Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BC2477

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-12-2007
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/121
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 07/121 20 december 2007

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. C.E.B. Haazen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 26 februari 2007, bij het College binnengekomen op 27 februari 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 januari 2007.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 22 augustus 2006, waarbij verweerder de in het kader van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) aan appellante toekomende toeslagrechten heeft vastgesteld.

Bij brief van 23 april 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 5 oktober 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens appellante A en B zijn verschenen en verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover hier van belang:

"Artikel 33

Subsidiabiliteit

1. De landbouwers kunnen gebruik maken van de bedrijfstoeslagregeling indien:

a) zij op grond van ten minste één van de in bijlage VI bedoelde steunregelingen een betaling hebben ontvangen in de in artikel 38 vastgestelde referentieperiode, of, (…)

Artikel 37

Berekening van het referentiebedrag

1. Het referentiebedrag is het gemiddelde over drie jaar van het totaalbedrag aan toeslagen dat aan een landbouwer voor elk kalenderjaar van de in artikel 38 vastgestelde referentieperiode is verleend op grond van de in bijlage VI genoemde steunregelingen, berekend en aangepast overeenkomstig bijlage VII.

(…)

Artikel 38

Referentieperiode

De referentieperiode omvat de kalenderjaren 2000, 2001 en 2002.

Artikel 40

Gevallen van onbillijkheid

1. In afwijking van artikel 37 heeft een landbouwer wiens productie gedurende de referentieperiode nadelig werd beïnvloed door een geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden dat/die zich vóór of gedurende die referentieperiode heeft/hebben voorgedaan, het recht te verzoeken dat het referentiebedrag wordt berekend op basis van het kalenderjaar of de kalenderjaren in de referentieperiode dat/die niet is/ zijn beïnvloed door het geval van overmacht of de uitzonderlijke omstandigheden.

2. Indien de hele referentieperiode door het geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden werd beïnvloed, berekent de lidstaat het referentiebedrag op basis van de periode van 1997 tot en met 1999 of, (…)

3. (…)

4. Overmacht of uitzonderlijke omstandigheden wordt/worden door de bevoegde autoriteit erkend in gevallen zoals bijvoorbeeld:

a) het overlijden van de landbouwer,

b) langdurige arbeidsongeschiktheid van de landbouwer,

c) een ernstige natuurramp die het landbouwareaal van het bedrijf in ernstige mate heeft aangetast,

d) het door een ongeluk tenietgaan van voor veehouderij bestemde gebouwen op het bedrijf,

e) een epizoötie die de gehele veestapel van de landbouwer of een deel ervan heeft getroffen.

(…) "

Verordening (EG) nr. 795/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover hier van belang:

" Artikel 3 bis

Geconstateerde hectaren en dieren

Onverminderd de toepassing van bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 1782/2003, is het voor de vaststelling van het in artikel 37, lid 1, van die verordening bedoelde referentiebedrag in aanmerking te nemen aantal hectaren of dieren waarvoor in de referentieperiode een rechtstreekse betaling is of had moeten worden toegekend, het aantal geconstateerde hectaren of dieren in de zin van artikel 2, onder r) en s), van Verordening (EG) nr. 2419/2001 voor elke van de in bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 vermelde rechtstreekse betalingen. "

Artikel 2, sub r, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen luidt als volgt:

" Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a. (…)

r. "geconstateerde oppervlakte": de oppervlakte waarvoor aan alle steuntoekenningsvoorwaarden in het kader van de betrokken steunregeling is voldaan; "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 14 december 2000 heeft verweerder de aanvraag akkerbouwsteun 2000 van appellante afgewezen omdat perceel 2 niet voldeed aan de definitie akkerland.

- In de beslissing op bezwaar van 31 juli 2002 heeft verweerder voor 8.61 ha alsnog akkerbouwsubsidie verleend, maar niet voor perceel 2.

- Bij uitspraak van 27 juni 2003 (<www.rechtspraak.nl>, LJN AI0110, AWB 02/279) heeft het College dit besluit vernietigd aangezien 0.24 ha van perceel 2 wel voldeed aan de definitie akkerland.

- In de nieuwe beslissing op bezwaar van 8 maart 2004 heeft verweerder ook voor deze 0.24 ha akkerbouwsubsidie verleend, maar niet voor het overige deel van perceel 2.

- Het beroep van appellante tegen dit besluit is door het College in zijn uitspraak van 17 maart 2006 (<www.rechtspraak.nl>, LJN AV6763, AWB 04/312) ongegrond verklaard.

- Appellante heeft met behulp van het formulier "Inventarisatie Bedrijfsgegevens voor toeslagrechten" aan verweerder kenbaar gemaakt dat naar haar mening sommige van de bij verweerder bekende referentiegegevens voor het vaststellen van de toeslagrechten onjuist zijn. Tevens heeft appellante aangegeven dat er in de referentiejaren 2000, 2001 of 2002 sprake was van een overmachtsituatie binnen haar bedrijf in verband met een lopende procedure bij LASER.

- Bij brief van 26 januari 2006 heeft verweerder appellante medegedeeld niet tot aanpassing van de referentiegegevens te zullen overgaan.

- Appellante heeft met behulp van het formulier "Aanvraag toeslagrechten" op 13 maart 2006 toeslagrechten aangevraagd.

- Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft verweerder de aan appellante toekomende toeslagrechten vastgesteld op 69,85 en het bedrag van de bedrijfstoeslag op € 5206,62. Daarbij is verweerder uitgegaan van 8.85 geconstateerde hectaren maïs in 2000, 8.91 in 2001 en 7.82 in 2002.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 24 september 2006 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder, na een op 18 december 2006 gehouden hoorzitting, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

Voor de vaststelling van het referentiebedrag is ingevolge artikel 3 bis van Verordening (EG) nr. 795/2004 het aantal geconstateerde hectaren van belang. Verweerder is voor de vaststelling van het referentiebedrag uitgegaan van 8.85 geconstateerde hectaren maïs in 2000, 8.91 in 2001 en 7.82 in 2002. Niet aangetoond is dat appellante een ander aantal geconstateerde hectaren had in de referentieperiode.

Appellante heeft tijdens de hoorzitting van 18 december 2006 met een beroep op overmacht verzocht om voor haar een alternatieve referentieperiode te laten gelden bij het vaststellen van de bedrijfstoeslag.

Volgens artikel 38 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 omvat de referentieperiode de kalenderjaren 2000, 2001 en 2002. Wanneer de gehele referentieperiode door een geval van overmacht of een uitzonderlijke omstandigheid nadelig werd beïnvloed, kan het referentiebedrag op basis van de periode 1997 tot en met 1999 worden berekend.

Overmacht wordt erkend als de landbouwer voldoet aan de hieraan gestelde voorwaarden. Er moet sprake zijn van een geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden dat/die zich vóór of gedurende die referentieperiode heeft/hebben voorgedaan, waardoor de productie gedurende de referentieperiode nadelig werd beïnvloed. De door appellante gestelde omstandigheid, dat zij in onzekerheid verkeerde tengevolge van nog lopende procedures betreffende de aanvraag oppervlakten 2000, kan niet als overmacht worden aangemerkt. Dit betekent dat de referentiejaren voor de productgroep akkerbouwgewassen niet buiten beschouwing kunnen worden gelaten bij de berekening van de toeslagrechten van appellante.

4. Het standpunt van appellante

Appellante voert ter motivering van haar beroep het volgende aan:

" De reden van ons beroep is dat Laser van mening is dat wij niet in aanmerking komen voor alternatieve referentiejaren t.w. 1997, 1998, en 1999 voor perceel 2. Wij zijn het hier absoluut niet mee eens, temeer omdat wij de aanvragen van de premie op het bewuste perceel 2 op advies van Laser in het verleden altijd onder voorbehoud hebben gedaan.

Zie ook de herziene beslissing op bezwaar van 8 maart 2004 en de gegrondverklaring.

Het zorgvuldigheidsbeginsel is hier ernstig geschaad.

In ons bezwaar en ook tijdens de hoorzitting op 18 december 2006 hebben wij duidelijk aangegeven dat de "traagheid" van de genoemde voorgaande procedure, waar dit beroepschrift weer een gevolg van is, de hoofdzaak is van de gehele affaire.

Ook over dit argument wordt in de besluitvorming van 18 januari 2007 met geen woord gerept.

Ook hier wordt o.i. het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden wegens gebrek aan motivering.

Onze belangen worden hierdoor onevenredig geschaad, en dit alles voortvloeiende uit uitruilingen van percelen via de ruilverkaveling D i.v.m. onze boerderijverplaatsing.

Hoewel niet in de gestelde voorwaarden genoemd, zijn wij van mening dat wij door Laser in een overmachtsituatie zijn gedreven welke niet aan ons verwijtbaar is te noemen.

Het aan ons verplicht gestelde leveren van bewijs hiervoor door Laser is voor ons onverteerbaar en te benoemen als willekeur.

Wij vragen Uw College beleefd het besluit van Laser te willen vernietigen en alle bezwaren en besluitvormingen hierop, welke aan de negatieve gevolgen van de onderhavige besluitvorming bijdragen, als hier herhaald en ingelast te beschouwen en perceel 2 als premiewaardig te beschouwen. "

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt voorop dat, voorzover appellante wenst te bereiken dat perceel 2 over de jaren 2000 tot en met 2002 alsnog als premiewaardig wordt beschouwd, het onderhavige beroep hiertoe niet kan leiden, aangezien ten aanzien van dit perceel in de genoemde uitspraken van het College van 27 juni 2003 en 17 maart 2006 in rechte is komen vast te staan dat slechts 0.24 ha ervan voldoet aan de definitie akkerland.

5.2 Het College stelt vast dat in geschil is tussen partijen of verweerder het beroep van appellante op overmacht en haar verzoek om een alternatieve referentieperiode toe te passen terecht heeft afgewezen.

5.3 Dienaangaande overweegt het College als volgt. Ingevolge de artikelen 37 en 40 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 is het referentiebedrag het gemiddelde over drie jaar van het totaalbedrag aan toeslagen dat een aanvrager heeft ontvangen over de jaren 2000 tot en met 2002. Artikel 40, tweede lid, van deze verordening maakt het echter mogelijk, indien de productie van de aanvrager gedurende de referentieperiode nadelig werd beïnvloed door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden, als alternatieve referentieperiode de jaren 1997 tot en met 1999 te kiezen.

5.4 Het beroep van appellante op overmacht kan naar het oordeel van het College niet slagen.

Appellante betoogt dat er sprake is van overmacht doordat zij gedurende lange tijd in onzekerheid is geweest over de premiewaardigheid van perceel 2 en zij hierdoor dit perceel onder voorbehoud voor akkerbouwsteun heeft opgegeven in de referentieperiode. Indien zij eerder uitsluitsel zou hebben gekregen over de premiewaardigheid van dit perceel, zou zij een ander perceel met maïs hebben beteeld in de referentieperiode.

Het College merkt op dat appellante uiterlijk voor 15 mei 2002 een ander perceel had moeten inzaaien om dit perceel, in plaats van perceel 2, voor akkerbouwsteun in aanmerking te laten komen. Het feit dat de procedure omtrent de akkerbouwsteun 2000 voor perceel 2 tot 17 maart 2006 heeft geduurd is voor de tijd die is verstreken na 15 mei 2002 niet van belang.

5.5 Voorts is het de keuze van appellante geweest om niet reeds na het besluit tot afwijzing van haar aanvraag akkerbouwsubsidie van 14 december 2000 te kiezen voor het inzaaien van een ander perceel in plaats van perceel 2. Reeds toen was het voor appellante duidelijk dat verweerder van mening was dat perceel 2 niet voldeed aan de definitie akkerland en hierdoor niet in aanmerking kwam voor akkerbouwsubsidie. Appellante heeft aldus een te vermijden risico genomen dat voor haar rekening dient te blijven. Het College wijst in dit kader op de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (zie onder meer het arrest van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister GmbH & Co. KG, C-210/00, Jur. I-6453, punt 79) op grond waarvan het begrip overmacht inzake landbouwverordeningen aldus moet worden uitgelegd, dat zich abnormale en onvoorzienbare omstandigheden hebben voorgedaan, die vreemd zijn aan degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden.

5.6 Verweerder heeft het beroep van appellante op overmacht en daarmee tevens haar verzoek om een alternatieve referentieperiode toe te passen derhalve terecht afgewezen

5.7 De conclusie is dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5.8 Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 december 2007.

w.g. W.E. Doolaard w.g. C.M. Leliveld