Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC3459

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/210
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Telecommunicatiewet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 07/210 23 januari 2008

15300 Telecommunicatiewet

Uitspraak op het hoger beroep van:

Vocalis Telecom Licences GmbH, te Zug (Zwitserland), appellante,

gemachtigde: mr. H.F.T. van de Vinne, te Hoogeveen,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 22 februari 2007, kenmerk TELEC 06/452-WILD, in het geding tussen appellante

en

Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (hierna: OPTA),

gemachtigde: mr. L.H. la Roi, werkzaam bij OPTA.

1. Het procesverloop

Appellante is bij besluit van 4 oktober 2004 door OPTA geregistreerd als aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk en als aanbieder van een openbare elektronische communicatiedienst.

OPTA heeft appellante in verband met deze registraties bij factuurbesluiten van 19 april 2005 (factuurnummers 50508701 en 50508541) nota’s gestuurd.

Bij besluit van 7 mei 2004 heeft OPTA het bedrijf Vocalis Telecom Infrastructure GmbH (hierna: Vocalis Infrastructure) geregistreerd als aanbieder van een elektronisch communicatienetwerk. In verband met deze registratie heeft OPTA op 30 mei 2005 aan Vocalis Infrastructure een nota gestuurd met factuurnummer 50509105.

Bij faxbrief van 26 oktober 2005, door OPTA op dezelfde dag ontvangen, heeft Vocalis Infrastructure bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 mei 2005. Appellante heeft bij faxbrief van 31 oktober 2005, op dezelfde dag door OPTA ontvangen, bezwaar gemaakt tegen beide besluiten van 19 april 2005.

Bij brief van 30 november 2005 heeft OPTA in een aan appellante gerichte brief de gelegenheid geboden om voor 12 december 2005 aan te geven waarom, ondanks indiening van de bezwaren tegen de drie bovengenoemde facturen na afloop van de termijn, redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat sprake is van verzuim. Op deze brief heeft OPTA geen tijdige reactie ontvangen.

Bij brief van 21 december 2005 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen een door OPTA aan haar verzonden factuur met nummer 50409629. Bij brief van eveneens 21 december 2005 heeft Vocalis Infrastructure bezwaar gemaakt tegen door OPTA aan haar verzonden facturen met nummers 50409631 en 50409628.

OPTA heeft de bezwaren van appellante en van Vocalis Infrastructure van respectievelijk 31 oktober 2005 en 26 oktober 2005 bij een – uitsluitend aan appellante gericht – besluit van 22 december 2005 niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding.

Appellante heeft bij faxbrief van 26 januari 2006 beroep ingesteld tegen het besluit van 22 december 2005. De rechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 22 februari 2007 dit beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft bij faxbericht van 29 maart 2007 hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

Bij brief van 6 juni 2007 heeft OPTA een verweerschrift ingediend.

Op 12 december 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden zijn verschenen en het woord hebben gevoerd.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 6:7 juncto artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken, welke termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop een besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 6:11 Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.2 Verweerder heeft de drie factuurbesluiten bekendgemaakt door toezending aan appellante, onderscheidenlijk Vocalis Infrastructure. Appellante heeft ter zitting erkend dat de door verweerder daartoe gebruikte adressen juist zijn.

2.3 Op grond van artikel 6:8 Awb is de bezwaartermijn van zes weken gaan lopen op de dag na verzending van deze besluiten. Derhalve is de bezwaartermijn voor de besluiten van

19 april 2005 geëindigd op 31 mei 2005 en die voor het besluit van 30 mei 2005 op 11 juli 2005. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor het College staat vast dat de bezwaarschriften tegen de drie in geding zijnde primaire besluiten niet uiterlijk op deze data door OPTA zijn ontvangen.

2.4 Appellante en Vocalis Infrastructure zijn gevestigd op hetzelfde adres in Zwitserland. De door hen ingediende bezwaren waren alle ondertekend door A. Oberle. OPTA heeft door middel van toezending van een brief ter attentie van A. Oberle aan voornoemd adres de gelegenheid geboden om aan te tonen dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat sprake was van verzuim. Noch appellante, noch Vocalis Infrastructure heeft gesteld dat zij deze brief niet zou hebben ontvangen.

Aangezien appellante noch Vocalis Infrastructure binnen de daartoe gestelde termijn van de geboden gelegenheid gebruik heeft gemaakt, bestond voor verweerder geen aanleiding om te oordelen dat de geconstateerde termijnoverschrijdingen verschoonbaar waren. Verweerder heeft dan ook terecht bij besluit van 22 december 2005 de bezwaren van appellante en Vocalis Infrastructure niet-ontvankelijk verklaard.

2.5 Zelfs indien appellante wel tijdig in bezwaar de later door haar gehanteerde argumenten zou hebben aangevoerd, zou dit niet tot een andere conclusie inzake de verschuldigdheid van de heffingen hebben geleid. Appellante heeft in beroep en hoger beroep een betoog gehouden dat niet ziet op het overschrijden van de bezwaartermijn of zelfs maar op de hiervoor aangeduide registraties, maar op de afwikkeling van een faillissement. Zij heeft hierbij gewezen op de door haar en Vocalis Infrastructure op 21 december 2005 ingediende bezwaren en op brieven van haar en Vocalis Infrastructure van 27 februari 2006 die verband houden met laatstgenoemde bezwaren. Voornoemd betoog staat volledig los van de thans in geding zijnde factuurbesluiten.

2.6 Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht bij de thans aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 22 december 2005 ongegrond heeft verklaard. Het door appellante ingestelde hoger beroep slaagt dan ook niet.

2.7 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

3. De beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. C.J. Borman, mr. H.O. Kerkmeester en mr. D. Roemers in tegenwoordigheid van mr. R. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2008.

w.g. C.J. Borman w.g. R. Meijer