Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BC2479

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-12-2007
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
AWB 06/591
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Wet herstructurering varkenshouderij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Vijfde enkelvoudige kamer

AWB 06/591 20 december 2007

16500 Wet herstructurering varkenshouderij

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: mr. ing. A.N.M. van Bavel, werkzaam bij ABAB Juristen, te ‘-Hertogenbosch.

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. F. Nijnuis, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen te Assen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 25 juli 2006, bij het College binnengekomen op 26 juli 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 juni 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder niet ontvankelijk verklaard de bezwaren van appellante tegen het op 10 maart 2006 aan haar gezonden “Overzicht van uw bedrijfssituatie” nr. 2 en de daarbij gevoegde bijlage, waarin de kennisgeving van een bedrijfsoverdracht tussen appellante en E is verwerkt en de benutbaarheid door appellante van de in het overzicht geregistreerde varkensrechten in het concentratiegebied Zuid en daarbuiten is aangegeven.

Bij brief van 23 augustus 2006 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.

Bij besluit van 29 november 2006 heeft verweerder zijn besluit van 16 juni 2006 herzien en de bezwaren van appellante alsnog ontvankelijk, doch ongegrond verklaard.

Appellante heeft het College bij brief van 15 december 2006 desgevraagd meegedeeld het beroep te willen handhaven, waarop zij door het College in de gelegenheid is gesteld de gronden van haar beroep aan te vullen.

Bij brief van 11 januari 2007 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld, alsmede een aantal aanvullende producties ingediend.

Bij brief van 12 februari 2007 heeft verweerder een nieuw verweerschrift ingediend.

Op 11 oktober 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteen hebben gezet.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Wettelijk kader

De per 1 januari 2006 vervallen Wet herstructurering varkenshouderij (verder: Whv) bevatte ten tijde van belang – onder meer – de volgende bepalingen:

“Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

c. bedrijf: geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van de landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden, en in ieder geval dat geheel van productie-eenheden dat als één bedrijf is opgegeven op grond van de krachtens artikel 7 van de Meststoffenwet gestelde regels inzake de registratie van de productie van dierlijke meststoffen, dan wel het na deze opgave ontstane geheel van productie-eenheden als gevolg van splitsing of samenvoeging overeenkomstig de bij of krachtens hoofdstuk III, hoofdstuk V van de Meststoffenwet, of de Wet verplaatsing mestproductie gestelde regels;

(….)

j. overdracht: eigendomsovergang, het vestigen of overdragen van een zakelijk gebruiksrecht dan wel het tenietgaan van dat recht, of het totstandkomen of eindigen van een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst;

(….)

m. concentratiegebied: concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost als aangegeven in bijlage B bij deze wet;

Artikel 16

Een varkensrecht kan, onder welke titel dan ook, met inachtneming van artikel 17 geheel of gedeeltelijk overgaan naar een ander bedrijf overeenkomstig de artikelen 18 en 19.

Artikel 17

1. Een varkensrecht (…) afkomstig van een bedrijf gelegen in een concentratiegebied kan overgaan naar een in hetzelfde gebied gelegen bedrijf of naar een buiten de concentratiegebieden gelegen bedrijf.

2. Een varkensrecht (…) afkomstig van een bedrijf gelegen buiten de concentratiegebieden kan uitsluitend overgaan naar een buiten de concentratiegebieden gelegen bedrijf.

3. Een bedrijf is gelegen binnen een concentratiegebied, onderscheidenlijk buiten de concentratiegebieden, indien de huisvesting waarin de varkens worden of zullen worden gehouden hoofdzakelijk is gelegen binnen het desbetreffende concentratiegebied, onderscheidenlijk buiten de concentratiegebieden. (…)

Artikel 18

1. Degene naar wiens bedrijf het varkensrecht, of een gedeelte daarvan, moet overgaan en degene van wiens bedrijf het varkensrecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig is, geven van de overgang gezamenlijk kennis aan het Bureau Heffingen, met gebruikmaking van een daartoe door Onze Minister vastgesteld formulier, dat overeenkomstig de op het formulier aangegeven wijze volledig en naar waarheid is ingevuld en door beide partijen is ondertekend.

2. Er kan eerst aanspraak worden gemaakt op het van het andere bedrijf afkomstige varkensrecht, of een gedeelte daarvan, vanaf het tijdstip van registratie van de kennisgeving (…)..

Artikel 19

1. De registratie, bedoeld in artikel 18, vindt niet plaats indien:

(…)

b. niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 17;

(…)

Artikel 20

1. In geval van overdracht van een bedrijf kan een verkrijger van het bedrijf eerst aanspraak maken op het varkensrecht van dat bedrijf, vanaf het tijdstip van registratie door het Bureau Heffingen van de door de vervreemder en de verkrijger van het bedrijf gezamenlijk gedane kennisgeving van overgang van het varkensrecht.

(…)

3. De artikelen 18, eerste lid, en 19, eerste lid, onderdeel c, zijn op de kennisgeving en registratie, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing. (…)”

Artikel 4 van de Wet verplaatsing mestproductie (2 december 1993, Stb. 686, hierna ook: Wvm) luidde ten tijde van belang als volgt.

“Artikel 4

Het is verboden te verplaatsen van een locatie of bedrijf, geheel of gedeeltelijk gelegen buiten de in de bij deze wet behorende bijlage aangegeven gebieden, naar een locatie of bedrijf geheel of gedeeltelijk gelegen binnen deze gebieden. Het is op overeenkomstige wijze verboden om tussen de aangewezen gebieden onderling, te verplaatsen.”

Bij wet van 15 september 2005, Stb. 2005, nr. 480 is de Meststoffenwet gewijzigd en zijn de Wet verplaatsing mestproductie en de Whv ingetrokken. In de gewijzigde wet is de volgende bepaling van overgangrecht opgenomen.

“ARTIKEL VII

De wijzigingen voorzien in deze wet zijn niet van toepassing op gedragingen die hebben plaatsgevonden voor de dag waarop de desbetreffende artikelonderdelen in werking treden.”

De gewijzigde Meststoffenwet is in werking getreden op 1 januari 2006. Bij beschikking van de Minister van Justitie van 14 februari 2006 is de tekst van de gewijzigde wet in het Staatsblad geplaatst (Stb. 2006, 64). Na de wijziging bepaalt de wet – onder meer – het volgende.

“Artikel 26

(…)

2. Tot 1 januari 2008 kan een productierecht, of een gedeelte daarvan, afkomstig van een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen buiten de concentratiegebieden niet overgaan naar een bedrijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen in een concentratiegebied.

(…)

5. Het eerste en het tweede lid gelden niet ingeval van overgang van het productierecht bij een samenvoeging van bedrijven.

6. Het is tot 1 januari 2008 verboden om binnen een bedrijf de varkens-, kippen- of kalkoenenhouderij te verplaatsen:

a. van een locatie gelegen buiten de concentratiegebieden naar een locatie gelegen in een concentratiegebied, of

b. van een locatie gelegen in het ene concentratiegebied naar een locatie gelegen in het andere concentratiegebied."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante exploiteert een varkenshouderij te C, gemeente D. D ligt blijkens bijlage B bij artikel 1 Whv in concentratiegebied Zuid.

- Verweerder hanteert sinds 1 januari 2005 het begrip “relatienummer” in plaats van mestnummers. Aan appellantes bedrijf is het relatienummer 110412454 toegekend.

- Op 19 december 2005 heeft appellante bij verweerders Dienst Regelingen een formulier “Overdracht van een bedrijf” ingediend waarop de overdracht van het bedrijf van E te F (relatienummer 110162687) aan appellante is gemeld. F ligt buiten de concentratiegebieden. De bedrijven liggen ca. 30 kilometer uit elkaar.

- Uit een “Overzicht van uw bedrijfssituatie” nr. 2 van 10 maart 2006 blijkt dat het formulier tot registratie van de overgedragen rechten heeft geleid en dat in 2005 op het relatienummer 110412454 in totaal 1.234,1 varkenseenheden zijn geregistreerd. In de bijlage deelt verweerder aan appellante het volgende mee.

“Uw bedrijf is vanaf 9 december 2005 gelegen in meerdere (concentratie)gebieden. Daarom wordt er in deze bijlage aangegeven in welke (concentratie)gebieden de (..) varkensrechten uitsluitend mogen worden benut.

RECHTEN TE BENUTTEN IN CONCENTRATIEGEBIED ZUID:

2005 2006

Niet-fokzeugen verhandelbaar 339,6 0,0 Varkenseenheden

Niet-fokzeugen grondgebonden 244,0 0,0 Varkenseenheden

Fokzeugen verhandelbaar 555,8 0,0 Varkenseenheden

Fokzeugen grondgebonden 40,0 0,0 Varkenseenheden

Varkensrechten 0 1179,4 Varkenseenheden

RECHTEN TE BENUTTEN BUITEN DE CONCENTRATIEGEBIEDEN:

2005 2006

Niet-fokzeugen verhandelbaar 54,7 0,0 Varkenseenheden

Niet-fokzeugen grondgebonden 0,0 0,0 Varkenseenheden

Fokzeugen verhandelbaar 0,0 0,0 Varkenseenheden

Fokzeugen grondgebonden 0,0 0,0 Varkenseenheden

Varkensrechten 0 860,0 Varkenseenheden

- Appellante heeft hiertegen bij brief van 10 april 2008 bezwaar gemaakt.

- Op 17 mei 2006 is appellante naar aanleiding van haar bezwaarschrift telefonisch door verweerder gehoord.

-Vervolgens heeft verweerder het besluit van 16 juni 2006 genomen, welk besluit hij bij zijn nadere besluit van 29 november 2006 heeft herzien.

3. De bestreden besluiten

Na appellante bij besluit 16 juni 2006 niet-ontvankelijk te hebben verklaard in haar bezwaren, heeft verweerder bij besluit van 29 november 2006 appellantes bezwaren alsnog ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft verweerder de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

Dat de bedrijven in F en (het circa 30 km oostelijker gelegen) C onder één relatienummer zijn geregistreerd, brengt niet mee dat zij ook als één bedrijf moeten worden gezien. Een relatienummer dient slechts om de administratieve lasten te verlichten.

Uit onderzoek is gebleken dat de stal in F op circa 25-30 km van de varkenshouderij in C ligt en de maatschap al haar rechten in C wilde benutten. Deze feiten en omstandigheden rechtvaardigen volgens verweerder de conclusie dat de locaties in F en C niet samen één bedrijf vormen. Uit andere omstandigheden is niet gebleken en ook op andere wijze is niet aangetoond dat er sprake is van één bedrijf. Er is sprake van twee bedrijven. Daardoor staat artikel 17 Whv een verplaatsing van varkensrechten in de weg.

Tenslotte heeft verweerder ter ondersteuning van zijn beslissing tot ongegrondverklaring van het bezwaar gewezen op het antwoord van Dienst Regelingen van 13 oktober 2005 naar aanleiding van een in 2005 in het zogenaamde Vlb-overleg voorgelegde casus. Dit antwoord luidde als volgt.

"De regeling van de overgang van varkensrechten wijkt in zoverre af van die van de mestproductierechten, dat er - los van de aan de concentratiegebieden gekoppelde beperkingen - geen beperkingen gelden voor verplaatsing van de varkenshouderij binnen het bedrijf. De aan de concentratiegebieden gekoppelde beperkingen gelden dus wel, ook bij overgang binnen het bedrijf. Een varkensrecht kan slechts overgaan binnen hetzelfde concentratiegebied, van een concentratiegebied naar buiten de concentratiegebieden en buiten de concentratiegebieden (artikel 17, eerste en tweede lid, Whv). Zodra varkensrechten overgaan van een concentratiegebied naar een niet-concentratiegebied, worden zij aangemerkt als grondgebonden varkensrechten (artikel 18, vijfde lid, Whv). Voor de benutting van deze rechten geldt momenteel nog de eis van voldoende grond in relatie tot het aantal te houden varkens. Overgang van varkensrechten afkomstig van een locatie gelegen in een concentratiegebied naar een locatie van hetzelfde bedrijf buiten de concentratiegebieden is derhalve mogelijk. De omgekeerde situatie niet. De algemene regel dat binnen het bedrijf - dus ook het door ‘samenvoeging’ ontstane bedrijf - de mestproductie niet fysiek mag worden verplaatst van een locatie buiten de concentratiegebieden naar een locatie gelegen binnen het concentratiegebied geldt onverkort. Of er sprake is van één bedrijf wordt beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden.”

In het verweerschrift heeft verweerder daaraan toegevoegd dat hij bij de beslissing op het bezwaar de Whv als uitgangspunt heeft genomen en niet de Meststoffenwet. Verweerder stelt dat appellant niet heeft aangetoond dat de twee bedrijven samen als één bedrijf moeten worden gezien. Daarbij komt nog de afstand tussen C en F. Verweerder concludeert hieruit dat sprake is van twee bedrijven, waarvan één gelegen is binnen het concentratiegebied Zuid en het andere buiten de concentratiegebieden, zodat artikel 17 Whv aan de verplaatsing van varkensrechten tussen die bedrijven in de weg staat.

Voor zover geoordeeld wordt dat toch sprake is van één bedrijf, wijst verweerder op artikel 4 Wvm waaruit volgens hem het bestreden verplaatsingsverbod ook volgt. Anders dan appellant meent, strekt dit verbod zich in verweerders visie ook uit tot de varkenshouderij. Dat kan worden afgeleid uit artikel 55, tiende lid, van de Meststoffenwet, zoals dat artikellid ten tijde van de inwerkintreding van de Whv (1 september 1998) luidde. Op grond van dat artikellid werd de mestproductie van de diersoort varken voor de toepassing van - onder meer - artikel 3 Wvm niet langer in aanmerking genomen, terwijl een dergelijke uitzondering niet gold voor artikel 4 Wvm.

Ook uit de Memorie van toelichting bij de Whv (TK 1997-1998, 25746), en uit de Memorie van toelichting bij de gewijzigde Meststoffenwet (TK 2004-2005, 30004, nr. 3, par. 2 en 4, sub c) blijkt dat onder de oude regelgeving het verplaatsen van mestproductie- dan wel varkensrechten als door appellante beoogd, niet is toegestaan.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Aan haar verzoek in het beroepschrift tegen verweerders besluit van 16 juni 2006 om haar bezwaarschrift alsnog ontvankelijk te verklaren is nu voldaan. Het was echter wel nodig om tegen de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring beroep in te stellen. Daarom verzoekt appellante om verweerder te veroordelen in de kosten die zij hiervoor heeft moeten maken.

Omdat de overdracht van het bedrijf op 8 december 2005 heeft plaatsgevonden én de beperking in de benutbaarheid van de overgedragen varkensrechten in de bijlage vanaf 9 december 2005 van toepassing wordt verklaard, dient te worden uitgegaan van de regelgeving zoals deze op dat moment gold, en dus van de Whv.

Appellante bestrijdt verweerders stelling dat het systeem van relatienummers dat in 2005 is ingevoerd, slechts bedoeld is ter vermindering van de administratieve lasten en geen rechtsgevolgen heeft. Uitgangspunt sinds 1 januari 2005 is dat iedereen slechts één landbouwbedrijf kan exploiteren. Dat blijkt ook uit het feit dat voor het gehele onder het relatienummer geregistreerde bedrijf één MINAS aangifte wordt gedaan. Voorts zijn bij de overname de MINAS saldi van het overgenomen bedrijf samengevoegd met de hare.

De Whv kent geen registratie van varkensrechten per locatie. Binnen een bedrijf zijn de ruimtelijke voorwaarden, die neergelegd zijn in artikel 17 Whv, niet van toepassing. Deze gelden alleen bij de overgang naar een ander bedrijf. In dit geval is geen sprake van de overgang van varkensrechten naar een ander bedrijf. Appellante heeft een bedrijf overgenomen. Dit bedrijf en dus de locatie behorende tot dit bedrijf, is toegevoegd aan haar bestaande relatienummer en vormt één geheel van productie-eenheden in de zin van artikel 1, aanhef en sub c, Whv.

In artikel 17, derde lid, Whv worden criteria gegeven voor de beoordeling van de vraag in welke situaties een bedrijf al dan niet gelegen is in een concentratiegebied. Een bedrijf is gelegen in een concentratiegebied als het, kort samengevat, hoofdzakelijk in dat gebied is gelegen. Hetzelfde geldt voor een bedrijf dat hoofdzakelijk iss gelegen in een niet-concentratiegebied.

Door de wijziging van de Meststoffenwet per 1 januari 2006 is dit systeem verlaten. Artikel 26, zesde lid, van de gewijzigde wet bepaalt dat het tot 1 januari 2008 verboden is om binnen een bedrijf de varkenshouderij te verplaatsen van een locatie gelegen buiten een concentratiegebied naar een locatie gelegen in een concentratiegebied of van een locatie gelegen in het ene concentratiegebied naar een locatie gelegen in het andere concentratiegebied. In de ten tijde van de bedrijfsoverdracht toepasselijke Whv ontbrak een dergelijke bepaling. Er was dus geen sprake van een algeheel verbod om binnen een bedrijf rechten te verplaatsen ongeacht of dit plaatsvond tussen concentratiegebieden, dan wel van een niet-concentratiegebied naar een concentratiegebied.

Er is in het onderhavige geval wel degelijk sprake van één bedrijf. De beide locaties die op circa 30 km afstand van elkaar liggen, worden als één geheel geëxploiteerd.

Appellante heeft de gepachte stal daadwerkelijk in gebruik genomen om voor eigen rekening en risico varkens te houden. De verzorging van de dieren wordt ook door haar uitgevoerd en zij bracht dagelijks een bezoek aan het bedrijf. Appellante noemt het door haar aangegane pachtcontract en wijst op een aantal door haar overgelegde documenten waaruit blijkt dat zij het varkensbedrijf te F daadwerkelijk heeft uitgeoefend.

Appellante is ten slotte van mening dat verweerder “in de geest van de wet” op de in deze wet voorziene afschaffing van de concentratiegebieden had moeten anticiperen. Zij vindt het bovendien inconsequent en in strijd met de rechtszekerheid dat verweerder ondanks het ontbreken van een wettelijke grondslag voor een verplaatsingsverbod als hier aan de orde de bedoeling van de bestaande regelgeving aan haar tegenwerpt.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Op grond van artikel 6:19 Awb wordt het beroep tegen verweerders besluit van 16 juni 2006 geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 29 november 2006, waarbij verweerder het eerstgenoemde besluit heeft herzien. Bij dit laatste besluit is verweerder in die zin aan appellante tegemoet gekomen dat haar bezwaar alsnog ontvankelijk is geacht. Het College is niet gebleken dat appellante nog procesbelang heeft bij een rechterlijke beoordeling van het besluit van 16 juni 2006. Appellantes beroep tegen dit besluit zal in verband hiermee niet-ontvankelijk worden verklaard. Op de door haar ter zake van het indienen van het beroepschrift tegen dit besluit verzochte vergoeding van proceskosten zal hierna worden beslist.

5.2 Nu de feitelijke verwerving van het bedrijf te F door appellante plaatsvond op 8 december 2005, brengt het in artikel VII van de gewijzigde Meststoffenwet neergelegde overgangsrecht mee dat het oude recht van toepassing is. Het geschil moet derhalve worden beoordeeld op grond van de Whv.

5.3 Het College overweegt allereerst dat in de tekst van artikel 17 Whv geen steun kan worden gevonden voor het standpunt dat het niet is toegestaan varkensrechten, afkomstig van een bedrijfslocatie gelegen buiten een concentratiegebied, te benutten op een locatie van hetzelfde bedrijf – in de zin van de Whv –, gelegen binnen een concentratiegebied. Naar uit het systeem van de Whv voortvloeit geldt dit ook voor de situatie na de overdracht van een geheel bedrijf. Het in artikel 4 Wvm neergelegde verplaatsingsverbod van mestproductierechten kan hierin geen verandering brengen, aangezien dit verbod geen grond vormt de registratie van de overdracht van varkensrechten op grond van de Whv te weigeren of te beperken. De toepasselijkheid van dit artikel zou zich bovendien niet verdragen met de in artikel 17, derde lid, Whv neergelegde regeling, welke, in verbinding met artikel 1, aanhef en sub c, Whv, onder omstandigheden ruimte biedt voor (her)beoordeling van de vraag of een bepaald bedrijf al dan niet in een van de concentratiegebieden ligt. Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven dat zodanige toepassing van artikel 17, derde lid, Whv volgens hem heel wel in praktijk kan zijn gebracht. Hetgeen in de toelichting bij de Whv, alsmede in de toelichting bij de gewijzigde Meststoffenwet over de intentie van de wetgever wordt opgemerkt kan in het vorenstaande geen verandering brengen.

Gezien het vorenstaande kan buiten beschouwing blijven of artikel 4 Wvm op zichzelf verplaatsing van de in geding zijnde varkensrechten naar de locatie te C dan wel benutting van die rechten op die locatie verbiedt.

5.4 Op zichzelf biedt de Whv geen grondslag voor een beoordeling van de benutbaarheid van varkensrechten op een locatie van een bedrijf. Varkensrechten worden ingevolge de Whv per bedrijf geregistreerd. Het geschil tussen partijen spitst zich derhalve toe op de vraag of het door appellant te F verworven bedrijf moet worden geacht samen met zijn bedrijf te C één bedrijf te vormen, dan wel of ook na verwerving van het bedrijf te F (nog steeds) sprake is van twee afzonderlijke bedrijven. In het eerste geval mogen de op het bedrijf rustende varkensrechten door appellant vrijelijk in het gehele bedrijf worden benut. In het tweede geval zal artikel 17, eerste lid, Whv aan de registratie van de verplaatsing van varkensrechten van F naar C in de weg staan.

5.5 Verweerder heeft zijn standpunt dat appellante sinds het aangaan van de pachtovereenkomst eind 2005 beschikte over twee bedrijven – één in C en één in F – onderbouwd met de stelling dat de beide bedrijven op een afstand van circa 30 kilometer van elkaar liggen en dat was gebleken dat appellante alle op haar naam geregistreerde varkensrechten in C wilde gebruiken. Appellante heeft daartegen aangevoerd dat dit een onjuiste voorstelling van zaken is en dat zij destijds een pachtovereenkomst is aangegaan teneinde ook in die stal varkens te houden. Zij heeft haar stellingen dat zij de gepachte stal in F in exploitatie heeft genomen voor eigen rekening en risico en dat zij tevens de dieren verzorgde met nader overgelegde stukken onderbouwd.

5.6 Het College is van oordeel dat, indien het door appellante in dit verband gestelde juist is, sprake zou zijn van één bedrijf met twee locaties, zodat tegen een verplaatsing van varkensrechten uit hoofde van de Whv geen belemmeringen zullen bestaan. Verweerder heeft de betreffende stellingen van appellante echter niet nader onderzocht.

5.7 Dit leidt het College tot de slotsom dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en tevens een voldoende draagkrachtige motivering ontbeert. Het beroep tegen verweerders besluit van 29 november 2006 moet dan ook gegrond worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5.8 Aangezien thans niet kan worden vastgesteld of appellant aanspraak heeft op registratie van de in geding zijnde varkensrechten als door hem gewenst, bestaat geen grond voor inwilliging van zijn verzoek om schadevergoeding met toepassing van artikel 8:73 Awb. Mitsdien zal dit verzoek worden afgewezen.

5.9 Het College ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten, die met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden bepaald op € 966,-, dat wil zeggen één punt voor het indienen van een beroepschrift tegen het besluit van 16 juni 2006, één punt voor het indienen van het (aanvullend) beroepschrift tegen het herziene besluit van 29 november 2006 en één punt voor het verschijnen ter zitting.

Het door appellante betaalde griffierecht dient aan haar te worden vergoed.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep, voor zover het is gericht tegen het besluit van verweerder van 16 juni 2006, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voorzover het is gericht tegen verweerders besluit van 29 november 2006, gegrond en vernietigt dit

besluit;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten aan de zijde van appellante, welke kosten worden vastgesteld op € 966,-

(zegge: negenhonderd zes en zestig euro) onder aanwijzing van de Staat als rechtspersoon die deze kosten aan appellante

moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat het door appellante betaalde griffierecht ad € 281, - (zegge: tweehonderd eenentachtig euro) aan haar

vergoedt.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 december 2007.

w.g. J.L.W. Aerts. w.g. A. Bruining