Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC4710

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/330
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 07/330 12 februari 2008

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: mr. drs. J.P. de Man, advocaat te Rosmalen,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit , verweerder,

gemachtigde: mr. C.E.B. Haazen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen .

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 14 mei 2007, bij het College binnengekomen op 15 mei 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 5 april 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 1 december 2006, waarbij verweerder de aan appellante ingevolge de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 toekomende toeslagrechten heeft vastgesteld.

Bij brief van 26 juni 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 23 januari 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunt hebben toegelicht bij monde van hun gemachtigden. Van de zijde van appellante is voorts A verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 33

Subsidiabiliteit

1. De landbouwers kunnen gebruik maken van de bedrijfstoeslagregeling indien:

a) zij op grond van ten minste één van de in bijlage VI bedoelde steunregelingen een betaling hebben ontvangen in de in artikel 38 vastgestelde referentieperiode, of (…)

Artikel 37

Berekening van het referentiebedrag

1. Het referentiebedrag is het gemiddelde over drie jaar van het totaalbedrag aan toeslagen dat aan een landbouwer voor elk kalenderjaar van de in artikel 38 vastgestelde referentieperiode is verleend op grond van de in bijlage VI genoemde steunregelingen, berekend en aangepast overeenkomstig bijlage VII.

(…).

Artikel 38

Referentieperiode

De referentieperiode omvat de kalenderjaren 2000, 2001 en 2002”

Artikel 3 bis van Verordening (EG) nr. 795/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt:

“Geconstateerde hectaren en dieren

Onverminderd de toepassing van bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 1782/2003, is het voor de vaststelling van het in artikel 37, lid 1, van die verordening bedoelde referentiebedrag in aanmerking te nemen aantal hectaren of dieren waarvoor in de referentieperiode een rechtstreekse betaling is of had moeten worden toegekend, het aantal geconstateerde hectaren of dieren in de zin van artikel 2, onder r) en s), van Verordening (EG) nr. 2419/2001 voor elke van de in bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 vermelde rechtstreekse betalingen.”

Artikel 2, sub s van Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen luidde als volgt:

“Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

s. “geconstateerd dier”: een dier waarvoor aan alle in de voorschriften gestelde steuntoekenningsvoorwaarden in het kader van de betrokken regeling is voldaan.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 28 maart 2003 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen verweerders beslissing van 25 maart 2002 op appellantes aanvraag over het verkoopseizoen 2001 voor premie op grond van de Regeling dierlijke EG-premies, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante geen beroep ingesteld bij het College.

- Op het door haar op 14 maart 2005 ingezonden formulier “Inventarisatie Bedrijfsgegevens voor toeslagrechten” heeft appellante onder meer aangegeven dat naar haar mening onder de bij verweerder bekende referentiegegevens voor het vaststellen van toeslagrechten voor de productgroep rundvlees onjuiste aantallen geconstateerde stieren staan vermeld.

- Bij besluit van 1 december 2006 heeft verweerder de aan appellante toekomende toeslagrechten vastgesteld.

- Bij brief van 11 december 2006 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder, na een op 29 maart 2007 gehouden hoorzitting, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij samengevat, het volgende overwogen.

Bij besluit van 1 december 2006 zijn aan appellante 40,6 toeslagrechten met een totaalwaarde van € 13016,43 toegekend. In de productgroep rundvlees is verweerder daarbij voor het jaar 2001 uitgegaan van 14 geconstateerde runderen.

Op grond van een AID-controle zijn in het kader van de besluitvorming op appellantes aanvraag om dierpremie voor het verkoopseizoen 2001 44 stieren als niet geconstateerd aangemerkt, zodat aan appellante voor dat jaar slechts voor 14 dieren premie is toegekend.

Het door appellante gemaakte bezwaar tegen de beslissing op de aanvraag stierpremies 2001 is bij besluit van 28 maart 2003 ongegrond verklaard. Daartegen is geen beroep ingesteld bij het College. Daarmee is het besluit op de aanvraag 2001 onherroepelijk geworden. In het kader van de procedure betreffende de toeslagrechten kan niet, zoals appellante wenst, beslist worden dat over 2001 alsnog voor 44 stieren extra premie wordt toegekend.

Appellantes betoog dat AID-ambtenaar D, die destijds de controle had verricht, van mening zou zijn dat de betrokken 44 stieren niet hadden mogen worden afgekeurd kan haar niet baten. Het gaat immers om een onherroepelijk geworden besluit dat in het kader van deze procedure niet ter discussie kan worden gesteld. Daarenboven is een AID-ambtenaar slechts belast met controle op de naleving van voorwaarden van de Regeling. Hij is niet bevoegd op de aanvraag te beslissen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante meent dat de 44 stieren die door de AID in 2001 niet in de stal van appellante te C, maar in de stal van haar buurman te E werden aangetroffen ten onrechte als niet geconstateerd werden aangemerkt. Zij baseert dit op mededelingen van AID-inspecteur D, die tijdens een gesprek in 2006 meegedeeld heeft dat de betrokken dieren in 2001 conform de geldende regels werden aangehouden in de stal te E.

Appellante meent daarom dat haar alsnog voor deze 44 stieren premie dient te worden toegekend en bovendien moeten deze dieren worden meegenomen in het aantal geconstateerde stieren in de productgroep vlees dat verweerder moet hanteren bij de vaststelling van de aan appellante toekomende toeslagrechten.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het bestreden besluit heeft uitsluitend betrekking op appellantes toeslagrechten. Reeds daarom kan in deze procedure de vraag of appellante over het jaar 2001 recht had kunnen doen gelden op een hogere dierpremie niet aan de orde komen. Het besluit over de hoogte van die premie geldt hier als uitgangspunt.

Overigens constateert het College dat ook geen verklaring van de AID-inspecteur D voorligt, die een ander licht werpt op deze zaak.

5.2 Verweerder is bij het vaststellen van het referentiebedrag gehouden toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1782/2003. Voor de berekening is voor de productgroep runderen doorslaggevend het aantal geconstateerde dieren in de jaren 2000, 2001 en 2002. Voor het jaar 2001 is verweerder daarbij, conform het onherroepelijk geworden besluit op de aanvraag dierpremie 2001, uitgegaan van 14 geconstateerde stieren. Verweerder heeft niet de beleidsvrijheid om, zoals appellante wenst, 44 stieren die niet als geconstateerd zijn aangemerkt bij de berekening van het referentiebedrag te betrekken.

In het licht van het bepaalde in artikel 3 bis van Verordening (EG) nr. 795/2004 merkt het College op, dat de 44 stieren in 2001 niet geconstateerd zijn, omdat zij niet op het bedrijf van appellante verbleven. Van een sanctie op grond van Verordening (EG) nr. 2419/2001 is ten aanzien van deze dieren geen sprake geweest. Voor de 14 wel geconstateerde dieren is destijds als sanctie geen premie toegekend. Voor de toeslagrechten zijn die dieren op grond van artikel 3 bis van Verordening (EG) nr. 795/2004 terecht als geconstateerde dieren meegenomen.

5.4 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling acht het College geen termen aanwezig.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2008.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas