Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2008:BC2482

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
AWB 05/462 05/463
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet herstructurering varkenshouderij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Vijfde enkelvoudige kamer

AWB 05/462 en AWB 05/463 3 januari 2008

16500 Wet herstructurering varkenshouderij

Uitspraak in de zaken van:

1. Maatschap A en B, te C,

2. D B.V., te E,

appellanten,

gemachtigde: mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. F. Nijnuis, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen te Assen.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 5 juli 2005, bij het College binnengekomen op 6 juli 2005, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 juni 2005 met kenmerk BHF04206921004/MEV/sjm (hierna ook wel: bestreden besluit 1). Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 05/463.

Bij bedoeld besluit heeft verweerder – voor zover hier van belang – ongegrond verklaard de bezwaren tegen de registratie van een overdracht van varkensrechten, neergelegd in een zogenoemd “Overzicht van uw bedrijfssituatie”, volgnummer 4, van 20 februari 2004.

Bij brief van eveneens 5 juli 2005, bij het College binnengekomen op 6 juli 2005, hebben appellanten voorts beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 juni 2005 met kenmerk BHF04207213003/MEV/sjm (hierna ook wel: bestreden besluit 2). Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 05/462.

Bij bedoeld besluit heeft verweerder ongegrond verklaard de bezwaren tegen zijn besluit van 6 april 2004 strekkende tot weigering van de registratie van de overdracht van 450 niet-fokzeugenrechten van het bedrijf van appellante sub 1 naar het bedrijf van appellante sub 2.

Bij brief van 22 september 2005 heeft verweerder in beide zaken een verweerschrift ingediend en stukken overgelegd.

Bij brief van 31 januari 2006 hebben appellanten in beide zaken gerepliceerd.

Op 11 oktober 2007 heeft het onderzoek ter zitting in beide zaken plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteen hebben gezet. Voor appellante sub 1 is tevens het woord gevoerd door B.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Wettelijk kader

De per 1 januari 2006 vervallen Wet herstructurering varkenshouderij (verder: Whv) bevatte – onder meer – de volgende bepalingen:

“Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

c. bedrijf: geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van de landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden, en in ieder geval dat geheel van productie-eenheden dat als één bedrijf is opgegeven op grond van de krachtens artikel 7 van de Meststoffenwet gestelde regels inzake de registratie van de productie van dierlijke meststoffen, dan wel het na deze opgave ontstane geheel van productie-eenheden als gevolg van splitsing of samenvoeging overeenkomstig de bij of krachtens hoofdstuk III, hoofdstuk V van de Meststoffenwet, of de Wet verplaatsing mestproductie gestelde regels;

(….)

j. overdracht: eigendomsovergang, het vestigen of overdragen van een zakelijk gebruiksrecht dan wel het tenietgaan van dat recht, of het totstandkomen of eindigen van een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst;

(….)

m. concentratiegebied: concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost als aangegeven in bijlage B bij deze wet;

(…)

Artikel 16

Een varkensrecht kan, onder welke titel dan ook, met inachtneming van artikel 17 geheel of gedeeltelijk overgaan naar een ander bedrijf overeenkomstig de artikelen 18 en 19.

Artikel 17

1. Een varkensrecht (…) afkomstig van een bedrijf gelegen in een concentratiegebied kan overgaan naar een in hetzelfde gebied gelegen bedrijf of naar een buiten de concentratiegebieden gelegen bedrijf.

2. Een varkensrecht (…) afkomstig van een bedrijf gelegen buiten de concentratiegebieden kan uitsluitend overgaan naar een buiten de concentratiegebieden gelegen bedrijf.

3. Een bedrijf is gelegen binnen een concentratiegebied, onderscheidenlijk buiten de concentratiegebieden, indien de huisvesting waarin de varkens worden of zullen worden gehouden hoofdzakelijk is gelegen binnen het desbetreffende concentratiegebied, onderscheidenlijk buiten de concentratiegebieden. (…).

Artikel 18

1. Degene naar wiens bedrijf het varkensrecht (…) moet overgaan en degene van wiens bedrijf het varkensrecht (…) afkomstig is, geven van de overgang gezamenlijk kennis aan Bureau Heffingen met gebruikmaking van een daartoe door Onze Minister vastgesteld formulier, dat overeenkomstig de op het formulier aangegeven wijze volledig en naar waarheid is ingevuld en door beide partijen is ondertekend.

2. Er kan eerst aanspraak worden gemaakt op het van het andere bedrijf afkomstige varkensrecht (…) vanaf het tijdstip van registratie van de kennisgeving (…).

(…)

Artikel 19

1. De registratie, bedoeld in artikel 18, vindt niet plaats indien:

(…)

b. niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 17;”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante sub 1 exploiteert een akkerbouwbedrijf aan de F in C. C ligt buiten de concentratiegebieden bedoeld in artikel 1, aanhef en sub m, Whv, welke zijn opgenomen in Bijlage B bij artikel 1 Whv.

- Appellante sub 2 is gevestigd te E. E ligt blijkens vorenbedoelde Bijlage binnen concentratiegebied Zuid.

- Op 31 december 2003 heeft het toenmalige Bureau Heffingen een door B namens appellante sub 1 en door G namens appellante sub 2 ondertekend formulier ontvangen, waarin is vermeld dat appellante sub 2 450 varkenseenheden overdraagt aan appellante sub 1.

- Op 12 januari 2004 heeft verweerder een door appellanten ondertekend formulier ontvangen, waarin is vermeld dat appellante sub 1 450 varkenseenheden overdraagt aan appellante sub 2.

- Op 20 februari 2004 heeft verweerder appellante sub 1 naar aanleiding van de op 31 december 2003 gemelde overdracht een “Overzicht van uw bedrijfssituatie”, volgnummer 4, toegestuurd op het adres te C, waarin deze overdracht is verwerkt.

- Op 10 maart 2004 heeft verweerder van appellante sub 1 een formulier “Huisvesting varkens” ontvangen, waarop is aangegeven dat de huisvesting van de varkens gelegen is aan de H-straat te I. I ligt in de gemeente J, welke gemeente blijkens bijlage B bij artikel 1 Whv in het concentratiegebied Zuid ligt.

- Verweerder heeft dit formulier op 31 maart 2004 retour gezonden en appellante sub 1 om nadere informatie gevraagd.

- Bij brief van 1 april 2004 heeft appellante sub 1 bezwaar gemaakt tegen de uit het “Overzicht van uw bedrijfssituatie” van 20 februari 2004 blijkende registratiebeslissing.

- Bij besluit van 6 april 2004 heeft verweerder geweigerd de op 12 januari 2004 gemelde overdracht te registreren op de grond dat het niet mogelijk is varkensrechten te verplaatsen van buiten de concentratiegebieden naar een concentratiegebied.

- Bij brief van 6 april 2004 heeft verweerder voorts appellante sub 1 als volgt bericht.

“Op 10 maart 2004 heb ik van u een formulier huisvesting varkens ontvangen. Helaas kan ik dit formulier niet verwerken. Hieronder geef ik aan welke informatie nog ontbreekt.

Ontbrekende informatie

U hebt een huisvesting ingevuld die al geregistreerd staat bij een mestnummer op naam van de heer K te E. Wilt u een kopie van de notariële akte of reguliere pachtovereenkomst insturen waaruit blijkt dat u eigenaar, zakelijk gerechtigde of pachter van de huisvesting bent. Indien de huisvesting een afgescheiden gedeelte betreft, wilt u dan ook een schets insturen waarop duidelijk is aangegeven hoe de huisvesting over de verschillende mestnummers is onderverdeeld? Wilt u ook aangeven per welke datum de locatie ‘F-dijk te C’ moet worden afgevoerd?(…)”

- Bij brief van 15 april 2004 heeft appellante sub 2 bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 6 april 2004. Zij heeft daarbij verwezen naar het bezwaar van appellante sub 1 tegen de hiervoor bedoelde registratiebeslissing van 20 februari 2004.

- Bij brief van eveneens 15 april 2004 heeft appellante sub 1 verweerder bericht dat zij in C nooit varkens heeft gehouden. In de bijgesloten akte van pachtoverdracht tevens inhoudende wijzigingsovereenkomst van 3 juli 1998 is het volgende opgenomen:

“1. De heer L, M-straat (…) E;

2. De heer N, (….) O en/of Maatschap Landbouwbedrijf P en N (…) te R;

3. Mts A en B, F-dijk te (…) C, hierna te noemen “A/B”;

(….)

Dat partijen overleg hebben gehad om de uit de pachtovereenkomst voor ondergetekende sub 2 voortvloeiende rechten en verplichtingen voor een bij alle partijen bekend gedeelte van de stal, (...) over te dragen aan sub 3.

(…)

e. Tevens is tussen verpachter en A/B overeengekomen en derhalve toegevoegd aan de oorspronkelijke pachtovereenkomst (…) het volgende:

Indien en voorzover er op grond van de Herstructureringswet varkensrechten aan A/B zullen worden toegekend komen deze rechten te allen tijde toe aan de verpachter, onder de gehoudenheid zijnerzijds bij het einde van de pachtovereenkomst aan A/B een vergoeding te betalen (…)”

- Bij brief van 28 december 2004 heeft appellante sub 1 haar bezwaarschrift van 1 april 2004 aangevuld.

- Op 5 april 2005 is appellante sub 1 naar aanleiding van haar bezwaarschrift door verweerder gehoord.

- Bij twee onderscheiden vonnissen van de meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 april 2005 zijn het veebedrijf Maatschap A/B, respectievelijk L veroordeeld tot (gedeeltelijk voorwaardelijke) geldboeten van respectievelijk € 43.000 en € 110.000 wegens het medeplegen van het houden op de bedrijven te I van een groter aantal varkens dan op grond van artikel 15 Whv (oud) was toegestaan.

- Bij brief van 17 mei 2005 heeft appellante sub 1 een reactie op het verslag van de hoorzitting van 5 april 2005 ingestuurd.

- Bij brief van eveneens 17 mei 2005 heeft appellante sub 2 haar bezwaarschrift van 15 april 2004 aangevuld.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

- Bij uitspraak van 28 december 2005, inzake AWB 05/893, heeft de voorzieningenrechter een door appellante sub 1 hangende haar beroep ingediend verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter heeft in deze uitspraak onder verwijzing naar de uitspraken van het College van 8 april 2003, inzake AWB 02/937 en van 6 september 2005, inzake AWB 03/1449 e.a., (te raadplegen op www.rechtspraak.nl, onder LJN AF7772 en AU3249) vastgesteld dat de varkensstal te I in elk geval op 9 juli 1997 nog niet tot het bedrijf van appellante behoorde.

3. De bestreden besluiten

bestreden besluit 1

Volgens artikel 16 Whv kan een varkensrecht met inachtneming van artikel 17 Whv geheel of gedeeltelijk overgaan naar een ander bedrijf overeenkomstig de artikelen 18 en 19 Whv. Nu appellante sub 1 aangeeft dat de aangekochte rechten geregistreerd moeten worden op de locatie H-straat te I, wordt niet voldaan aan de voorwaarde om het varkensrecht te kunnen overdragen, omdat de huisvesting aan de H-straat te I niet geregistreerd staat als bedrijfsonderdeel van appellante sub 1.

Ingevolge artikel 1, onder c, Whv is een bedrijf het geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van de landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden. Uit onderzoek blijkt dat de varkensstal aan de H-straat te I feitelijk niet tot het bedrijf van appellante sub 1 behoort. Het argument dat de strafrechter heeft geconcludeerd dat appellante sub 1 wel de houder van de dieren is en dat mede daarom de stal te I tot het bedrijf van appellante sub 1 behoort, deelt verweerder niet. De maatschap is immers veroordeeld tot het “medeplegen” van het houden van varkens in de stal te I in strijd met artikel 15 Whv. De rechtbank heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat G de houder van de dieren was en dat de maatschap A/B mede artikel 15 Whv heeft overtreden door bijvoorbeeld haar mestnummers beschikbaar te stellen waarop de mestproductie van de varkens is opgegeven. Vooral de overweging dat de maatschap “op papier de verzorging van de varkens op zich heeft genomen” zegt veel over de conclusie van de rechtbank. Feitelijk werden de varkens in de stal te I door G gehouden. Daarom behoorde de stal te I niet tot het bedrijf van appellante sub 1.

