Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC4707

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
AWB 06/857
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Kaderwet EZ - subsidies

Besluit subsidies regionale investeringsprojecten

Wetsverwijzingen
Kaderwet EZ-subsidies
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/857 12 februari 2008

27353 Kaderwet EZ - subsidies

Besluit subsidies regionale investeringsprojecten

Uitspraak in de zaak van:

Evides Zuivering Delfzijl B.V., te Rotterdam, appellante,

gemachtigde: drs. J. Jongerius, werkzaam bij Evers & Manders Consult B.V. te Hoevelaken,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. A.M.C. van Hesteren en drs. P. van Asperen, beiden werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 27 november 2006, bij het College binnengekomen op 28 november 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 oktober 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag om subsidie op basis van het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000 (hierna: BSRI 2000) dat is gebaseerd op de Kaderwet EZ-subsidies, ongegrond verklaard.

Bij brief van 12 januari 2007 heeft appellante het beroep voorzien van gronden.

Op 15 maart 2007 en op 8 mei 2007 heeft verweerder respectievelijk op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Op 4 oktober 2007 heeft appellante nog een stuk in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2007, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht. Aan de zijde van appellante waren tevens aanwezig ir. P.A. de Boks en mr. R. Lucas, beiden werkzaam bij appellante.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Het BSRI 2000 luidde ten tijde hier van belang als volgt:

"Artikel 1

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

b. project: een technisch, functioneel en in de tijd samenhangend geheel van investeringen in duurzame bedrijfsuitrusting al dan niet in combinatie met grond of bedrijfsgebouwen;

c. vestigingsproject: een project, niet zijnde een uitbreidingsproject, inhoudende het stichten van:

1°. een industrieel bedrijf,

2°. een stuwend dienstverlenend bedrijf, hoofdkantoor of laboratorium,

(…)

h. stuwend dienstverlenend bedrijf: een dienstverlenend bedrijf, niet zijnde een toeristisch bedrijf of een bedrijf waarvan de activiteiten grotendeels bestaan uit het bieden van accommodatie aan congresgangers, dat naar zijn aard niet aan enige plaats gebonden is, dat de economische ontwikkeling van de regio van vestiging stimuleert en waarvan de afnemers in overwegende mate gevestigd zijn buiten de regio waarin het is of zal worden gevestigd;

(…)

Artikel 2

1. Onze Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan de ondernemer die een project tot stand brengt in een bij ministeriële regeling aangewezen gemeente of deel van een gemeente.

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief van 12 december 2005 heeft appellante bij verweerder door middel van een daartoe bestemd aanvraagformulier een aanvraag voor subsidie ingediend in het kader van het BSRI 2000 ten behoeve van een investering van ruim 7 miljoen euro. De aanvraag heeft betrekking op de vestiging van Evides Zuivering Delfzijl B.V. in Delfzijl. Op het aanvraagformulier staat onder ‘16. Beknopte beschrijving van het project’ het volgende vermeld:

“In het project wordt geïnvesteerd in de vervaardiging en de ingebruikname van een zuiveringsinstallatie voor de behandeling van het afvalwater van een integraal industriepark. In de huidige situatie zien de industriële ondernemingen zich vanuit technisch en economisch oogpunt genoodzaakt onvoldoende gezuiverd op oppervlaktewater te lozen. Met een toenemende druk vanuit Europa (implementatie van de Kaderrichtlijn Water), vormt de afvalwaterproblematiek een bedreiging voor het industriële vestigingsklimaat op het industriepark.”

In de door appellante als bijlage bij de aanvraag gevoegde projectbeschrijving staat onder meer het volgende vermeld:

“2. Projectbeschrijving

2.1 Algemeen

EZD overweegt een oplossing te bieden voor de geschetste problematiek. EZD wenst dit te doen door zich bij het bedrijventerrein Oosterhorn te vestigen (…) met een industriële afvalwaterbehandelingsinstallatie. Met deze integrale eindzuivering kan EZD aan de huidige industriële bedrijven zuiveringscapaciteit beschikbaar stellen en het afvalwater van de bedrijven gemeenschappelijk zuiveren. De afnemers zullen een bedrag betalen per gezuiverde eenheid afvalwater. (…)

4. Motivatie aanvraag van BSRI subsidie

(…)

EZD zal de eventuele BSRI subsidie voor het grootste deel aanwenden om het voor de bedrijven nog interessanter te maken om gebruik te maken van de ZAWZI. Dit zal gebeuren door op de lozingstarieven voor de bedrijven een korting te geven. (…).”

- Bij ongedateerde brief heeft appellante aanvullende informatie verstrekt over haar aanvraag.

- Bij brief van 7 maart 2006 heeft verweerder appellante laten weten voornemens te zijn haar aanvraag af te wijzen, omdat het project niet als industrieel en niet als stuwend dienstverlenend kan worden aangemerkt en derhalve niet voldoet aan de criteria van een vestigingsproject als bedoeld in het BSRI 2000.

- Bij brief van 30 maart 2006 heeft appellante een reactie gegeven op het voornemen.

- Bij besluit van 31 mei 2006 heeft verweerder de aanvraag van appellante afgewezen.

- Bij brief van 5 juli 2006 heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar dateren van 3 augustus 2006.

- Op 18 september 2006 is appellante naar aanleiding van haar bezwaarschrift gehoord. Van deze hoorzitting is een verslag opgemaakt. Bij ongedateerde brief, door verweerder ontvangen op 5 oktober 2006, heeft appellante een reactie gegeven op dit verslag.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder onder meer het volgende overwogen.

“5. Beoordeling van het bezwaar

5.1 Het project

Uw aanvraag heeft betrekking op de bouw van een zoutafvalwaterzuiveringsinstallatie om het afvalwater van bedrijven op het bedrijventerrein Oosterhorn te zuiveren zodat het als biologisch gezuiverd afvalwater kan worden geloosd op het Zeehavenkanaal.

In een later stadium bent u van plan het afvalwater verder te verwerken voor teruglevering aan de bedrijven op het bedrijventerrein Oosterhorn. Deze fase maakt echter geen deel uit van de aanvraag BSRI 2000 en dient dan ook bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een vestigingsproject van een industrieel of een stuwend dienstverlenend bedrijf niet te worden meegenomen. Het is de vraag of uw project betreffende de bouw van een zoutafvalwaterzuiveringsinstallatie om het afvalwater van bedrijven op het bedrijventerrein Oosterhorn te zuiveren, aangemerkt dient te worden als een industrieel bedrijf of als een stuwend dienstverlenend bedrijf.

5.2 Is sprake van een vestigingsproject, inhoudende de stichting van een industrieel bedrijf?

Het in artikel 1, onder c, 1. van het BSRI 2000 gebruikte begrip “industrieel bedrijf” is, noch in de tekst van het BSRI 2000, noch in de toelichting op het Besluit nader toegelicht. Bij gebreke van een invulling van bedoeld begrip in de regelgeving dient aansluiting te worden gezocht bij het normale spraakgebruik.

In het spraakgebruik wordt onder een industrieel bedrijf verstaan een economische bedrijvigheid waarbij grondstoffen technisch worden verwerkt tot (half)producten. Ik stel vast dat over deze definitie geen verschil van mening bestaat.

Het project bestaat uit de bouw van een installatie ten behoeve van het zuiveren van afvalwater dat vervolgens [wordt] geloosd op het Zeehavenkanaal. De economische bedrijvigheid is gericht op het zuiveren van afvalwater en niet op het verwerken van afvalwater tot proceswater dat als grondstof door een van de bedrijven op het bedrijventerrein kan worden gebruikt. Van een economische bedrijvigheid die bestaat uit het technisch verwerken van grondstoffen tot (half)produkten is dan ook geen sprake.

In uw bezwaar heeft u aangegeven dat naar uw mening sprake is van een industrieel bedrijf omdat het de uiteindelijke bedoeling is het gezuiverde afvalwater te gaan leveren als proceswater aan bedrijven op het bedrijventerrein Oosterhorn.

Ik wijs u erop dat het leveren van proceswater geen deel uitmaakt van het project zoals omschreven in de subsidieaanvraag en derhalve ook geen deel uitmaakt van de beoordeling of sprake is van een industrieel bedrijf.

Continue aanpassen van installaties

Daarnaast voert u aan dat het voor het project noodzakelijk is dat de installaties continue worden aangepast. Naar uw mening is daarmee sprake van het vervaardigen van installaties hetgeen volgens de classificatiecodes van het CBS valt onder industrie.

Ik merk op dat het vervaardigen van installaties gelet op uw aanvraag niet de economische bedrijvigheid is waar het in uw project om gaat maar opgevat dient te worden als een noodzakelijk onderdeel van het project.

Ik merk daarbij op dat zonder een technisch, functioneel en in de tijd samenhangend geheel van investeringen in duurzame bedrijfsuitrusting, al dan niet in combinatie met grond of bedrijfsgebouwen, er geen sprake is van een “project” in de zin van het BSRI 2000.

Doel van de economische bedrijvigheid is het zuiveren van het afvalwater van de bedrijven op het bedrijventerrein, het aanpassen van installaties geschiedt ten behoeve van dit doel.

De definitie van Senter

Als bijlage bij uw brief van 31 maart 2006 heeft u bijgesloten de "Interpretatie industrie in de IPR", in uw bezwaar doet u hierop nogmaals een beroep. Tijdens de hoorzitting heeft u aangegeven dat u een beroep doet op de definitie van de IPRsubsidie uit 1996. U heeft aangegeven dat het u gaat om de definitie, u bent van mening dat de in de bijlage bij uw brief van 31 maart 2006 genoemde zaak niet vergelijkbaar is met het onderhavige project. Noch ik, noch de Minister van Economische Zaken, noch een voorganger, heeft de IPRregeling vastgesteld. Ik ben dan ook niet gehouden aan de in die regeling opgenomen definities of de uitleg daarvan.

Overigens sluit de door u in de bijlage bij uw brief van 31 maart 2006 opgenomen definitie aan bij de hiervoor gegeven interpretatie van het begrip industrieel bedrijf.

Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat uw project niet kwalificeert als een project, inhoudende het stichten van een industrieel bedrijf. Uw bezwaar is dan ook ongegrond.

5.3 Is sprake van een project, inhoudende het stichten van een stuwend dienstverlenend bedrijf hoofdkantoor of laboratorium?

Bij de vraag of sprake is van dienstverlening staat naar mijn mening het tegen betaling verlenen van diensten centraal. Naar uw mening ziet de definitie van dienstverlening in de Van Dale op het verrichten van een handeling, in de zin van het verrichten van arbeid.

Deze mening deel ik niet. De "Van Dale; grootwoordenboek van de Nederlandse taal, 14e herziene druk, geeft aan dat het bij dienstverlening gaat om een handeling of een geheel van handelingen ‘ten nutte van’ of ‘ten behoeve van’ anderen of een ‘handeling die iemands belang bevordert’. Uit deze definitie blijkt niet dat sprake moet zijn van arbeid.

Uit uw subsidieaanvraag van 12 december 2005, de Algemene Voorwaarden Afvalwater en de concept-contracten maak ik op dat sprake is van het door Evides Delfzijl B.V. ontvangen en zuiveren van afvalwater. De tegenprestatie van uw contractpartner, een bedrijf op het bedrijventerrein Oosterhorn, bestaat uit de betaling van een tarief. Doel van de economische bedrijvigheid van het project is dan ook het zuiveren van afvalwater.

Hierbij is derhalve sprake van een dienst die bestaat uit het tegen betaling zuiveren van afvalwater ten behoeve van een bedrijf op het bedrijventerrein Oosterhorn. Hiermee is voldaan aan de definitie van dienstverlening.

Definitie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft in haar uitspraak van 4 april 2006, kenmerk AWB 04/809, in het kader van een aanvraag voor een BSRI-subsidie het volgende geoordeeld: “Anders dan bij handel staat bij dienstverlening centraal een verrichting die niet is gericht op het produceren van een stoffelijke zaak of het toevoegen van waarde aan eigen goederen. Rechtens is de dienst voorwerp van de beoogde transactie en niet een goed.”

In uw bezwaar stelt u dat er wel degelijk een stoffelijke zaak wordt geproduceerd doordat de negatieve economische waarde van het afvalwater wordt verminderd. Naar mijn oordeel heeft het verminderen van de negatieve economische waarde niet tot gevolg dat sprake is van het produceren van goederen. Na zuivering van het afvalwater wordt het immers rechtstreeks geloosd op het kanaal. Zoals hiervoor is aangegeven blijkt uit de subsidieaanvraag van 12 december 2005, de Algemene voorwaarden Afvalwater en de concept-contracten dat sprake is van een dienst die bestaat uit het tegen betaling zuiveren van afvalwater ten behoeve van een bedrijf op het bedrijventerrein Oosterhorn.

Stuwend karakter?

Indien sprake is van een dienstverlenend vestigingsproject dan is subsidie op grond van het BSRI 2000 slechts mogelijk indien sprake is van een stuwend dienstverlenend bedrijf.

Van een stuwend dienstverlenend bedrijf is sprake indien dat bedrijf naar zijn aard niet aan enige plaats gebonden is, dat de economische ontwikkeling van de regio van vestiging stimuleert en waarvan de afnemers in overwegende mate gevestigd zijn buiten de regio waarin het bedrijf is of zal worden gevestigd. In mijn brief van 7 maart 2006 OI/REB/PNN 6017305b75, heb ik aangegeven dat uw aanvraag zich richt op bedrijven gevestigd op het bedrijventerrein Oosterhorn zodat dat uw afnemers niet in overwegende mate buiten de regio zijn gevestigd. In uw brief van 30 maart 2006, kemmerk IW/UB2006330-PDB0205, heeft u aangegeven dat u van mening bent dat een stuwend karakter ontbreekt.

Ik sluit mij bij deze conclusie aan. Uw project voldoet niet aan de criteria voor een vestigingsproject van een stuwend dienstverlenend bedrijf

Gelet op het voorgaande is het project, dat bestaat uit het een investering ten behoeve van het vervaardigen en de ingebruikname van een zoutwaterzuiveringsinstallatie voor de behandeling van het afvalwater van een integraal industriepark te Delfzijl, te kwalificeren als een dienstverlenend bedrijf dat een stuwend karakter ontbeert. Het project zoals beschreven in de aanvraag voldoet daarmee niet aan de eisen van een vestigingsproject zoals omschreven in artikel 1, eerste lid onder c, van het BSRI 2000.

Uw bezwaren zijn dan ook ongegrond.

6. Beslissing

Nu het project niet voldoet aan de subsidievoorwaarden voor het BSRI 2000 is de aanvraag terecht afgewezen. Ik handhaaf dan ook het besluit.”

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep, zakelijk weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante is van mening dat het project als industrieel geclassificeerd dient te worden in plaats van, zoals verweerder ten onrechte heeft gedaan, als dienstverlenend. In het bestreden besluit heeft verweerder de feiten onjuist weergegeven, causale verbanden gesuggereerd die er niet zijn, conclusies getrokken zonder dat argumenten voor die conclusies zijn aangedragen en argumenten uit het bezwaarschrift niet weerlegd. Hierdoor heeft verweerder een onjuiste conclusie getrokken over de centrale vraag of het project een industrieel vestigingsproject is.

