Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC3533

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/187
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Wetsverwijzingen
Regeling GLB-inkomenssteun 2006 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2008/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 07/187 17 januari 2008

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. C.E.B. Haazen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 17 maart 2007, bij het College binnengekomen op 21 maart 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 8 februari 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 30 september 2006, waarbij verweerder de aan appellante op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) toekomende toeslagrechten heeft vastgesteld.

Bij brief van 9 mei 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 6 december 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens appellante A is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en tijde hier van belang:

“Artikel 42

Nationale reserve

(…)

4. De lidstaten gebruiken de nationale reserve om op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden, referentiebedragen vast te stellen voor landbouwers die zich in een bijzondere, door de Commissie volgens de in artikel 144, lid 2, bedoelde procedure te omschrijven situatie bevinden.

(…)”

Artikel 21 van Verordening (EG) nr. 795/2004 van 21 april 2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin in voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Investeringen

1. Een landbouwer die onder de voorwaarden van de leden 2 tot en met 6 van het onderhavige artikel en uiterlijk op 15 mei 2004 geïnvesteerd heeft in productiecapaciteit of grond heeft gekocht, ontvangt toeslagrechten die zijn berekend door een referentiebedrag dat door de lidstaat is vastgesteld op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden voorkomen, te delen door een aantal hectaren dat niet groter is dan het aantal hectaren dat hij heeft gekocht. (…)

2. Voor investeringen dient een desbetreffend plan of programma te zijn opgesteld waarvan de tenuitvoerlegging uiterlijk op 15 mei 2004 van start is gegaan. Het plan of programma wordt door de landbouwer aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat meegedeeld.

Indien geen schriftelijk plan of programma bestaat, kan de lidstaat rekening houden met andere objectieve bewijzen van de investering. (…)

4. Voor de toepassing van lid 1 wordt langetermijnhuur voor een periode van tenminste zes jaar die uiterlijk op 15 mei 2004 is ingegaan, als een aankoop van grond of een investering in productiecapaciteit beschouwd.”

De Regeling luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 11

1. De landbouwer dient uiterlijk op 15 mei 2006 de aanvragen tot vaststelling van toeslagrechten in op een daartoe vastgesteld aanvraagformulier.

(…)

Paragraaf 2.2 Toewijzen van toeslagrechten uit de nationale reserve (aan landbouwers als bedoeld in artikel 42, vierde lid van Verordening (EG) nr. 1782/2003)

Artikel 16

1. Voor toewijzing van toeslagrechten uit de nationale reserve komen uitsluitend in aanmerking:

a. (…)

c. landbouwers die overeenkomstig artikel 21 van verordening 795/2004 geïnvesteerd hebben in productiecapaciteit of grond hebben gekocht, indien ten genoegen van de minister wordt aangetoond dat zij overeenkomstig artikel 21 van verordening 795/2004, uiterlijk op 15 mei 2004:

(…)

- grond hebben gekocht of voor tenminste zes jaar hebben gehuurd;

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Met de toezending aan verweerder van het op 29 maart 2005 getekende Formulier “Inventarisatie Bedrijfsgegevens voor toeslagrechten” heeft appellante onder meer aangegeven dat zij in de periode 1 januari 2003 tot 15 mei 2004 investeringen heeft gedaan in grond- of stalcapaciteit.

- Met het op 27 september 2005 bij verweerder ingediende formulier “Melding nationale reserve” heeft appellante toeslagrechten uit de nationale reserve aangevraagd in verband met de pacht van gronden per 1 maart 2003.

- Ter ondersteuning van deze aanvraag heeft appellante bij brief van 12 mei 2006 verweerder een brief van de Directeur Staatsbosbeheer Regio Noord van 11 mei 2006 toegezonden, waarin deze het volgende meedeelt.

“In verband met de vraag die u heeft gekregen van de Dienst Regelingen verklaren wij voor de periode 1 februari 2003 tot 14 februari 2009 aan u middels eenmalige pacht in gebruik te hebben gegeven de percelen kadastraal bekend gemeente Assen, sectie AA, de nummers 599, 71 gedeeltelijk en 74, terreintype bouwland, totale oppervlakte 2.68.47 ha.

Staatsbosbeheer heeft de intentie om deze grond aansluitend opnieuw aan u aan te bieden gedurende een pachtperiode zolang als de Pachtwet mogelijk maakt, onder dezelfde voorwaarden waaronder u deze percelen tot nu toe in gebruik heeft.”

- Bij brief van 20 september 2006 heeft verweerder appellante meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor toeslagrechten uit de nationale reserve. Als reden hiervoor noemt de brief dat de verklaring van Staatsbosbeheer is afgegeven na 15 mei 2004.

- Bij besluit van 30 september 2006 heeft verweerder de toeslagrechten van appellante vastgesteld. Daarbij zijn geen toeslagrechten uit de nationale reserve toegekend.

