Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BC2450

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/254
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Elektriciteitswet 1998

Algemene uitvoeringsregeling milieukwaliteit elektriciteitsproductie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 07/254 12 december 2007

18051 Elektriciteitswet 1998

Algemene uitvoeringsregeling milieukwaliteit elektriciteitsproductie

Uitspraak in de zaak van:

Newplant B.V., te De Lier, appellante,

gemachtigde: G. Vermeer, directeur,

tegen

TenneT TSO B.V., te Arnhem, verweerster,

gemachtigde: mr. M.W. Engelen, werkzaam bij EnerQ B.V. te Arnhem.

1. De procedure

Appellante heeft bij ongedateerde brief, bij het College binnengekomen op 20 april 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 8 maart 2007, verzonden 12 maart 2007.

Bij dit besluit heeft verweerster het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 oktober 2006, waarbij appellante met ingang van 11 juli 2006 subsidie krachtens artikel 72m, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 (hierna: de Wet) is verleend, ongegrond verklaard.

Bij brief van 2 juli 2007 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

Op 7 november 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens appellante is verschenen G. Vermeer. Voor verweerster is verschenen mr. M.W. Engelen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet was ten tijde hier van belang onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 72m

1. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet kan ter stimulering van de milieukwaliteit van de elektriciteitsproductiesector op aanvraag een subsidie verstrekken aan:

a. een op een Nederlands net of een Nederlandse installatie aangesloten producent van duurzame elektriciteit of klimaatneutrale elektriciteit;

(…).

Artikel 72n

(…)

3. In de beschikking tot subsidieverlening wordt bepaald dat de voor subsidie in aanmerking komende periode aanvangt op het in de aanvraag aangegeven tijdstip, met dien verstande dat een aanvang voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 72r

1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een formulier, dat wordt vastgesteld bij ministeriële regeling.

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op 11 juli 2006 per telefax bij EnerQ een aanvraagformulier om MEP-subsidie voor een warmtekrachtkoppelingsinstallatie ingediend. De gewenste ingangsdatum is 1 januari 2006.

- Op 13 juli 2006 heeft EnerQ aan appellante bericht dat het aanvraagformulier op 11 juli 2006 is ontvangen.

- Bij ongedateerde brief, door EnerQ ontvangen op 17 juli 2006, heeft appellante aangegeven in de veronderstelling te verkeren dat zij de aanvraag reeds eerder digitaal had verzonden; zij heeft de gegevens tijdig per post naar CertiQ gezonden en heeft toen gedacht dat zij niet per post naar EnerQ moesten worden gezonden.

- Op 26 juli 2006 heeft EnerQ verzocht om toezending van aanvullende informatie.

- Bij besluit van 4 oktober 2006 heeft verweerster per 11 juli 2006 MEP-subsidie toegekend.

- Bij brief van 9 oktober 2006 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Op 16 januari 2007 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Op 6 maart 2007 heeft de Bezwaarschriftencommissie milieukwaliteit van de elektriciteitsproductie (hierna: de commissie) advies uitgebracht.

- Vervolgens heeft verweerster het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Verweerster heeft, onder overneming van het advies van de commissie, het bezwaar ongegrond verklaard. In het advies wordt als volgt overwogen.

De aanvraag is per telefax op 11 juli 2006 ontvangen door EnerQ. Artikel 72n, derde lid, van de Wet bepaalt dat een aanvang van de voor subsidie in aanmerking komende periode voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst van de aanvraag niet mogelijk is. Verweerster is niet bevoegd om met terugwerkende kracht aanvragen te honoreren, behoudens zeer buitengewone, zich hier niet voordoende, omstandigheden. Het ligt op de weg van appellante om, eventueel met hulp van een deskundige, na te gaan aan welke voorschriften zij moet voldoen om subsidie te verkrijgen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft het volgende aangevoerd.

Ten onrechte stelt verweerster zich slechts op het standpunt dat appellante de wet moet kennen of een deskundige moet raadplegen, zonder aandacht te besteden aan het misleidende aspect. De overheid is ook EnerQ en heeft daarmee de verplichting om helder en open naar de burger te communiceren. Zij kan zich niet verschuilen achter de opvatting dat de burger de wet moet kennen, als zij eerst onzorgvuldig en misleidend met de burger over die wet communiceert. Het is misleidend om op de website van CertiQ wel aan te geven dat het formulier moet worden opgestuurd en op de website van EnerQ dit te verbergen aan het einde van het aanvraagformulier, welk alleen bereikt kon worden na volledige en correcte invulling van het aanvraagformulier zonder dat het programma dat dit ondersteunde in de fout ging. EnerQ mag niet enerzijds om nauwkeurige informatie vragen en anderzijds informatie onthouden en de ingang naar informatie lastig maken. De toegang tot de informatie werd bemoeilijkt doordat het aanvraagformulier niet kon worden uitgeprint, de verkeerd gedateerde informatie op de website verwarrend was en door een digitaal aanvraagformulier dat niet naar behoren functioneerde. Hoewel appellante daarnaar had gevraagd, heeft EnerQ op de hoorzitting geen informatie verstrekt over het functioneren van de website, terwijl wel door EnerQ een verkeerde voorstelling van zaken is gegeven op basis van de website die later op orde is gebracht. Uit de website blijkt inderdaad dat het formulier schriftelijk moest worden ingediend, maar ook dat dat vóór 1 april 2005 moest. Die datum was ten tijde van de onderhavige aanvraag ruimschoots overschreden. EnerQ moet worden verzocht om de oude website thans te tonen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In dit geschil gaat het om de vraag of verweerster terecht heeft besloten de MEP-subsidie te laten ingaan op 11 juli 2006, de datum waarop zij per fax appellantes aanvraag ontving. Appellante is van oordeel dat de subsidie per 1 januari 2006, althans een eerdere datum dan 11 juli 2006, zou moeten ingaan, omdat zij reeds eerder elektronisch een aanvraag had ingediend. Als deze aanvraag niettemin niet door verweerster is ontvangen, is dat het gevolg van een misleidende presentatie op verweersters website, waardoor appellante ten onrechte meende de aanvraag correct te hebben verzonden.

5.2 Het College overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 72n, derde lid, van de Wet, vangt de voor subsidie in aanmerking komende periode aan op het in de aanvraag aangegeven tijdstip, met dien verstande dat een aanvang voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst van de aanvraag niet mogelijk is. Daar verweerster de aanvraag heeft ontvangen op 11 juli 2006, brengt deze wetsbepaling mee dat verweerster moest uitgaan van deze datum als aanvangsdatum.

5.3 Het College stelt allereerst vast dat verweerster heeft verklaard van appellante (voor 11 juli 2006) geen elektronische aanvraag te hebben ontvangen. Hetgeen appellante daartegenover heeft gesteld, kan geen bewijs opleveren dat deze aanvraag niettemin is ingediend. Hooguit maakt het begrijpelijk dat appellante gedacht kan hebben, dat wel te hebben gedaan.

5.4 Appellante stelt dat verweerster haar website opzettelijk misleidend zou hebben ingericht. Zij heeft die stelling echter niet met feiten en omstandigheden kunnen staven. Voorzover wel vastgesteld zou moeten worden dat de website ten tijde van belang niet de gewenste gebruikersvriendelijkheid heeft geboden, overweegt het College dat zulks niet de conclusie zou kunnen rechtvaardigen, dat een als gevolg daarvan later dan bedoeld ingediende aanvraag als eerder ontvangen moet worden aangemerkt.

Indien appellante op basis van de in de website neergelegde informatie onjuiste conclusies heeft getrokken, geldt dat dit voor haar risico komt. Bij twijfel had zij zich nader moeten informeren of zich voorzien van de benodigde ondersteuning. Nu zij dat niet heeft gedaan, kan het College slechts vaststellen dat verweerster conform de wettelijke bepalingen op haar aanvrage heeft besloten.

5.5 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. E. van Kerkhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007.

w.g. W.E. Doolaard w.g. E. van Kerkhoven