Appellante verstaat, evenals verweerder, onder industrieel bedrijf een economische bedrijvigheid waarbij grondstoffen technisch worden verwerkt tot (half)producten. De economische bedrijvigheid is thans gericht op het zuiveren van afvalwater tot effluentkwaliteit. Van belang is dat effluent kwaliteit op zich voldoende is om het water als (laagwaardig) proceswater te kunnen hergebruiken. Het feit dat zich tot nu toe geen bedrijven hebben aangemeld die zijn geïnteresseerd in dit effluent laagwaardig proceswater doet hier niet aan af. De opmerking van verweerder dat afvalwater niet tot proceswater wordt verwerkt dat als grondstof door een van de bedrijven op het bedrijventerrein kan worden gebruikt, is derhalve niet correct. Het effluent kan immers wel worden hergebruikt door de bedrijven.

Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit ten onrechte opgemerkt dat naar de mening van appellante sprake is van een industrieel bedrijf omdat het de uiteindelijke bedoeling is het gezuiverde afvalwater te gaan leveren als proceswater aan bedrijven op het bedrijventerrein Oosterhorn. Appellante heeft immers niet gesteld dat sprake is van causaliteit. Het water dat wordt geproduceerd met effluent kwaliteit kan worden gebruikt door de industriële klanten van appellante, zodat reeds om die reden sprake is van het verwerken tot (half)producten. Of de bedrijven het effluent al dan niet daadwerkelijk gebruiken binnen de projectperiode doet niet terzake.

Appellante is van mening dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een industrieel bedrijf een indicatie is dat de kwaliteit van het bewerkingsproces en de beschikbaarheid van apparatuur centraal staan en niet de beschikbaarheid van personen, terwijl bij een ambachtelijk of dienstverlenend bedrijf dit juist andersom is. Verweerder heeft deze indicatie ten onrechte niet meegenomen in de beoordeling.

Verweerder merkt in het bestreden besluit weliswaar op dat hij niet is gehouden aan de (uitleg van de) IPR regeling, maar appellant is van mening dat de definitie van Senter met betrekking tot het begrip industrieel bedrijf niet per regeling essentieel kan verschillen. Appellante acht deze definitie van Senter relevant en het project voldoet hieraan.

De door verweerder aangehaalde definitie van dienstverlening luidt: een geheel van handelingen ten nutte van of ten behoeve van anderen of een handeling die iemands belang bevordert. Volgens het woordenboek van Van Dale is een handeling een op zichzelf staande niet-werktuigelijke verrichting, daad. Aangezien de activiteiten van het project wel werktuigelijk zijn en dus geen handelingen zijn, kan het project niet als dienstverlening worden aangemerkt.

De opmerking van verweerder in het bestreden besluit dat het doel van de economische bedrijvigheid van het project het zuiveren is van afvalwater miskent dat het appellante niet alleen gaat om zuiveren van afvalwater, maar dat daarmee en daardoor tevens water wordt verkregen dat geschikt is als proceswater voor de industrie. Dat derhalve sprake is van een dienst suggereert een causaal verband dat niet is onderbouwd.

Appellante is van mening dat een stoffelijke zaak wordt geproduceerd, zodat het niet kan gaan om dienstverlening overeenkomstig de definitie die het College hiervan heeft gegeven. Dat de definitie is gegeven om het onderscheid met handel aan te tonen doet niet af aan het feit dat het project van appellante niet voldoet aan evenbedoelde definitie.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ter beoordeling staat of verweerder in bezwaar terecht zijn besluit tot afwijzing van de subsidieaanvraag heeft gehandhaafd. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

5.2 Het geschil spitst zich toe op de vraag of het project van appellante al dan niet het stichten van een industrieel bedrijf inhoudt. Appellante meent dat het project moet worden aangemerkt als het stichten van een industrieel bedrijf, terwijl verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat het project niet het stichten van een industrieel bedrijf inhoudt en evenmin kan worden beschouwd als het stichten van een dienstverlenend bedrijf, dat stuwend is, zodat geen sprake is van een vestigingsproject in de zin van het BSRI 2000. Dit laatste wordt niet door appellante betwist en is derhalve niet in geschil.

Het College stelt vast dat het begrip industrieel bedrijf, genoemd in artikel 1, onder c, 1°, BSRI 2000, noch in het BSRI 2000, noch in de toelichting hierop is gedefinieerd. Voorts staat vast dat het project bestaat uit de bouw van een installatie ten behoeve van het zuiveren van afvalwater dat vervolgens wordt geloosd op het Zeehavenkanaal. Het doel van het project is het totstandbrengen van een inrichting die – en ook hierover verschillen partijen niet van mening – het afvalwater van de bedrijven op het in het project omschreven bedrijventerrein kan zuiveren.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat het project van appellante niet het stichten van een industrieel bedrijf inhoudt. Daartoe overweegt het College het volgende.

Verweerder verstaat – evenals appellante – onder industrieel bedrijf een economische bedrijvigheid waarbij grondstoffen technisch worden verwerkt tot (half)producten. Het College acht voor de toepassing van de BSRI 2000 deze uitleg van het begrip industrieel bedrijf niet onjuist. Uit de opzet van de BSRI 2000, waarin de begrippen ‘industrieel bedrijf’ en ‘(stuwend) dienstverlenend bedrijf’ als bedrijfstypen van elkaar worden onderscheiden, volgt naar het oordeel van het College dat bij bedrijven die een zekere mengvorm inhouden van zuiver industriële bedrijvigheid en andersoortige bedrijvigheid, zal moeten worden vastgesteld of zij in voldoende overwegende mate het karakter dragen van een industrieel bedrijf. Naar het oordeel van het College heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat in dit geval geen sprake is van een industrieel bedrijf in de laatstbedoelde betekenis. Het College neemt hierbij in aanmerking dat, gezien de projectbeschrijving, het zwaartepunt van de met het project – na voltooiing ervan – uit te voeren activiteiten ligt op het ten behoeve van andere bedrijven zuiveren van afvalwater van die andere bedrijven, hetgeen naar zijn aard hoofdzakelijk dienstverlenend is. Appellante wil blijkens de projectbeschrijving immers met het zuiveren van afvalwater ten behoeve van bedrijven een oplossing bieden voor de afvalwaterproblematiek door aan deze bedrijven zuiveringscapaciteit beschikbaar te stellen en afvalwater te zuiveren waarvoor de afnemers een bedrag betalen per gezuiverde eenheid afvalwater. Appellante heeft in de projectbeschrijving ook vermeld dat de eventuele BSRI subsidie voor het grootste deel zal worden aangewend om het voor de bedrijven nog interessanter te maken om gebruik te maken van de zuiveringsinstallatie door op de lozingstarieven voor de bedrijven een korting te geven. Het College neemt voorts in aanmerking dat de inkomsten die appellante met het zuiveren van het afvalwater genereert, zijn gelegen in het innemen van dit afvalwater van de bedrijven.

De omstandigheid dat het gezuiverde water kan worden gebruikt als proceswater door de industrie, kan het karakter van het project niet wijzigen. Niet alleen is het project, gezien de projectbeschrijving, niet in hoofdzaak gericht op de productie van proceswater, ook is niet gebleken van concrete interesse voor afname van het proceswater. Derhalve bestaat onvoldoende grond om aan te nemen dat de levering van proceswater een dermate belangrijk onderdeel van het project is, dat het het hoofdzakelijk dienstverlenende karakter van de zuivering zou kunnen wijzigen.

Hetgeen appellante voorts nog tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd stuit op het voorgaande af.

5.3 Gelet op het voorgaande heeft verweerder in bezwaar terecht zijn besluit tot afwijzing van de subsidieaanvraag gehandhaafd.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. J.A. Hagen en mr. M. van Duuren in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2008.

w.g. B. Verwayen w.g. A. Venekamp