- Bij brief van 27 oktober 2006 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder, na een op 31 januari 2007 gehouden hoorzitting, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 21 van Verordening (EG) nr. 795/2004, nader uitgewerkt in artikel 16 van de Regeling, dient een aanvrager van toeslagrechten uit de nationale reserve aan te tonen dat door hem vóór 15 mei 2004 investeringen zijn gedaan in grond of productiecapaciteit. Lange termijnhuur voor een periode van minstens zes jaar wordt als zodanige investering aangemerkt.

Verweerder is uitgegaan van de door appellante op 2 oktober 2003 ondertekende pachtovereenkomst met Staatsbosbeheer. Deze pachtovereenkomst is aangegaan voor de duur van twee jaar, ingaande 1 maart 2003 en eindigend op 15 februari 2005.

Dat na twee jaar een nieuwe pachtovereenkomst moest worden afgesloten vanwege herziening van de pachtprijs is niet voldoende om de overeenkomst als een doorlopende pacht van 6 jaar te beschouwen. In een tweede pachtovereenkomst, ingaande 15 februari 2005 en eindigend op 14 februari 2009 en ondertekend op 15 november 2004, is een nieuwe pachtprijs vastgesteld. Verweerder merkt op dat appellante niet gehouden was dit tweede pachtcontract te tekenen, indien naar haar mening de pachtprijs niet aanvaardbaar zou zijn.

De verklaring van de Directeur Staatsbosbeheer van 11 mei 2006 dateert van na 15 mei 2004. Reeds hierom kan deze verklaring appellante niet baten. Door het aangaan van twee afzonderlijke pachtovereenkomsten is er geen sprake van een voor 15 mei 2004 aangegane pachtovereenkomst voor minimaal 6 jaar. Bijgevolg komt appellante niet in aanmerking voor toeslagrechten uit de nationale reserve.

4. Het standpunt van appellante

Appellante voert aan dat het pachtcontract om praktische redenen eerst is afgesloten voor de duur van twee jaar. Gedurende deze periode betaalde appellante slechts een symbolische pachtprijs van € 1.- in verband met door haar te verrichten opruimwerkzaamheden op de gepachte grond. Reeds toen was het bedoeling van partijen dit contract te laten volgen door een tweede pachtcontract voor de duur van vier jaar met een herziene pachtprijs. Partijen zijn dit tweede contract ook daadwerkelijk aangegaan.

Met de verklaring van de Directeur Staatsbosbeheer van 11 mei 2006 is dit ook aangetoond. Er is dus wel degelijk sprake van doorlopende pacht voor de duur van zes jaar. Ten onrechte heeft verweerder appellante in verband met deze investering in grond geen toeslagrechten uit de nationale reserve toegekend.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Vast staat dat appellante op 2 oktober 2003 een pachtovereenkomst (eenmalige pacht) is aangegaan met Staatsbosbeheer regio Noord voor een oppervlakte van 2.68.47 ha. tegen een pachtsom van € 1.--. De overeenkomst werd aangegaan voor de periode ingaande 1 maart 2003 en eindigend op 15 februari 2005.

Vervolgens is appellante op 15 november 2004 een pachtovereenkomst (eenmalige pacht) aangegaan met Staatsbosbeheer regio Noord; wederom voor 2.68.47 ha en ditmaal voor een pachtsom van € 187,47. Deze overeenkomst betreft de periode ingaande 15 februari 2005 en eindigend 14 februari 2009.

5.2 Voor de bewuste 2.68.47 ha is derhalve geen pachtovereenkomst aangegaan voor een periode van tenminste 6 jaar, die uiterlijk op 15 mei 2004 is ingegaan. Ingevolge artikel 21, vierde lid, van Verordening (EG) nr. 795/2004, nader uitgewerkt in artikel 16 van de Regeling, is deze periode van zes jaar een dwingende voorwaarde om pacht van grond als een investering te kunnen aanmerken, die kan leiden tot toeslagrechten uit de nationale reserve.

5.3 Dat Staatsbosbeheer bij brief van 11 mei 2006 heeft meegedeeld appellant de bewuste percelen voor de periode van 1 februari 2003 tot 14 februari 2009 middels eenmalige pacht in gebruik te hebben gegeven laat onverlet dat het hier om twee afzonderlijke pachtcontracten gaat.

Beslissend is dat appellante na 15 mei 2004 kon besluiten om de pacht niet verder voort te zetten, zodat niet gezegd kan worden, dat zij zich vóór die tijd voor een periode van minimaal zes jaar had gebonden.

5.4 Nu het verweerder niet vrij staat van de in Verordening (EG) nr. 795/2004 dwingend voorgeschreven termijn van minimaal zes jaar af te wijken dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2008.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas