Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BC1842

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-12-2007
Datum publicatie
15-01-2008
Zaaknummer
AWB 06/703
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet

Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/703 20 december 2007

16099 Meststoffenwet

Uitvoeringsregeling Meststoffenwet

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. A.H. Spriensma, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 20 september 2006, bij het College binnengekomen op 21 september 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 augustus 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant, gericht tegen een besluit tot afwijzing van zijn aanvraag om ontheffing van het uitbreidingsverbod van artikel 20 van de Meststoffenwet, ongegrond verklaard.

Bij brief van 2 november 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend, waarop appellant bij brieven van 18 december 2006 en 1 maart 2007 heeft gereageerd.

Bij brief van 3 april 2007 heeft verweerder een nader standpunt ingediend, waarop appellant bij brief van 5 juni 2007 een reactie heeft gegeven

Bij brief van 28 juni 2007 heeft verweerder een tweede verweerschrift ingediend en op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 8 november 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Meststoffenwet luidde ten tijde en voor zover hier van belang als volgt:

" Artikel 20

Het is verboden op een bedrijf gemiddeld in een kalenderjaar een groter aantal kippen en kalkoenen te houden dan het op het bedrijf rustende pluimveerecht.

Artikel 38

1. Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden verleend van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

2. Onze Minister kan ontheffing verlenen van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

(…)

Artikel 39

1. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het indienen van aanvragen voor (…) ontheffingen (…), die krachtens deze wet kunnen worden verleend (…)"

De Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (hierna: Uitvoeringsregeling) luidde ten tijde en voor zover hier van belang als volgt:

"Artikel 1

1. In deze regeling wordt verstaan onder:

a. wet: Meststoffenwet;

(…)

h. minister: Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

(…)

Hoofdstuk 10. Overgang van een productierecht

(…)

§ 5. Uitbreiding buiten rechten

Artikel 112

1. De minister kan indien naar zijn oordeel is voldaan aan deze paragraaf ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in de artikelen 19 en 20, eerste lid, van de wet.

(…)

Artikel 113

(…)

2. Het totale aantal diereenheden, waarvoor ingevolge deze paragraaf ontheffing kan worden verleend bedraagt ten hoogste 270.270. (…)

Artikel 114

1. Aanvragen voor een ontheffing kunnen (…) vanaf 1 maart 2006 tot en met 30 april 2006 bij de Dienst Regelingen worden ingediend (…)

Artikel 115

1. Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:

a. de omvang van de voorgenomen vergroting van het varkensrecht, onderscheidenlijk het pluimveerecht;

b. de aard en de capaciteit van de installatie waarin de mestverbranding of de mestverwerking plaatsvindt;

c. de wijze waarop de dierlijke meststoffen worden bewerkt of verwerkt en de techniek van de bij de mestverwerking gebruikte systemen;

d. een volledige beschrijving van het mestverwerkingsproces;

e. de hoeveelheid en de aard van de dierlijke meststoffen die zullen worden verbrand of verwerkt;

f. een beschrijving van de eindproducten die bij de mestverbranding of mestverwerking ontstaan;

g. gegevens of bescheiden op grond waarvan is verzekerd dat de producten, bedoeld in onderdeel f, niet worden afgevoerd naar of op of in de bodem worden gebracht op in Nederland gelegen landbouwgrond of natuurterrein; en

h. indien de verbrandings- of verwerkingsinstallatie nog niet operationeel is, gegevens waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat de installatie wordt gerealiseerd vóór 1 mei 2009, onderscheidenlijk 1 november 2007.

(…)

Artikel 116

1. De minister beslist in volgorde van de datum van ontvangst op de volledig ingediende aanvragen.

2. Indien dit noodzakelijk is in verband met het bereiken van de in artikel 113, tweede lid, bedoelde aantallen wordt door middel van loting beslist over de rangschikking van de op één datum ontvangen aanvragen."

In de toelichting op de Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 15 december 2005, nr. TRCJZ/2005/3489, houdende wijziging van de Uitvoeringsregeling (Stcrt. 2005, 254), bij welke wijziging onder meer de artikelen 112 tot en met 116 aan deze regeling zijn toegevoegd, is vermeld:

"De aanvragen worden voor zover zij volledig zijn ingediend en derhalve zijn voorzien van de in artikel 115 voorgeschreven gegevens en bescheiden, in volgorde van ontvangst bij de Dienst Regeling in behandeling genomen."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft bij twee daartoe strekkende formulieren - die op 13 maart 2006 bij verweerder zijn ingekomen - aanvragen gedaan voor ontheffing op grond van artikel 112 Uitvoeringsregeling in verband met pluimveemestverbranding.

- Bij besluit van 16 juni 2006 heeft verweerder appellant meegedeeld dat zijn aanvragen zijn afgewezen. Als reden voor deze afwijzing stelt verweerder dat het totaal aantal ontheffingen het landelijk plafond van 270.270 diereenheden niet mag overschrijden en dat dit plafond reeds op 1 maart 2006 was bereikt, terwijl de aanvraag van appellant op 13 maart 2006 is ontvangen door verweerders Dienst Regelingen.

- Bij brief van 20 juli 2006 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het bezwaar van appellant kennelijk ongegrond verklaard.

Verweerder wijst erop dat het aantal diereenheden waarvoor ontheffing wordt verleend beperkt is tot ten hoogste 270.270 en dat met de op 1 maart 2006 ingediende aanvragen het plafond voor pluimveemestverbranding, waarvoor ook appellant aanvragen heeft ingediend, al was bereikt. Aangezien de aanvraag van appellant op 13 maart 2006 is ontvangen, is deze afgewezen.

4. Het standpunt van appellant

Appellant voert aan dat veel bedrijven die wel een ontheffing hebben gekregen, deze niet of niet volledig zullen benutten. Zijns inziens had verweerder om die reden aanleiding moeten zien een wachtlijst in te stellen voor die bedrijven waarvan de aanvraag op grond van het bereiken van het landelijk plafond is afgewezen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In zijn uitspraak van heden (AWB 07/230) heeft het College geoordeeld dat andere bepalingen dan vormvoorschriften met betrekking tot het indienen van (ontheffings) aanvragen in de Uitvoeringsregeling niet berusten op een wettelijke grondslag in de zin van een op- of overgedragen regelgevende bevoegdheid. Gelet hierop moet de Uitvoeringsregeling in zoverre overeenkomstig artikel 1:3, vierde lid, Awb worden aangemerkt als een samenstel van beleidsregels. Het College acht de toepassing van deze beleidsregels in beginsel aanvaardbaar.

5.2 Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat alle ontheffingsaanvragen bij binnenkomst een aanvraagnummer toegekend hebben gekregen. Voorts is de ontvangstdatum op deze aanvragen vermeld. De indieners van onvolledige aanvragen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om deze aanvragen aan te vullen met de in artikel 115, eerste lid, Uitvoeringsregeling genoemde gegevens.

Op 30 maart 2006 is door mr. J. van der Veen, notaris te Dordrecht, een loting als bedoeld in artikel 116, tweede lid, Uitvoeringsregeling verricht, teneinde de volgorde vast te stellen van de op 1 maart 2006 ontvangen aanvragen. In de akte van loting is vermeld dat de reden van de loting was gelegen in de omstandigheid, dat het plafond, dat wil zeggen het maximum aantal diereenheden waarvoor ontheffing kan worden verleend, met de op die datum ontvangen aanvragen was overschreden. De volgorde waarin de aanvragen met ontvangstdatum 1 maart 2006 in aanmerking zouden komen voor ontheffing, is bepaald door de volgorde van het getrokken lotnummer van het desbetreffende aanvraagnummer. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd meegedeeld dat ook onvolledige aanvragen die op 1 maart 2006 bij hem waren binnengekomen, zijn meegenomen in deze loting. Doordat met de - ten dele onvolledige - aanvragen met ontvangstdatum 1 maart 2006 het plafond voor ontheffingen reeds was bereikt, konden aanvragen die na 1 maart 2006 zijn ontvangen, waaronder de aanvraag van appellant, reeds om die reden niet meer voor toewijzing in aanmerking komen, aldus verweerder.

5.3 In zijn uitspraak van heden (AWB 07/246) heeft het College geoordeeld dat verweerder met het in de loting betrekken van aanvragen die niet voorzien waren van alle in artikel 115, eerste lid, Uitvoeringsregeling genoemde gegevens, op onjuiste wijze uitvoering heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 116, eerste lid, Uitvoeringsregeling. Aangezien de bij het bestreden besluit gehandhaafde afwijzingsgrond voor de ontheffingsaanvragen van appellant mede op deze handelwijze is gebaseerd, heeft verweerder mitsdien ook in dit geval gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 Awb, dat wil dat een besluit zorgvuldig wordt voorbereid.

5.4 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep van appellant gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw op de bezwaren van appellant moeten beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Aangezien voor het sluiten van het onderzoek in deze zaak niet van daarvoor in aanmerking komende kosten is gebleken, ziet het College geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Wel zal verweerder het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,-- moeten vergoeden.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op opnieuw op de bezwaren van appellant te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,-- (zegge: honderdeenenveertig euro) aan hem

wordt vergoed;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die de griffierechten aan appellant dient te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, mr. J.A. Hagen en mr. M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr. A. Douwes als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 december 2007.

w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Douwes