Bovendien heeft A tegenover de Algemene Inspectiedienst (AID) verklaard dat de maatschap niet de feitelijke houder van de varkens is. De verklaring is zelfs door hem ondertekend. Hierin staat onder andere dat het bedrijfsresultaat niet afhankelijk is van de opbrengst van de varkenshouderij. A gaf aan dat appellante sub 1 op geen enkele wijze invloed uitoefent op het houden van varkens in afdelingen in de stal te I. Volgens A is G de houder van de varkens in die stal. A gaf aan dat er een schijnconstructie is gecreëerd om te doen voorkomen dat de akkerbouwers houders zijn van de varkens. Deze conclusie komt overeen met die van de rechtbank.

Het is derhalve onmogelijk om het varkensrecht te registreren. Deze huisvesting behoort immers feitelijk niet tot het bedrijf van appellante sub 1.

bestreden besluit 2

Bij bestreden besluit 2 heeft verweerder het bezwaar tegen de weigering de op 12 januari 2004 gemelde overdracht van varkensrechten van het bedrijf van appellante sub 1 naar het bedrijf van appellante sub 2 ongegrond verklaard. Hij heeft daartoe verwezen naar het bestreden besluit 1 en naar zijn conclusie dat de (door appellante sub 1 in onderpacht) verworven stal in I in het concentratiegebied Zuid niet kan worden geacht deel uit te maken van het bedrijf van appellante sub 1 in C. Omdat het bedrijf in C waarop de over te dragen varkensrechten rusten buiten de concentratiegebieden ligt, is het gelet op artikel 19, in verbinding met artikel 17 Whv, niet mogelijk de overdracht van 450 varkensrechten van het bedrijf van appellante sub 1 in C naar het bedrijf van appellante sub 2 in het concentratiegebied Zuid te registreren.

Om appellante tegemoet te komen heeft verweerder aangeboden de registratie van de op 31 december 2003 gemelde overdracht ongedaan te maken, waarmee de desbetreffende varkensrechten weer terug zouden komen bij appellante sub 2.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben – samengevat – het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.

Dat de stallen te I geen deel zouden uitmaken van het bedrijf van appellante sub 1 is onjuist. Deze stallen maken onderdeel uit van het bedrijf van appellante sub 1 in de zin van artikel 1, aanhef en sub c, Whv. Op het bedrijf als geheel, daaronder begrepen de stallen te I, kan een varkensrecht komen te rusten. Het houderschap van de varkens speelt in zoverre geen rol. Ook in de visie van verweerder rust het varkensrecht op een bedrijf en niet zozeer op een naam.

Appellante sub 1 is wel degelijk houder van de dieren. Zij wijst erop dat zij door de meervoudige strafkamer is veroordeeld voor het houden van varkens aan de H-straat te I. De interpretatie van verweerder van het strafvonnis en de daaraan verbonden conclusie dat appellante artikel 15 Whv heeft overtreden door haar mestnummer ter beschikking te stellen waarop de mestproductie van de varkens is opgegeven, is pertinent onjuist. Datzelfde geldt voor diens conclusie dat G, en niet zij, de houder is van de dieren. G is wel betrokken bij de varkensstallen in die zin dat hij appellante wel eens aanwijzingen gaf en de administratie voor haar verzorgde, doch louter omdat hij op andere bedrijven zelf varkens houdt en uit dien hoofde beter bekend is met de – gecompliceerde – boekhouding die met de mestwetgeving en varkenshouderij gemoeid is. Vermelding van de mestnummers van appellante wijst erop dat op correcte wijze Minas-aangifte is gedaan. De aanduiding in het strafvonnis “op papier” betekent niet “slechts op papier” zoals verweerder kennelijk wil.

In hun conclusie van repliek hebben appellanten benadrukt dat verweerder zich zowel in primo als in bezwaar ten onrechte heeft geconcentreerd op het houderschap van de varkens en dat de vraag of de stal in I samen met C één bedrijf vormt onderbelicht is gebleven.

Onder verwijzing naar twee uitspraken van het College heeft de voorzieningenrechter zich slechts uitgesproken over de bedrijfssituatie tot 10 juli 1997. Onvoldoende is onderzocht of na die datum een gewijzigde situatie is ontstaan. Er is een nieuw onderzoek nodig om vast te stellen of sprake is van één bedrijf, hetgeen volgens appellanten wel degelijk het geval is. Het bedrijf is indertijd door een zekere Q overgedragen aan G die het bedrijf op basis van een goedgekeurd pachtcontract heeft verpacht aan de maatschap P/N. Van deze laatste heeft appellante sub 1 het bedrijf per 1 juli 1998 gepacht. In de eerdere bezwaar- en beroepsprocedures zijn deze feiten uitvoerig aan de orde gekomen. Hieruit is derhalve expliciet gebleken dat de situatie op 10 juli 1997 niet dezelfde was als in 2003 en 2004. Bestreden besluit 1 is derhalve genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel en komt in aanmerking voor vernietiging.

Nu bestreden besluit 2 berust op de overwegingen die ten grondslag zijn gelegd aan bestreden besluit 1, dient ook bestreden besluit 2 te worden vernietigd.

Appellanten hebben geen gebruik willen maken van het aanbod de registratie van de op 31 december 2003 gemelde overdracht ongedaan te maken, omdat appellante sub 1 de desbetreffende varkensrechten in het jaar 2003 had willen benutten.

5. De beoordeling van het geschil

ten aanzien van het beroep tegen bestreden besluit 1:

5.1 Tussen partijen is in wezen in geschil of de varkensrechten, die verweerder blijkens het “Overzicht van uw bedrijfssituatie”, volgnummer 4, van 20 februari 2004 voor appellantes bedrijf heeft geregistreerd, (mede) kunnen worden benut in een door haar gepachte varkensstal aan de H-straat te I.

Verweerder is van mening dat het bedrijf van appellante sub 1 is gevestigd op het adres F-dijk te C en dat de bedoelde varkensstal geen deel uitmaakt van dit bedrijf, zodat de varkensrechten welke appellante sub 1 volgens haar op 31 december 2003 gedane melding heeft verworven, slechts in C kunnen worden benut. Appellante sub 1 stelt dat de stal te I wel degelijk onderdeel uitmaakt van haar bedrijf in de zin van artikel 1, aanhef en onder c, Whv, zodat zij de varkensrechten (ook) daar kan benutten.

5.2 Het College stelt – onder verwijzing naar hetgeen de voorzieningenrechter in de uitspraak van 28 december 2005 heeft overwogen – voorop dat verweerder bij het primaire besluit van 20 februari 2004 de in geding zijnde varkensrechten terecht heeft geregistreerd op het bedrijf van appellante sub 1 te C, omdat destijds uitsluitend deze locatie ten behoeve van het bedrijf van appellante sub 1 was geregistreerd. Eerst op 10 maart 2004 en derhalve na het nemen van bedoeld registratiebesluit heeft appellante sub 1 het formulier “Huisvesting varkens”, waarin melding werd gemaakt van de locatie te I, aan verweerder doen toekomen. De omstandigheid dat appellante sub 1 voordien in het kader van door haar gedane meldingen in verband met de toepassing van het Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (Bhv) reeds het standpunt had ingenomen dat de varkensstal te I tot haar bedrijf behoorde doet hier niet aan af. In reactie op bedoelde meldingen heeft verweerder immers steeds het standpunt ingenomen dat de gestelde pacht van deze varkensstal niet kon leiden tot vergroting van het varkensrecht op grond van het Bhv. Dit standpunt van verweerder is door het College rechtens juist geoordeeld in zijn hiervoor genoemde uitspraken van 8 april 2003 (AWB 02/937) en 6 september 2005 (AWB 03/1449 e.a.). Uit de uitspraak van 6 september 2005 blijkt bovendien dat het College heeft geoordeeld dat de varkensstal te I in ieder geval op 9 juli 1997 niet behoorde tot het bedrijf van appellante sub 1, althans van haar pachtvoorganger. Evenmin als de voorzieningenrechter in de uitspraak van 28 december 2005 ziet het College grond voor het oordeel dat verweerder voorafgaand aan het nemen van de primaire registratiebeslissing ambtshalve had moeten onderzoeken of de locatie te I inmiddels wel tot het bedrijf van appellante sub 1 was gaan behoren. Veeleer had het op de weg van appellante sub 1 gelegen bij de melding van de overdracht aan verweerder kenbaar te maken dat zij op het standpunt stond dat bedoelde locatie inmiddels in afwijking van de bij verweerder geregistreerde gegevens (wèl) deel was gaan uitmaken van haar bedrijf.

5.3 Het vorenstaande laat onverlet dat het verweerder bij de behandeling van het bezwaarschrift inmiddels duidelijk was geworden dat appellante sub 1 stelde dat de varkensstal te I ten tijde van de overdracht van de in geding zijnde varkensrechten deel uitmaakte van haar bedrijf. Vanaf dat moment was duidelijk dat de inzet van de procedure was of deze stelling juist was. Het College wijst er daarbij op dat redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is dat het op de weg van appellante sub 1 – die ook beschikt over de ter zake van belang zijnde informatie – lag aannemelijk te maken dat de situatie anders was komen te liggen dan voorheen.

5.4 In de bezwaarprocedure is in dit verband aan de orde geweest de hiervoor in rubriek 2.2 deels weergegeven akte van pachtoverdracht tevens inhoudende wijzigingsovereenkomst van 3 juli 1998. Ook heeft appellante sub 1 na de hoorzitting in bezwaar aan verweerder onder andere een afschrift toegezonden van het hiervoor eveneens in rubriek 2.2 genoemde vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 april 2005. Naar het oordeel van het College vloeit evenwel noch uit bedoelde overeenkomst, noch uit bedoeld vonnis voort dat de varkensstal te I deel uitmaakte van het bedrijf van appellante sub 1.

Wat betreft de overeenkomst van 3 juli 1998 wijst het College erop dat het bij een beoordeling als hier aan de orde, mede gezien de voorgeschiedenis van deze zaak als blijkend uit de eerdere procedures van appellante in het kader van de toepassing van het Bhv, niet zozeer gaat om de formele situatie maar ook en vooral om de feitelijke gang van zaken rondom het gebruik van de varkensstal. Uit hetgeen appellante sub 1 terzake in de bezwaarfase naar voren heeft gebracht volgt niet dat deze stal feitelijk deel uitmaakte van haar bedrijf. Het College acht daarbij van belang dat in de bezwaarfase naar voren is gekomen dat A in het kader van het strafrechtelijk onderzoek dat heeft geleid tot het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 april 2005 tegenover de AID heeft verklaard dat de maatschap niet de feitelijke houder van de varkens is en dat appellante sub 1 op geen enkele wijze invloed uitoefende op het houden van varkens in afdelingen in de stal te I. Volgens A was G de houder van de varkens in die stal en was er een schijnconstructie gecreëerd om te doen voorkomen dat de akkerbouwers houders waren van de varkens. Gelet op de periode waarop het strafrechtelijk onderzoek betrekking had, zag deze verklaring mede op de situatie zoals die bestond na het aangaan van de overeenkomst van 3 juli 1998. Hieruit volgt minstgenomen dat de enkele omstandigheid dat die overeenkomst is aangegaan onvoldoende grond vormt aan te nemen dat de varkensstal te I vanaf deze datum, dan wel de ingangsdatum van de overeenkomst (1 juli 1998), of op enig moment daarna, onderdeel is gaan uitmaken van het bedrijf van appellante sub 1. Het in de bezwaarprocedure gehouden betoog van appellante dat A niet degene was die binnen het bedrijf van appellante sub 1 ging over de varkenstak en dat hij zijn verklaring later heeft ingetrokken treft geen doel, aangezien daaruit niet volgt dat aan die verklaring geen enkele betekenis toekomt. Door zich te beperken tot deze tegenwerpingen en niet uit eigen beweging volledig en onderbouwd inzicht te geven in de bedrijfsvoering ten aanzien van de locatie te I heeft appellante sub 1, mede gezien de verklaring van A, niet aannemelijk gemaakt dat de stal wel behoorde tot haar bedrijf.

Wat betreft de betekenis van het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch wijst het College erop dat daarin bewezen is verklaard dat appellante sub 1 van 1 september 1998 tot en met 31 december 2001 op een bedrijf, gelegen aan de H-straat te I en/of in de gemeente E en/of te C tezamen en in vereniging met anderen, waaronder G, de eigenaar van de varkensstal te I, telkens een groter aantal varkens heeft gehouden dan het op het bedrijf rustende varkensrecht en/of fokzeugenrecht, verminderd met het grondgebonden deel van het varkensrecht en/of fokzeugenrecht. Uit het vonnis blijkt niet dat de strafrechter zich een oordeel heeft gevormd over de in het onderhavige geding van belang zijnde kwestie, zodat daarin geen argument kan worden ter onderbouwing van het door appellante sub 1 ingenomen standpunt terzake. Overigens hebben appellanten ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat de veroordeling door de rechtbank ’s-Hertogenbosch in hoger beroep niet in stand is gebleven, aangezien het Gerechtshof na een andere kwalificatie van het gepleegde delict te hebben gegeven, tot het oordeel is gekomen dat het was verjaard.

Gelet op het vorenstaande bestond voor verweerder ten tijde van het nemen van bestreden besluit 1 geen aanleiding aan te nemen dat de situatie in die zin anders was komen te liggen dan voorheen dat de varkensstal te I deel was gaan uitmaken van het bedrijf van appellante sub 1.

5.5 In beroep heeft appellante een aantal stukken overgelegd waaruit volgens haar blijkt dat de varkensstal te I wel degelijk deel uitmaakte van haar bedrijf. Het betreft hier bewijzen van betaling van de pacht, bewijzen ter zake van het afhalen en uitrijden van mest, minas-aangiften 2003 en 2004 en een specificatie van de Minas-berekening 2001 door het voormalige Bureau Heffingen. Ook deze documenten, hoewel op zichzelf van belang bij de beoordeling van de in geding zijnde kwestie, leveren naar het oordeel van het College niet op dat de varkensstal te I ten tijde hier van belang deel was gaan uitmaken van het bedrijf van appellante, nu zij – bezien in het licht van het vorenstaande – onvoldoende duidelijkheid bieden omtrent de feitelijke gang van zaken.

5.6 Gelet op het hiervoor overwogene kan niet worden staande gehouden dat verweerder zich bij het nemen van bestreden besluit 1 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de varkensstal te I ten tijde van de overdracht van de in geding zijnde varkensrechten geen deel uitmaakte van het bedrijf van appellante sub 1. Mitsdien heeft verweerder op goede gronden de varkensrechten geregistreerd op het adres te C.

Het ter zitting van het College gedane aanbod van appellante sub 1 om haar stellingen ter zake van de varkensstal te I alsnog nader te onderbouwen door overlegging van een map met gegevens waarover zij zou beschikken, wordt – mede in aanmerking genomen dat de goede procesorde zich daar, gezien het late stadium waarop dit aanbod is gedaan, tegen zou verzetten – van de hand gewezen.

Het beroep tegen bestreden besluit 1 is derhalve ongegrond.

ten aanzien van het beroep tegen bestreden besluit 2:

5.7 Nu uit het vorenstaande duidelijk is dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de locatie te I niet behoorde tot het bedrijf van appellante sub 1, moet worden geconcludeerd dat ook de in het beroep tegen bestreden besluit 2 in geding zijnde varkensrechten (er van uitgaande dat het hier, zoals appellanten ter zitting hebben gesteld, gaat om andere varkensrechten dan die aan de orde waren bij de beoordeling van bestreden besluit 1) behoorden tot het bedrijf van appellante sub 1, dat gevestigd was in C, gelegen buiten de concentratiegebieden. De door appellanten met de op 12 januari 2004 gedane kennisgeving beoogde overgang van varkensrechten behelsde derhalve een overgang van varkensrechten, afkomstig van een bedrijf buiten de concentratiegebieden, naar een bedrijf binnen concentratiegebied Zuid (het bedrijf van appellante sub 2 is gelegen te E, gelegen in dit concentratiegebied). Zoals verweerder terecht heeft overwogen verzet artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, Whv, gelezen in samenhang met artikel 17, tweede lid, Whv zich tegen een zodanige overgang. Mitsdien heeft verweerder terecht de gevraagde registratie geweigerd en deze weigering bij bestreden besluit 2 gehandhaafd.

Ook het beroep tegen bestreden besluit 2 is derhalve ongegrond.

5.8 Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2008.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. A. Bruining