Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC4610

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
AWB 05/790
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Restitutie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/790 6 februari 2008

7200 Restitutie

Uitspraak in de zaak van:

A’s Exporthandel B.V, te B, appellante,

gemachtigde: C, directeur van appellante,

tegen

het Productschap Zuivel, verweerder,

gemachtigde: mr. A.C.R. Geelen, werkzaam bij het Productschap.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2005 heeft verweerder aan appellante voor de uitvoer van kaas toegekende restitutie ingetrokken en appellante een sanctie opgelegd. Ter onderbouwing van dit besluit heeft verweerder onder meer aangevoerd dat uit een expertiserapport blijkt dat het overgrote deel van deze kaas niet voldeed aan het vereiste van gezonde handelskwaliteit als bedoeld in artikel 21 van Verordening (EG) nr. 800/1999.

Appellante heeft bij brief van 7 april 2005 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Op 30 augustus 2005 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij besluit van 19 september 2005 heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 27 oktober 2005, bij het College binnengekomen op 28 oktober 2005, beroep ingesteld.

Bij brief van 1 december 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 5 december 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens appellante mr. J.A.M. Oude Lansink en namens verweerder zijn gemachtigde en mr. J.T. Bonhof het woord hebben gevoerd.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Aangezien appellante niet is opgekomen tegen de berekening van de terugvordering en/of de opgelegde sanctie, is tussen partijen slechts in geschil of verweerder terecht heeft aangenomen dat de door appellante naar Mexico uitgevoerde zending kaas niet van goede handelskwaliteit was.

Het College overweegt dienaangaande het volgende.

2.2 Appellante houdt zich bezig met de export van kaas naar meer dan 60 landen. Haar activiteiten bestaan voornamelijk uit de opslag, het verpakken en het exporteren van een groot aantal kaassoorten.

Zij heeft op 27 september 2002 en 4 november 2002 aangifte ten uitvoer naar Mexico gedaan voor respectievelijk 14.171 en 14.402 kg Gouda kaas. Deze kaas was geproduceerd in Oosterwolde en Gerkesklooster. Verweerder heeft appellante voor deze uitvoer restitutie toegekend.

In het kader van een boekhoudkundige controle van de Belastingdienst/Douane Noord zijn bij appellanten afwijkingen geconstateerd met betrekking tot een zending Gouda kaas, uitgevoerd naar Mexico. Verweerder heeft van de Belastingdienst/Douane Noord het controlerapport ontvangen, met als bijlagen twee expertiserapporten inzake klachten uit Mexico over de kwaliteit van de kaas die door appellante is uitgevoerd.

Blijkens die rapporten, is naar aanleiding van klachten over schimmelvorming op de kaas in Mexico door ETAS Expertises B.V. (hierna: ETAS) in opdracht van appellante en haar opdrachtgever Unilac Holland B.V. te Ittervoort een onderzoek uitgevoerd.

Op 25 en 26 maart 2003 heeft ETAS over haar bevindingen schriftelijk gerapporteerd. In het voor appellante opgemaakte rapport (nr. 303.10911) worden onder meer de volgende opmerkingen gemaakt, waarbij het College aantekent dat in het rapport met KHJ appellante wordt bedoeld:

“ Gelet op de omstandigheden en de aard van de schade viel niet anders dan te concluderen dat de afwijkingen van de kaas, die zich binnen de door KHJ gegarandeerde periode van 6 maanden na het inpakken manifesteerden, een gevolg zijn van enig gebrek aan de kaas zelf.

Er hebben zich inmiddels bij de bewerking van de kaas voor export de nodige verbeteringen voorgedaan, doch gelet op de onderzoeksresultaten van Frico en onze bevindingen, evenals gezien de aard van de beschadigingen, valt te concluderen dat robuustheid van de korst en de daarmee samenhangende vochtproblematiek met de blaasvorming tot gevolg, ten grondslag ligt aan de te Mexico vastgestelde afwijkingen.

(…).

Met betrekking tot de vochtproblematiek sluiten wij overigens niet uit dat eventuele condensvorming op de kazen/het geplastificeerde oppervlak, vlak voor het paraffineren mede van invloed kan zijn geweest. In dit verband merken wij op dat de kaas in de opslag bij Frico te Gerkesklooster en naar wij aannemen ook bij KHJ te Drachten bij een temperatuur van ruwweg + 14 °C wordt gehouden, terwijl de omgevingstemperatuur in de verpakkingafdeling van KHJ aanmerkelijk hoger ligt. Ook in de onderhavige periode van september/oktober waardoor het risico van condensvorming op de koudere kazen toe zal nemen.”

In het voor Unilac Holland B.V. te Ittervoort opgestelde rapport (nr. 302.10835) wordt onder meer het volgende opgemerkt:

“ AARD EN OORZAAK VAN DE SCHADE

Gelet op het karakter van de afwijkingen en op grond van onze bevindingen oordeelden wij dat met het verstrijken van de tijd de blazen vanonder de kaasplastic door de laag drongen en zich onder de dichte paraffinelaag *nestelden*, waarbij niet alleen de omvang maar ook de mate toenam.

Vervolgens ontwikkelde zich in deze blazen onder de paraffine op den duur schimmel, waarbij niet alleen de tijdsfactor maar ook de omgevingstemperatuur en de behandeling van de dozen/kaas van een aanmerkelijke invloed was. De kazen in de Fresno-locatie, die volgens ons oordeel in ieder geval bij de lossing van de container(s) en/of bij de inslag in het pand gedurende enige tijd aan warmte waren blootgesteld en bij een hogere temperatuur lagen opgeslagen, vertoonden een aanmerkelijk hevigere schimmelontwikkeling dan die in de Camarones-locatie

Bovendien was ten gevolge van de handelingen van de dozen met ver-/misvormingen van de verpakking tot gevolg, van verschillende kazen de paraffine gebarsten/gescheurd. Fenomen die zich bij de afzet in de markt alleen maar zouden verergeren door (andermaal) blootstelling aan hogere temperaturen en aanvullende handelingen met ver-/misvormingen van de verpakking tot gevolg (met de vermelde klachten van de afnemers in de markt tot gevolg).

Er is in beide gevallen, waarbij overigens de veel gevoeligere Maasdammer kaas uit dezelfde containers in een goede orde werden ontvangen en ook als zodanig/zonder klachten in de markt werd afgezet, geen enkele aanleiding te veronderstellen dat de vastgestelde afwijkingen zijn te wijten aan enig van buitenaf komend onheil gedurende het transport van Drachten naar Mexico.

Gelet op de omstandigheden en de aard van de schade valt niet anders dan te concluderen dat de afwijkingen van de kaas, die zich binnen de door KHJ gegarandeerde periode van 6 maanden na het inpakken manifesteerden, een gevolg zijn van enig gebrek aan de kaas zelf.”

2.3 Verweerder heeft zijn besluit tot intrekking doen steunen op artikel 21, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten. Deze bepaling heeft de volgende inhoud:

“ Restituties worden niet verleend indien de producten op de dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard, niet van gezonde handelskwaliteit zijn.

De producten voldoen aan de in de eerste alinea vervatte eis wanneer zij in normale omstandigheden en onder de op de restitutieaanvraag vermelde omschrijving op het grondgebied van de Gemeenschap in de handel kunnen worden gebracht en ingeval deze producten bestemd zijn voor menselijke consumptie, de kenmerken en de toestand ervan niet van dien aard zijn dat de producten helemaal niet of slechts in aanzienlijk mindere mate voor dit doel kunnen worden gebruikt.

Of producten al dan niet aan de eisen van de eerste alinea voldoen, moet worden onderzocht aan de hand van de in de gemeenschap geldende normen of gebruiken.

(…)”

2.4 Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep het volgende naar voren gebracht.

Verweerder heeft ten onrechte geoordeeld dat de betreffende leveranties kaas niet van gezonde handelskwaliteit waren. De kaas verkeerde ten tijde van de export naar Mexico in een staat waarin het onder normale omstandigheden in de handel kon worden gebracht.

Er was geen sprake van schimmelvorming. Bij de lossing van de containers in Vera Cruz op 22 oktober 2002 en 27 november 2002 werd de kaas steekproefsgewijs door de plaatselijke autoriteiten gecontroleerd en in orde bevonden. Daarna werd de kaas naar Mexico Stad vervoerd, waar bij de lossing al evenmin onregelmatigheden zijn geconstateerd.

De problemen zijn ontstaan na de levering als gevolg van inadequate bewaarcondities tijdens het transport naar Mexico en de opslag aldaar op de kades en in de hallen. De klachten ontstonden pas nadat de kaas reeds geruime tijd in Mexico was en werden eerst op 30 januari 2003 gemeld. Gesteld noch gebleken is dat ook schimmelvorming zou zijn opgetreden, als sprake was geweest van een juiste opslag.

