals blijkt uit de overlegde mailwisseling tussen u en de heer G van 21/22 januari 2007. Daarnaast heeft de heer F op 28 januari 2004 heel duidelijk aangegeven dat het gehele specialistenteam, waaronder de heer G, van mening was dat de apathische dieren weldegelijk als gevolg van een ziekte zich zo gedroegen. De apathische hanen zaten nog in een beginfase van de ziekte, waardoor meer specifieke, herkenbare symptonen zoals ademhalingsmoeilijkheden en hersenafwijkingen nog ontbraken. Nu het vaststaat dat een deel van de hanen in stal 10 in een gevorderd stadium van de AI zat, is het zeer logisch te veronderstellen dat de resterende apathische hanen in die stal in een minder gevorderd stadium zaten van de AI. In zoverre sluit ik me aan bij de verklaring van de heer F.

Nu is vast komen te staan dat de op 3 april 2003 geconstateerde apathische dieren inderdaad AI hebben gehad, is terecht een verlaging van de waarde van deze dieren op locatie E toegepast. Dit houdt in dat uw bezwaren hieromtrent ongegrond zijn.

Medicijnen

Tenslotte geeft u aan de kosten vergoed te willen hebben die u op aandringen van het specialistenteam gemaakt heeft om alle 19 weken oude hanen te injecteren. Om deze kosten aan te tonen heeft u een factuur overgelegd van dierenartsenpraktijk I te J. Op deze factuur van 13 juni 2003 staan de aan u geleverde medicijnen aangegeven.

In de oorspronkelijke taxatie is een bedrag opgenomen voor gebruikte medicijnen, te weten een waarde van € 1.628,69. In de hertaxatie is door een van de taxateurs deze waarde gehandhaafd en door een andere taxateur een waarde van

€ 1.628,90. De gemiddelde waarde van € 1.628,80 (inclusief BTW) is opgenomen in de tabel van het primaire besluit van 3 juni 2005. Nu u het bedrag van € 1.368,38 (exclusief BTW) reeds eerder toegekend heeft gekregen, is bij besluit van 3 juni 2005 geen vergoeding toegekend voor de medicijnkosten.

De taxateurs zijn uitgegaan van de juiste medicijnsoorten, alleen hebben ze niet dezelfde hoeveelheden meegenomen in de berekening van de waardevaststelling. In plaats van de getaxeerde 4 liter Baytril heeft u middels een factuur aangetoond 17 liter van dit medicijn aangekocht te hebben met goedkeuring van de betreffende dierenarts. De verklaring voor dit verschil zit hoogst waarschijnlijk in het feit dat 13 liter medicijn is gebruikt en dat de resterende 4 liter is vernietigd. Slechts het vernietigde deel is getaxeerd en vergoed.

Ik ben van mening dat u niet in aanmerking komt voor een vergoeding van het resterende gedeelte van de gemaakte kosten voor de aanschaf van de medicijnen. Alleen kosten voor gebruikte medicijn ter bestrijding van een besmettelijke dierziekte, welke dierziekte valt onder artikel 15, tweede lid, van de Gwwd, kan voor een vergoeding in aanmerking komen. Welke dierziekten vallen onder de noemer besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de Gwwd is geregeld in de ‘Regeling aanwijzing besmettelijke dierziekten’ van 12 maart 1996.

Aangezien een bacteriële infectie als gevolg van de E.Coli bacterie niet is aangewezen in de genoemde regeling als zijnde een besmettelijke dierziekte, zijn de artikelen 21 en 22 van de Gwwd niet van toepassing. Dit houdt in dat de gemaakte kosten niet vallen onder de reikwijdte van artikel 91 van de Gwwd, welk artikel verwijst naar artikel 21 van de Gwwd. In zoverre ben ik van mening dat er geen grondslag is te vinden in de Gwwd die het zou rechtvaardigen dat ik u een vergoeding zou toekennen voor het toegediende medicijn.

(…).”.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in haar beroepschrift samengevat weergegeven het volgende aangevoerd.

Appellante wenst de kosten van 13 liter van het medicijn Baytril vergoed te krijgen, omdat de hanen op aandringen van het specialistenteam hiermee zijn geïnjecteerd en deze dieren op het moment van injecteren niet meer in eigendom waren van appellante. Volgens appellante ligt het in die situatie voor de hand dat verweerder deze kosten vergoedt.

Appellante bestrijdt voorts dat de verklaring van de heer G op haar aandringen tot stand is gekomen. De e-mail van 12 mei 2003 is een bevestiging van het overleg dat tussen G en H is gevoerd en dat buiten medeweten van appellante heeft plaatsgevonden. Voorts hebben de hertaxateurs K en L die zieke dieren nooit gezien.

Tot slot wijst appellante op een uitspraak van het College van 18 oktober 2005, AWB 04/1044 (te raadplegen op <www.rechtspraak.nl> onder LJN AU5321).

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In geschil is allereerst of de dieren, waarover in meergenoemde brief van 14 mei 2003 is vermeld: “ ± 1700 dieren apathisch, d.w.z. stilzitten, niet wijken voor ons bij onze rondgang” door verweerder op goede gronden als ziek in de zin van de Gwd zijn beschouwd.

5.2 Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Blijkens genoemde brief is op basis van deze en overige bevindingen door het specialistenteam geconcludeerd dat (-) voor AI kenmerkende symptomen ontbraken, (-) een voerintoxicatie niet werd uitgesloten en dat (-) klassieke vogelpest niet is uit te sluiten alsmede dat (-) in telefonisch overleg met het nationaal crisisteam is besloten vijf dieren met kenmerkende symptomen te euthanaseren en in te zenden en dat (-) de uitslag van de test positief luidde.

Gelet op deze omstandigheden, waarbij van belang is dat AI een uiterst besmettelijke dierziekte is, heeft verweerder naar het oordeel van het College terecht geconcludeerd dat het geconstateerde gedrag, apathie, mede gelet op het feit dat na onderzoek is gebleken dat de ingestuurde dieren besmet waren met AI, een ziekteverschijnsel is dat moet worden toegeschreven aan aantasting van de dieren met AI. Verweerder heeft de dieren dan ook terecht als ziek in de zin van artikel 1, eerste lid, Gwd aangemerkt. Op grond hiervan is de waarde van de zieke dieren in overeenstemming met het bepaalde in artikel 2 van het Besluit verlaging tegemoetkoming aangewezen dierziekten terecht bepaald op een waarde van 50% van de dieren in gezonde toestand.

Gelet hierop kan aan de verklaring van de dierenarts-pluimvee-specialist, G, neergelegd in een e-mailbericht van 22 januari 2007, waarin is vermeld dat door hem de term apathie niet direct wordt geassocieerd met de ziekte, niet de betekenis toekomen die appellante daaraan gehecht wil zien. In hoeverre deze verklaring volgens verweerder op aandringen van appellante tot stand is gekomen behoeft derhalve geen bespreking.

De in dit verband overigens aangevoerde grond dat de hertaxateurs de dieren nimmer hebben gezien, kan evenmin afbreuk doen aan het vorenoverwogene. Zoals volgt uit de Gwd, heeft een (her)taxatie een (hernieuwde) waardevaststeling van - onder meer - de te doden (taxatie) of reeds gedode (hertaxatie) dieren ten doel en niet de daaraan ten grondslag liggende vaststelling van de gezondheidstoestand van die dieren. Deze vaststelling vindt plaats bij de daaraan voorafgaande screening, die in dit geval op 4 april 2003 is uitgevoerd. De hertaxateurs hebben zich derhalve terecht gebaseerd op de uitkomst van de screening. De door hen bij de waardevaststelling gemaakte rekenfout is door verweerder in het bestreden besluit reeds gecorrigeerd.

De verwijzing van appellante naar de uitspraak van het College van 18 oktober 2005 inzake AWB 04/1044 kan haar niet baten. In onderhavig geval is namelijk, anders dan in het geval van bedoelde uitspraak, expliciet en uitdrukkelijk door appellante verzocht om hertaxatie.

5.3 Voorts heeft verweerder zich naar het oordeel van het College terecht op het standpunt gesteld dat de resterende kosten die appellante heeft gemaakt door de aankoop van het medicijn Baytril niet vergoed behoeven te worden. Deze kosten hebben immers betrekking op dat deel van de aangekochte hoeveelheid medicijn dat ten tijde van de screening reeds aan de dieren was toegediend. De grondslag voor vergoeding van de kosten van dit deel kan derhalve - anders dan voor de op dat moment nog aanwezige en later vernietigde 4 liter van het medicijn - niet liggen in artikel 86, eerste lid, onder b, Gwd. Evenmin kan een grondslag worden gevonden in artikel 91 Gwd, dat voorziet in een mogelijkheid tot vergoeding van overige schade. Immers, gelet op de tekst van dit laatste artikel kan schade slechts voor vergoeding in aanmerking komen indien deze is veroorzaakt door de toepassing van maatregelen als bedoeld in artikel 17 of 21 Gwd, dat wil zeggen kosten die zijn gemaakt ter bestrijding van een door verweerder aangewezen besmettelijke dierziekte. In het voorliggende geval staat daarentegen vast dat deze medicijnen zijn toegediend ter bestrijding van de E.coli bacterie en dat besmetting met deze bacterie niet door verweerder is aangewezen als besmettelijke dierziekte in de zin van de Gwd.

De stelling van appellante dat de dieren in eigendom waren overgegaan naar verweerder en de kosten daarom moeten worden vergoed kan niet slagen. Immers, met het treffen van dergelijke maatregelen door verweerder is geen sprake van eigendomsoverdracht. Appellante is dus eigenaar gebleven.

5.4 Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5.5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. J.L.W. Aerts, mr. M. van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008.

w.g. C.M. Wolters w.g. P.M. Beishuizen