Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC4741

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
AWB 06/918
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Tegemoetkoming ex art. 86

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/918 6 februari 2008

11249 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Tegemoetkoming ex art. 86

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: C,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. K.A. van Dartel, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 18 december 2006, bij het College binnengekomen op 19 december 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 7 november 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant gericht tegen zijn besluit van

21 maart 2003 ongegrond verklaard. Bij dit laatste besluit heeft verweerder op basis van artikel 86 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) de tegemoetkoming in de door appellante als gevolg van maatregelen ter bestrijding van Aviaire Influenza (hierna: AI) geleden schade definitief vastgesteld.

Bij brief van 21 februari 2007 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Verweerder heeft bij brief van 28 februari 2007 een verweerschrift ingediend.

Bij griffiersbrief van 23 november 2007 is verweerder verzocht om toezending van een aantal stukken. Verweerder heeft bij brief van 27 november 2007 onder meer de gevraagde stukken ingediend.

Op 18 december 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant in persoon is verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde en verweerder bij gemachtigde is verschenen. Voor verweerder is voorts verschenen D, senior toezichthoudend dierenarts bij de Voedsel en Warenautoriteit.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De voor de beoordeling van het geschil van belang zijnde bepalingen van de Gwd luidden ten tijde hier van belang als volgt:

“Artikel 22

1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn:

(…)

f. het doden van zieke en verdachte dieren;

(…)

Artikel 86

1. Uit het Diergezondheidsfonds wordt aan de eigenaar een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd, indien:

a. dieren krachtens het bepaalde in artikel 22, eerste lid, onderdeel f, worden gedood;

(…)

2. De tegemoetkoming in de schade bedraagt:

a. voor verdachte dieren: de waarde in gezonde toestand,

b. voor zieke dieren: het bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gedeelte van de waarde in gezonde toestand,

(…)

Artikel 87

Alvorens dieren op grond van artikel 22, eerste lid, onderdeel f, worden gedood of producten en voorwerpen op grond van artikel 22, eerste lid, onderdeel g, onschadelijk worden gemaakt (…), wordt de waarde daarvan vastgesteld.

Artikel 88

(…)

2. De in artikel 87 bedoelde waardevaststelling geschiedt door een beëdigd deskundige, welke wordt aangewezen door Onze Minister.”

In artikel 2 van het Besluit van 13 oktober 2000, houdende regels voor het vaststellen van een verlaging van de tegemoetkoming in de schade bij aangewezen dierziekten (hierna: Besluit verlaging tegemoetkoming aangewezen dierziekten) is bepaald dat het in artikel 86, tweede lid, onderdeel b, Gwd de wet bedoelde gedeelte van de waarde van de dieren in gezonde toestand, 50% bedraagt.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Naar aanleiding van een melding van verdenking klassieke vogelpest heeft op 3 maart 2003een screening plaatsgevonden op het bedrijf van appellant.

- Bij besluit van 4 maart 2003 heeft verweerder alle scharrelkippen op het bedrijf van appellant als verdacht van besmetting met AI aangemerkt. Voorts is in dit besluit vermeld dat op 3 maart 2003 is geconstateerd dat “4500 van de in totaal 8300 scharrelkippen ziek waren en dat hiervan 180 scharrelkippen dood waren”.

- Op 5 maart 2003 heeft op het bedrijf van appellant conform artikel 87 Gwd een taxatie plaatsgevonden van de waarde van de dieren, de waarde van het voer en eieren en de waarde van de overige besmette of van besmetting verdachte producten en voorwerpen.

- Bij besluit van 21 maart 2003 heeft verweerder de waarde van de dieren en producten bepaald en de tegemoetkoming vastgesteld op € 27.976,32 inclusief BTW.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 28 april 2003 bezwaar gemaakt.

- Bij aanvullend besluit van 6 mei 2003 heeft verweerder de waarde van de producten en voorwerpen gecorrigeerd en aangevuld en de tegemoetkoming aangevuld met een dagvergoeding.

- Op 23 november 2005 is appellant gehoord. Daarbij heeft appellant verklaard het eens te zijn met de in het besluit van 4 maart 2003 genoemde aantallen gezonde, dode en zieke dieren.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder voor zover relevant het volgende standpunt ingenomen:

“ (…)

Uit uw bezwaarschrift volgt dat u het niet eens bent met de tegemoetkoming die is vastgesteld voor de zieke dieren. Tijdens de hoorzitting heeft u hierbij als toelichting gegeven dat u van pluimveehouders in de omgeving hebt begrepen dat zij een vergoeding voor zieke dieren hebben ontvangen van 90 tot 95 %. Ik merk hierover het volgende op.

Uit het bepaalde in artikel 86 lid 2, onder b, van de Gwwd en uit artikel 2 van het Besluit verlaging tegemoetkoming aangewezen dierziekten, volgt dat de tegemoetkoming in de schade voor zieke dieren 50% bedraagt van de waarde van de dieren in gezonde toestand. Dit is dus een wettelijk vastgesteld percentage, waarvan niet wordt afgeweken. Dat u van pluimveehouders uit uw omgeving een ander percentage hebt vernomen kan wellicht verklaard worden uit de omstandigheid dat in sommige gevallen is overgegaan tot betaling van een voorschot, dat 90 % van de vastgestelde tegemoetkoming bedraagt. Laatstgenoemd percentage heeft dus geen betrekking op de vaststelling van de tegemoetkoming voor zieke dieren.

In uw bezwaarschrift stelt u ook nog dat de dieren na aanmelding op 3 maart 2003, pas na twee dagen, op 5 maart 2003, zijn geruimd en dat u op basis daarvan ook wenst te worden uitbetaald.

Mij is gebleken dat ook ten aanzien van dit punt op de juiste wijze is gehandeld. Het uitgangspunt voor de vaststelling van de vergoeding is immers, volgens vaste jurisprudentie, de situatie op de datum van screening (3 maart 2003). Omdat er pas twee dagen later, op 5 maart 2003, is geruimd, is aan u ter compensatie een dagvergoeding toegekend. Ik verwijs hiervoor naar het besluit van 6 mei 2003.

(…).”

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft in zijn beroepschrift het volgende naar voren gebracht:

“ (…)

Nu na 3,5 jaar komt u dus met de volgens u juiste cijfers waarom we € 24.361,83 hebben gehad. Er zijn in de taxatie bedragen afgesproken en we hebben daar onze handtekening onder gezet omdat we het eens waren met het bedrag. En dan word[…] je dus gekort omdat er in 1 schuur zieke dieren waren. Daar is met de taxatie nooit over gesproken. Daarom vinden we dat we niet gekort hoeven te worden over de dieren in stal 2.

(…).”

Ter zitting heeft appellant te kennen gegeven dat de procedure erg lang heeft geduurd. Voorts heeft hij aangevoerd dat hem gevallen bekend zijn waarin de vergoeding voor zieke dieren 100% bedraagt.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Gebleken is dat de taxateur bij de taxatie is uitgegaan van de waarde van de dieren op de datum waarop de taxatie heeft plaatsgevonden, te weten 5 maart 2003. In aanmerking genomen dat op dat moment inmiddels 80 % (3.600 stuks) van de dieren in stal twee was overleden, heeft hij bij zijn taxatie voor wat betreft deze stal slechts rekening gehouden met de resterende 20 % van de dieren (913 stuks), waarvoor hij de volledige waarde heeft gerekend. Aldus kwam hij tot een waarde van de in stallen een en twee geruimde dieren van € 18.799,74, inclusief BTW. Verweerder is bij de toekenning van de tegemoetkoming – in afwijking van deze taxatie – volgens zijn vaste praktijk uitgegaan van de waarde van de dieren op de screeningsdatum, 3 maart 2003. Op dat moment waren de dieren in stal twee volgens verweerder alle ziek en waren er nog geen overleden. Overeenkomstig artikel 86, tweede lid, aanhef en onder b, Gwd, gelezen in samenhang met artikel 2 van het Besluit verlaging tegemoetkoming aangewezen dierziekten heeft hij de waarde van de zieke dieren in deze stal (4.513 stuks) gesteld op 50% van de waarde van de dieren in gezonde toestand. Aldus is verweerder gekomen tot toekenning van een tegemoetkoming van € 24.361,83, inclusief BTW, voor de geruimde dieren in beide stallen.

5.2 Het College maakt uit het beroepschrift, zoals toegelicht ter zitting, op dat appellant zich er op beroept dat verweerder in zijn geval bij de toekenning van de tegemoetkoming ten onrechte de waarde van de zieke dieren in stal twee heeft berekend op basis van de helft van de waarde in gezonde toestand. Hiertoe heeft appellant gesteld dat de taxateur hem niet van de toepassing van een zodanige korting op de hoogte heeft gesteld.

5.3 Volgens vaste jurisprudentie van het College, zoals onder andere neergelegd in de uitspraak van 20 september 2005 (AWB 04/720, www.rechtspraak.nl, LJN AU3674), dient verweerder bij de vaststelling van de tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 86 Gwd uit te gaan van de waardevaststelling door de deskundige op grond van artikel 88, tweede lid, Gwd. Slechts in uitzonderlijke gevallen zal verweerder van deze waardevaststelling kunnen afwijken. Dit zal het geval kunnen zijn wanneer deze vaststelling, hetzij uit hoofde van haar inhoud, hetzij uit hoofde van de wijze van haar totstandkoming, zozeer ingaat tegen hetgeen redelijk en billijk is, dat verweerder deze in redelijkheid niet aan besluitvorming ten grondslag kan leggen.

5.4 In het voorliggende geval is verweerder naar het oordeel van het College op goede gronden afgeweken van de door de taxateur vastgestelde waarde van de geruimde dieren. In aanmerking genomen dat deze waardevaststelling – in afwijking van de vaste praktijk van verweerder – heeft plaatsgevonden naar de datum van de taxatie, in samenhang met de omstandigheid dat voor de op deze datum inmiddels (aan AI) overleden dieren geen waarde kan worden vastgesteld omdat zij niet door een maatregel van verweerder zijn gedood, alsmede mede gezien de omstandigheid dat berekening van de tegemoetkoming – volgens de vaste praktijk van verweerder – naar de datum van de screening in combinatie met het gegeven dat de waarde van de destijds zieke dieren volgens de toepasselijke wettelijke voorschriften de helft beliep van die van gezonde dieren, gunstiger uitpakte voor appellant, heeft verweerder, in overeenstemming met het hiervoor weergegeven uitgangspunt terecht aanleiding gezien deze waardevaststelling niet aan zijn besluit tot toekenning van de tegemoetkoming ten grondslag te leggen. De omstandigheid dat de taxateur appellant er niet van op de hoogte heeft gesteld dat voor zieke dieren de helft van de waarde van gezonde dieren wordt gerekend, brengt niet met zich dat verweerder deze in artikel 86, tweede lid, aanhef en onder b, Gwd, gelezen in samenhang met artikel 2 van het Besluit verlaging tegemoetkoming aangewezen dierziekten voorgeschreven korting naast zich neer kon leggen.

Voor zover appellant heeft gewezen op andere gevallen waarin volgens hem 100% van de waarde voor zieke dieren is uitgekeerd, overweegt het College dat appellant deze stelling niet (tijdig) nader heeft onderbouwd.

5.5 Voorts is het College met appellant van oordeel dat weliswaar de besluitvorming door verweerder een aanzienlijke periode in beslag heeft genomen, doch dat dit tijdsverloop op zich zelf bezien niet kan leiden tot het oordeel dat het besluit onrechtmatig is.

5.6 Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5.7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. J.L.W. Aerts, mr. M. van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008.

w.g. C.M. Wolters w.g. P.M. Beishuizen