Uit het ETAS-rapport kan worden afgeleid dat het nodige mis was met de opslag van de kaas in de koelcel van Algil. Zo was de reële temperatuur hoger dan de thermometer aangaf, vielen de kwantiteiten niet te controleren en waren de dozen waarin de kazen waren verpakt, veelal vervormd. Slechts een beperkt percentage van de kazen vertoonde schimmelvorming, die de korst noch de zuivel zelf had aangetast. De kaas kon worden geconsumeerd. Dat is ook gebeurd. In de koelcel in de loods Camarones waren de kazen wel op juiste wijze opgeslagen en was de temperatuur in orde. De algehele conditie van deze kazen was aanmerkelijk beter en het percentage schimmelvorming lag veel lager.

Na intern onderzoek is voorts komen vast te staan dat van afnemers in andere landen geen klachten zijn ontvangen over batches van dezelfde kaas.

Ook wordt de kwaliteit van de kaas van appellante gewaarborgd door het toezicht dat het Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (COKZ) houdt op appellante.

2.5 Verweerder heeft zijn oordeel dat de kaas niet van gezonde handelskwaliteit was gebaseerd op de rapporten van ETAS. Hij wijst in dit verband op de conclusie van deze rapporten, luidende dat de schimmelvorming is terug te voeren op de wijze van aanbrengen van de kaaskorst en de parafinelaag en op het feit dat, zoals uit de rapporten blijkt, kaas die onder gunstigere condities in Mexico werd opgeslagen, ook blaasvorming vertoonde, terwijl de veel gevoeligere Maasdammer kaas die onder dezelfde condities als de thans in geding zijnde Gouda Kaas werd opgeslagen, probleemloos op de Mexicaans markt kon worden afgezet.

2.6 Het College stelt allereerst vast dat appellante, samen met haar opdrachtgever Unilac Holland B.V., aan ETAS, (naar moet worden aangenomen op grond van de specifieke deskundigheid van laatstgenoemde), een onderzoeksopdracht heeft verstrekt met betrekking tot de uit Mexico ontvangen klachten. Voort heeft appellante klaarblijkelijk in de bevindingen van ETAS voldoende grond heeft gevonden om een bedrag aan haar Mexicaanse afnemer te crediteren. Er kan derhalve slechts worden geconcludeerd dat appellante de rapporten van ETAS en daarmee de daarin opgenomen conclusies destijds heeft aanvaard. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat verweerder het bestreden besluit niet mede op deze rapporten heeft kunnen baseren.

In de rapporten komt ETAS tot de eenduidige conclusie dat de gesignaleerde problemen met schimmelvorming het gevolg moeten zijn van een gebrek aan de kaas zelf, in de vorm van een tekortschietende robuustheid van de korst. Weliswaar hebben de onderzoekers van ETAS ook problemen gesignaleerd inzake de temperatuur in de koelcel op de plaats van bestemming en de wijze van opslag van de kazen. De rapporten maken echter duidelijk dat ETAS tot de slotsom is gekomen dat deze problemen niet de oorzaak vormen voor de geconstateerde schimmelvorming. Appellante heeft niet kunnen aantonen dat de conclusies van ETAS onjuist zouden zijn.

Dat de schimmelvorming niet bij de controle bij aankomst in Mexico in Vera Cruz of in Mexico Stad is opgemerkt, leidt, anders dan appellante stelt, niet tot de conclusie dat de kaas dus niet aan een gebrek leidde. De aard van het probleem sluit immers niet uit dat dit zich eerst later manifesteert.

In zijn oordeelsvorming kent het College mede betekenis toe aan de omstandigheid dat zich blijkens het ETAS-rapport reeds eerder met Gouda kaas van de betrokken productieplaatsen klachten van vergelijkbare aard hebben voorgedaan en dat, nadat ETAS ook deze klachten had onderzocht, tot aanpassingen van het productieproces is overgegaan. Dat deze klachten zich ook reeds eerder hebben gemanifesteerd maakt te minder aannemelijk appellants stelling dat de schimmelvorming uitsluitend het gevolg is van de wijze van opslag van deze specifieke zendingen in Mexico.

Appellante heeft voorts weliswaar gesteld dat uit dezelfde batches afkomstig kaas ook naar andere landen is uitgevoerd, en dat dit niet tot vergelijkbare klachten heeft geleid, maar zij heeft deze stelling niet met bescheiden onderbouwd.

De omstandigheid dat appellante onder toezicht van het COKZ staat, is ten slotte onvoldoende om de kwaliteit van deze specifieke zendingen aan te tonen.

2.7 Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. G.A.J. van den Hurk in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2008.

w.g. H.C. Cusell, w.g. R. Meijer