Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC4072

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
AWB 03/1468
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 03/1468 30 januari 2008

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A, B, C en D, te E, appellante,

gemachtigde: mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.W. Oomen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 15 december 2003, bij het College binnengekomen op 16 december 2003, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 10 november 2003.

Bij dit besluit heeft verweerder appellantes bezwaar tegen het besluit van 22 november 2002 op de aanvragen om slachtpremie voor het jaar 2000 ongegrond verklaard.

Op 15 januari 2004 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Verweerder heeft op 24 juni 2004, 9 december 2004 en 16 januari 2006 besluiten in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) genomen. Bij het besluit van 16 januari 2006 heeft verweerder uiteindelijk alsnog het bezwaar van appellante gegrond verklaard en alle aanvragen om slachtpremie voor het jaar 2000 ingewilligd met uitzondering van de aanvraag voor het rund met ID-code BE 960422125.

Bij brieven van 31 januari 2005 en 2 februari 2006 heeft appellante op de besluiten van respectievelijk 9 december 2004 en 16 januari 2006 gereageerd.

Op 25 maart 2005, aangevuld op 14 maart 2006, heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2007. Hierbij werd appellante vertegenwoordigd door haar gemachtigde en D, en verweerder door zijn gemachtigde. Het beroep is gelijktijdig behandeld met appellantes beroep met nr. AWB 03/1102.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Het College stelt allereerst vast dat appellante geen rechtens te honoreren belang meer heeft bij een beoordeling van het beroep tegen de vervangen besluiten van 10 november 2003, 24 juni 2004 en 9 december 2004. Het beroep gericht tegen deze besluiten dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.2 Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, Awb wordt appellantes beroep mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 16 januari 2006, tenzij dat besluit aan het beroep geheel tegemoet komt.

Appellante heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat haar belang bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 16 januari 2006 slechts nog is gelegen in de in dit besluit vervatte impliciete weigering van verweerder om de door haar in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden.

Verweerder heeft in reactie hierop verklaard dat appellante in de bezwaarfase om vergoeding van deze kosten had moeten verzoeken.

Het College stelt vast dat verweerder in het besluit van 10 november 2003 uitdrukkelijk appellantes verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar heeft afgewezen. Voorts heeft appellante blijkens het verslag van de in de op 7 september 2004 alsnog gehouden ambtelijke hoorzitting verzocht om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand op grond van artikel 7:15 Awb. Daarbij heeft appellante desgevraagd het verzoek toegelicht en verzocht om vergoeding van de kosten van juridische bijstand. De ter zitting van het College door verweerder opgeworpen stelling dat appellante in de bezwaarfase niet om vergoeding van de proceskosten heeft verzocht, is onvoldoende om in weerwil van genoemde processtukken ervan uit te gaan dat appellante niet tijdig om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand heeft verzocht.

Aangezien verweerder bij zijn besluit van 16 januari 2006 het primaire besluit van 22 november 2002 heeft herroepen wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid, heeft verweerder bij het besluit van 16 januari 2006 ten onrechte nagelaten om appellante met toepassing van artikel 7:15 Awb de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand te vergoeden.

Het beroep tegen het besluit van 16 januari 2006 dient daarom gegrond te worden verklaard en het besluit dient in zoverre te worden vernietigd. Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat verweerder alsnog de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand aan appellante vergoedt. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting op 7 september 2004, met wegingsfactor 1 en € 322,-- per punt).

2.3 Het College acht voorts termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 Awb. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,-- voor de kosten van rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 0.5 punt voor de schriftelijke reactie van 31 januari 2005 op het besluit van

9 december 2004, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1 en € 322,-- per punt) en € 37,46 voor de reiskosten van D ten behoeve van de zitting van het College op basis van de kosten van openbaar vervoer.

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep tegen de besluiten van 10 november 2003, 24 juni 2004 en 9 december 2004 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 januari 2006 gegrond;

- vernietigt het besluit van 16 januari 2006 voorzover daarbij is geweigerd aan appellante de in bezwaar gemaakte kosten van

rechtsbijstand te vergoeden;

- bepaalt dat verweerder de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 644,-- (zegge:

zeshonderdvierenveertig euro) aan appellante vergoedt en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde

gedeelte van het besluit van 16 januari 2006;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 842,46 (zegge: achthonderdtweeënveertig euro en

zesenveertig cent), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,-- (zegge:

tweehonderdtweeëndertig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. E.J.M. Heijs en mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2008.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas