Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC3464

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/209
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 07/209 17 januari 2008

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij LTO Noord Advies te Drachten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit , verweerder,

gemachtigde: mr. C.E.B. Haazen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen .

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 29 maart 2007, bij het College op dezelfde dag per fax binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 februari 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 22 september 2006, waarbij verweerder de aan appellante toekomende toeslagrechten in het kader van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) heeft vastgesteld.

Bij brief van 26 april 2007 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Bij brief van 5 juni 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 6 december 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij voor appellante de gemachtigde, vergezeld door A, is verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover hier van belang:

“Artikel 33

Subsidiabiliteit

1. De landbouwers kunnen gebruik maken van de bedrijfstoeslagregeling indien:

a) zij op grond van ten minste één van de in bijlage VI bedoelde steunregelingen een betaling hebben ontvangen in de in artikel 38 vastgestelde referentieperiode, of (…)

artikel 34

Toepassing

(…)

2. De landbouwers dienen hun aanvraag in het kader van de bedrijfstoeslagregeling in vanaf een door de lidstaten vast te stellen datum, maar uiterlijk op 15 mei.

(…)”

Artikel 37

Berekening van het referentiebedrag

1. Het referentiebedrag is het gemiddelde over drie jaar van het totaalbedrag aan toeslagen dat aan een landbouwer voor elk kalenderjaar van de in artikel 38 vastgestelde referentieperiode is verleend op grond van de in bijlage VI genoemde steunregelingen, berekend en aangepast overeenkomstig bijlage VII.

(…)

Artikel 38

Referentieperiode

De referentieperiode omvat de kalenderjaren 2000, 2001 en 2002.

Artikel 40

Gevallen van onbillijkheid

1. In afwijking van artikel 37 heeft een landbouwer wiens productie gedurende de referentieperiode nadelig werd beïnvloed door een geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden dat/die zich vóór of gedurende die referentieperiode heeft/hebben voorgedaan, het recht te verzoeken dat het referentiebedrag wordt berekend op basis van het kalenderjaar of de kalenderjaren in de referentieperiode dat/die niet is/zijn beïnvloed door het geval van overmacht of de uitzonderlijke omstandigheden.

(…)

3. Een geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden wordt/worden door de betrokken landbouwer, samen met relevant bewijsmateriaal ten genoegen van de bevoegde autoriteit, schriftelijk ter kennis van de autoriteit gebracht binnen een door elke lidstaat vast te stellen termijn.

4. Overmacht of uitzonderlijke omstandigheden wordt/worden door de bevoegde autoriteit erkend in gevallen zoals bijvoorbeeld:

a) het overlijden van de landbouwer,

b) langdurige arbeidsongeschiktheid van de landbouwer,

c) een ernstige natuurramp die het landbouwareaal van het bedrijf in ernstige mate heeft aangetast,

d) het door een ongeluk tenietgaan van voor veehouderij bestemde gebouwen op het bedrijf,

e) een epizoötie die de gehele veestapel van de landbouwer of een deel ervan heeft getroffen.

(…)”

Verordening (EG) nr. 795/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover hier van belang:

“Artikel 3 bis

Geconstateerde hectaren en dieren

Onverminderd de toepassing van bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 1782/2003, is het voor de vaststelling van het in artikel 37, lid 1, van die verordening bedoelde referentiebedrag in aanmerking te nemen aantal hectaren of dieren waarvoor in de referentieperiode een rechtstreekse betaling is of had moeten worden toegekend, het aantal geconstateerde hectaren of dieren in de zin van artikel 2, onder r) en s), van Verordening (EG) nr. 2419/2001 voor elke van de in bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 vermelde rechtstreekse betalingen.

Artikel 2, sub r en s, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen luidde als volgt:

“Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

r. “geconstateerde oppervlakte”: de oppervlakte waarvoor aan alle steuntoekenningsvoorwaarden in het kader van de betrokken steunregeling is voldaan.

s. “geconstateerd dier”: een dier waarvoor aan alle in de voorschriften gestelde steuntoekenningsvoorwaarden in het kader van de betrokken regeling is voldaan;

(…)”

De Regeling luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 13

1. De landbouwer die overeenkomstig artikel 40 van Verordening 1782/2003 verzoekt om berekening van het referentiebedrag op een andere basis omdat zijn productie gedurende de referentieperiode nadelig werd beïnvloed door een geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden, stelt DR daarvan uiterlijk op 15 mei 2006 schriftelijk in kennis, waarbij deze kennisgeving vergezeld gaat van relevant bewijsmateriaal.

(…)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Door toezending aan verweerder van het formulier “Inventarisatie bedrijfsgegevens voor toeslagrechten” en een daarbij behorende brief met toelichting heeft appellante te kennen gegeven dat de bij verweerder geregistreerde gegevens voor het vaststellen van toeslagrechten naar haar opvatting onjuist zijn. Voor het jaar 2002 dient naar haar mening onder de productgroep akkerbouwgewassen voor het product maïs in regio 2 niet 0 ha, maar 10.2 ha te worden vermeld. In de productgroep runderen dient in dat jaar voor het product stieren 13 te worden vermeld. Onder rubriek 5 van het formulier heeft zij aangegeven dat er in de referentiejaren geen sprake was van een situatie van overmacht.

- Bij brief van 9 mei 2006 heeft verweerder meegedeeld niet tot wijziging van de referentiegegevens te zullen over gaan.

- Bij besluit van 22 september 2006 heeft verweerder de toeslagrechten van appellante vastgesteld.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 12 oktober 2006 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder, na een op 19 december 2006 gehouden hoorzitting, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

Voor de vaststelling van het referentiebedrag is het aantal geconstateerde hectaren en dieren van belang. Bij geconstateerde hectaren en dieren gaat het ingevolge artikel 2, sub r en s. om die hectaren en dieren die aan alle voorwaarden voor steuntoekenning voldoen. Deze gegevens liggen vast in de premiebeschikkingen over de jaren 2000 tot en met 2002. Voor het jaar 2002 zijn deze gegevens definitief geworden met de uitspraak van het College van 5 december 2003 in de zaak AWB 03/377, www.rechtspraak.nl, LJN: AO1110. In 2002 was er voor appellante, in verband met het niet tijdig indienen van haar aanvraag oppervlakten, sprake van 0 geconstateerde stieren, 0 geconstateerde hectaren maïs en 0 geconstateerde hectaren voederareaal. Ten onrechte stelt appellante dat zij in 2002 10.2 geconstateerde hectaren maïs heeft gehad. Door de te late indiening van haar aanvraag voldeed deze 10.2 ha niet aan de voorwaarden voor steunverlening. Voor de 13 stieren die appellante in 2002 voor dierpremie heeft opgegeven geldt dat daarvoor geen steun is verleend, omdat niet voldaan werd aan de eis dat er voldoende ruimte in de veebezetting moet zijn. In 2002 is er, wegens de te late indiening van de aanvraag oppervlakten geen voederareaal voor appellante geregistreerd, waardoor niet voldaan werd aan de voorwaarden voor toekenning van dierpremie.

Van appellante is vóór 15 mei 2006 en ook gedurende de zogenoemde kortingsperiode die eindigde op 9 juni 2006 geen melding overmacht ontvangen, zoals artikel 13 van de Regeling voorschrijft. Daarom is het beroep op overmacht dat appellante heeft gedaan niet meegenomen bij de vaststelling van haar toeslagrechten.

Overigens meent verweerder dat het niet tijdig indienen van de aanvraag oppervlakten 2002 anders ook geen overmacht opgeleverd zou hebben.

Voor hardheidsgevallen kent Verordening (EG) nr. 1782/2003 in artikel 40 bij overmacht en bijzondere omstandigheden een specifieke regeling. Indien een aanvrager, zoals appellante, niet met succes een beroep op artikel 40 kan doen, staat het verweerder niet vrij af te wijken van hetgeen in de dwingend voorgeschreven Europese regelgeving is neergelegd.

4. Het standpunt van appellante

4.1 Appellante blijft van mening dat zij haar aanvraag oppervlakten 2002 wel tijdig heeft ingediend.

Echter, ook nu het College heeft uitgesproken dat de aanvraag niet tijdig werd gedaan, gaat het niet aan dat appellante eerst op haar aanvraag akkerbouwsteun en haar aanvraag stierenpremie in 2002 geen uitkeringen ontvangt en vervolgens bij de vaststelling van de toeslagrechten nogmaals geconfronteerd wordt met de nadelige gevolgen van de te late indiening. Appellante acht dit schrijnend, te meer nu zij reeds bij de behandeling van haar beroep in zaak 03/377 heeft gewezen op de gevolgen die niet-ontvankelijkverklaring van haar aanvraag 2002 zou hebben als het GLB-systeem werd ingevoerd.

4.2 Appellante heeft reeds tijdens de beroepsprocedure in de zaak 03/377 aangegeven dat er sprake was van bijzondere omstandigheden. Daarnaast heeft zij dit ook nog eens kenbaar gemaakt in de begeleidende brieven bij het op 31 maart, 4 april en 19 juli 2005 ingediende formulier “Inventarisatie bedrijfsgegevens”. Ten onrechte stelt verweerder daarom dat door haar geen tijdig beroep op overmacht is gedaan.

4.3 Appellante meent dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom voor het jaar 2002 in de productgroep rundvlees in de rubriek “runderen vrouw nationale enveloppe”

15 dieren wel zijn meegenomen in de berekeningen voor de toeslagrechten en de 13 stieren, waarvoor appellante in 2002 premie heeft aangevraagd, niet.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Nu het College bij uitspraak van 5 december 2003 heeft geoordeeld, dat appellante haar Aanvraag oppervlakten voor het jaar 2002 niet tijdig heeft ingediend en dat verweerder die aanvraag daarom heeft moeten afwijzen, dient daarvan in het onderhavige geding te worden uitgegaan. Gevolg is dat over dat jaar geen hectaren akkerland geconstateerd zijn en dat geen voederareaal is vastgesteld. Gelet op de consequenties die dit laatste heeft voor de veebezettingsruimte konden ook de 13 aangehouden stieren in 2002 niet geacht worden aan de voorwaarden voor subsidiering te voldoen, zodat zij eveneens in de zin van artikel 2, onder s, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 niet geconstateerd konden worden.

5.2 De door appellante aangevraagde toeslagrechten dienen te worden berekend op basis van het referentiebedrag dat ingevolge de artikelen 37 en 38 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 gelijk is aan het gemiddeld bedrag aan toeslagen dat aan appellante over de jaren 2000, 2001 en 2002 is toegekend op grond van de in bijlage IV van deze Verordening genoemde steunregelingen. Voor appellante gaat het om de aan haar over deze referentiejaren toegekende akkerbouwsteun ingevolge de toenmalige Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen en de steun ter zake van het aanhouden en laten slachten van runderen.

Door van de daarop betrekking hebbende gegevens uit te gaan bij de berekening van de toeslagrechten heeft verweerder toepassing gegeven aan het bepaalde in genoemde artikelen 37 en 38 van Verordening (EG) nr. 1782/2003.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 heeft een landbouwer wiens productie gedurende de referentieperiode nadelig werd beïnvloed door een geval van overmacht, het recht te verzoeken dat het referentiebedrag in afwijking van artikel 37 wordt berekend op basis van de kalenderjaren die niet zijn beïnvloed door het geval van overmacht.

Appellante is van mening dat in haar geval het referentiebedrag moet worden berekend op basis van de kalenderjaren 2000 en 2001, omdat de te late indiening van haar aanvraag in 2002 het gevolg is van overmacht.

Nog afgezien van de vraag of de te late indiening van de aanvraag in 2002 appellantes productie in de zin van artikel 40, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 nadelig heeft beïnvloed, is om de hierna volgende reden van overmacht geen sprake.

Zoals het College reeds eerder heeft beslist is het in de Europese landbouwsteunregelingen de verantwoordelijkheid van de aanvrager om te zorgen dat zijn aanvraagformulier (tijdig) bij het bestuursorgaan wordt ingediend.

Lukt dat niet dan komt het voor risico van de aanvrager. Deze kan derhalve niet volhouden dat sprake is van abnormale en onvoorziene omstandigheden, die vreemd zijn aan degene die zich daarop beroept en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet konden worden vermeden.

In de uitspraak van 5 december 2003 is overigens vastgesteld dat gesteld noch gebleken is dat ter zake gesproken kan worden van overmacht of bijzondere omstandigheden.

Ook appellantes grief dat zij eerst bij de besluitvorming omtrent haar aanvraag 2002 geconfronteerd is met de nadelige gevolgen van het te laat indienen van haar aanvraag en vervolgens bij de vaststelling van haar toeslagrechten wederom nadeel ondervindt van deze zelfde omissie kan haar niet baten. Uit het in Verordening (EG) nr. 1782/2003 neergelegde systeem om toeslagrechten te berekenen volgt immers dat doorslaggevend is het bedrag aan steun dat een landbouwer in de drie referentiejaren heeft ontvangen. Niet gezegd kan worden dat dit systeem als onredelijk moet worden aangemerkt, te minder omdat op basis van artikel 40 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 uitzonderingen mogelijk zijn. Nu er geen grond is voor het maken van een uitzondering voor appellante, was verweerder gehouden het referentiebedrag met toepassing van artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 te berekenen. Verweerder komt geen beleidsvrijheid toe om hiervan af te wijken.

5.3 Op basis van de beschikbare stukken kan het College niet vaststellen of verweerder de door appellante genoemde, volgens haar in 2002 op grond van afwijscode 1 en 9 geweigerde, slachtpremie voor 15 runderen uit de nationale enveloppe niettemin toch bij de berekening van de toeslagrechten heeft mogen betrekken. Verweerders beslissing met betrekking tot de aanhoudpremie voor de 13 stieren over het jaar 2002, die in dit geding uitdrukkelijk aan de orde gesteld is, is, naar het College hierboven heeft vastgesteld, in overeenstemming met de geldende regels genomen, zodat voor de discussie daarover het antwoord op appellantes vragen over premie uit de nationale enveloppe niet van betekenis kan zijn. Nu appellante blijkens haar stellingen door die besluitvorming over premie uit de nationale enveloppe voor wat betreft de toeslagrechten ook niet benadeeld is, acht het College een verder onderzoek op dit punt niet geboden.

5.4 Gelet op het voorgaande moet het beroep ongegrond verklaard worden.

Voor een proceskostenveroordeling vindt het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2008.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas