Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BC1809

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-12-2007
Datum publicatie
14-01-2008
Zaaknummer
AWB 06/898
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/898 28 december 2007

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

drs. A RA, kantoorhoudende te B, appellant van de beslissing van 16 oktober 2006 van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht) met kenmerk R 539.

1. De procedure

Bij brief van 16 oktober 2006 heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van de hiervoor vermelde beslissing, gegeven op een klacht van 23 december 2005 van C B.V. te D tegen appellant.

Bij een op 7 december 2006 ontvangen beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 14 december 2006 stukken als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Op 18 september 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, vergezeld van prof. J.H. Blokdijk RA is verschenen.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht, voor zover deze ziet op schending van artikel 5 Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994) ongegrond en voorzover betrekking hebbend op schending van de artikelen 30 en 34 van de GBR-1994, gegrond verklaard en appellant terzake daarvan de maatregel van schriftelijke waarschuwing opgelegd.

Met betrekking tot de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Appellant bestrijdt in de eerste plaats het oordeel van de raad van tucht dat de inhoud van de mailing van 21 december 2005, bezien in samenhang met het door hem bij de raad van tucht ingebrachte verweerschrift, een onjuiste voorstelling van zaken geeft en dat hij hiermee heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 30 GBR-1994.

Deze grief faalt, waartoe het College als volgt overweegt.

Ingevolge voormeld artikel van de GBR-1994 dient een registeraccountant zich te onthouden van promotionele activiteiten die in strijd zijn met de wet, de waarheid of de goede smaak. Gelet op de inhoud van voormelde mailing heeft appellant zich - namens zijn kantoor - jegens potentiële klanten zonder enig voorbehoud verbonden ieder aanbod ter vergoeding van door het kantoor verrichte diensten te accepteren.

De zowel in zijn verweer bij de raad van tucht als in beroep door appellant betrokken stelling dat het hem ondanks de passage in de mailing "Uw bedrijf wordt cliënt van ons kantoor" vrij staat een potentiële cliënt te weigeren, kan daar niet aan afdoen.

Indien en voorzover appellant met die stelling betoogt dat hij kan weigeren iemand als cliënt te aanvaarden indien deze niet bereid zou zijn een redelijke vergoeding voor de diensten van appellant te betalen, is deze stelling niet in overeenstemming met de tekst van de mailing. Die tekst gaat er immers vanuit dat een cliënt pas na afloop van het jaar waarin door het kantoor van appellant diensten zijn verleend, bepaalt hoeveel die dienstverlening hem waard is geweest. Ook het in de mailing geuite vertrouwen dat een cliënt een passende beloning zal betalen, kan er niet aan afdoen dat het kantoor van appellant naar de letter van die mailing gehouden is ieder vergoedingsaanbod van een cliënt te accepteren.

Aangezien appellant zich zowel in zijn verweer bij de raad van tucht als in beroep op het standpunt stelt dat deze passage niet letterlijk kan en moet worden genomen, heeft de raad van tucht in de bestreden tuchtbeslissing terecht geoordeeld dat appellant met het hier aan de orde zijnde onderdeel van de mailing van 21 december 2005 een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven en daarmee heeft gehandeld in strijd met artikel 30 GBR-1994. De omstandigheid dat het, zoals appellant in zijn beroepschrift stelt, in reclame-uitingen gebruikelijk is de zaken wat "minder precies" te formuleren, kan hier niet aan afdoen.

3.2 Ook de grief tegen het oordeel van de raad van tucht dat appellant artikel 34 GBR-1994 heeft overtreden, faalt.

Door in de mailing van 21 december 2005 uitdrukkelijk de beslissing omtrent het honorarium voor door (het kantoor van) appellant verrichte diensten in handen te leggen van de klant, heeft hij zich immers de mogelijkheid ontnomen dat honorarium zelf met inachtneming van de aard en omvang van de verrichte werkzaamheden vast te stellen.

Dat in de praktijk sprake is van een zekere marktwerking met betrekking tot accountantstarieven en dat zich niemand naar aanleiding van de mailing als klant bij appellant heeft gemeld, neemt niet weg dat sprake is van een aanbod van appellant waardoor naleving van het bepaalde in artikel 34 GBR-1994 niet is gegarandeerd.

3.3 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep moet worden verworpen.

3.4 Na te melden beslissing op het beroep berust op titel II van de Wet RA en de artikelen 30 en 34 GBR 1994.

4. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. M.A. van der Ham en mr. M.A. Fierstra in tegenwoordigheid van mr. A. Venekamp, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 december 2007.

w.g. C.M. Wolters w.g. A. Venekamp

R a a d van T u c h t

voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten

te Amsterdam

BESLISSING van 16 oktober 2006 in de zaak met nummer R 539 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

C B.V.,

gevestigd te D,

K L A A G S T E R,

t e g e n

DRS. A,

registeraccountant

kantoorhoudende te B,

B E T R O K K E N E.

1. Het verloop van de procedure

1.1 De Raad heeft kennisgenomen van de in deze zaak gewisselde en aan partijen bekende stukken, waaronder:

(a) het klaagschrift van 23 december 2005, met bijlage;

(b) het verweerschrift van 17 januari 2006.

1.2 De Raad van Tucht heeft de klacht behandeld ter openbare zitting van 25 april 2006, waar aan de zijde van klaagster niemand aanwezig was en aan de zijde van betrokkene: betrokkene drs. A RA in persoon, tot bijstand vergezeld van prof. J.H. Blokdijk RA.

1.3 Betrokkene heeft bij gelegenheid van voormelde zitting zijn standpunt toegelicht en doen toelichten aan de hand van aan de Raad van Tucht overgelegde pleitnotities en geantwoord op vragen van de Raad van Tucht.

1.4 De inhoud van de gedingstukken, waaronder ook voormelde pleitnotities, geldt als hier ingevoegd.

2. De vaststaande feiten

2.1 Betrokkene, die als registeraccountant werkzaam is bij E Accountants & Belastingadviseurs, heeft een mailing doen verspreiden onder leden van de businessclub van F G.

2.2 De inhoud van deze mailing luidt - onder meer - als volgt.

Betreft Een uniek aanbod !!!

Geacht mede businessclublid, beste F-supporter,

E Accountants & Belastingadviseurs is sinds twee jaar lid van de businessclub van F G. Wij hebben genoten van de promotie van F G, maar vinden het ook het moment om onszelf eens te promoten. Vanuit het geloof in ons eigen kunnen en onze eigen kwaliteit doen wij u het volgende voorstel:

Uw bedrijf wordt cliënt van ons kantoor. Wij praten niet over uurtarieven en de hoogte van•onze declaratie maar wel over de diensten die u van ons mag verwachten. U mag zelf na afloop van het jaar vaststellen hoeveel onze dienstverlening u waard is geweest over dat betreffende jaar. Vervolgens vermeerdert u dat bedrag met 19% BTW en maakt dat over naar onze bankrekening.

U zult zich vast afvragen waarom wij een dergelijk voorstel doen. Zoals reeds aangegeven, wij geloven in eigen kunnen en onze kwaliteit. Wij hebben er het volste vertrouwen in dat u dat met ons eens zult zijn en ons een passende beloning voor onze werkzaamheden zult toekennen. En natuurlijk vinden wij het leuk om de zaken eens wat anders vorm te geven dan de rest van Nederland. F G is immers een unieke voetbalclub en daar hoort volgens ons een uniek aanbod bij.

Als ons aanbod u aanspreekt, kijkt u dan even op het bijgevoegde visitekaartje voor het telefoonnummer en bel mij om een afspraak te maken.

Met vriendelijke groeten

(handtekening)

A,

Supporter F G en registeraccountant.

3. De klacht

De klacht houdt in dat betrokkene met bedoelde mailing de artikelen 5, 30 en 34 van de Gedrags- en Beroepsregels Registeraccountants 1994 (GBR-1994) heeft overtreden

4. De gronden van de beslissing

4.1 Omtrent de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Raad als volgt.

4.2 Door betrokkene is in zijn verweerschrift omtrent de mailing - onder meer - naar voren gebracht:

Deze is gericht aan de (mede-)leden van de businessclub, zijnde zakenlieden. Dezen zullen ongetwijfeld begrijpen dat wij niet bereid zijn onze diensten te verrichten tegen een minuscuul honorarium en dat de beslissing om de relatie aan te gaan pas wordt genomen op basis van serieuze overwegingen aan beide zijden. (......)

Mocht na afloop van het eerste jaar blijken dat de cliënt bereid is een prijs te betalen die niet beduidend lager is dan wat wij normaal gesproken in rekening brengen, zijn wij in beginsel bereid de opdracht te continueren. Een "verlies" over het eerste jaar van een opdracht achten wij normaal. (.......)

Mocht echter blijken dat de cliënt ook na het eerste jaar niet bereid is de dienstverlening adequaat te honoreren, dan beëindigen wij de relatie wegens de bedreiging van onze onafhankelijkheid.

4.3 De hiervoor in 4.2 vermelde passages uit het verweerschrift van betrokkene maakt dat de passage uit de mailing:

Uw bedrijf wordt cliënt van ons kantoor. Wij praten niet over uurtarieven en de hoogte van•onze declaratie maar wel over de diensten die u van ons mag verwachten. U mag zelf na afloop van het jaar vaststellen hoeveel onze dienstverlening u waard is geweest over dat betreffende jaar,

een onjuiste voorstelling van zaken geeft.

4.4 Betrokkene heeft immers in de eerste hiervoor in 4.2 aangehaalde passage uit zijn verweerschrift gesteld niet bereid te zijn diensten te verrichten tegen elk honorarium en de beslissing een relatie aan te gaan eerst te zullen nemen "op basis van serieuze overwegingen aan beide zijden". Bovendien wordt in de hiervoor in 4.3 aangehaalde passage noch elders in de mailing uitdrukkelijk uiteengezet en wordt noch anderszins duidelijk dat het aanbod slechts het eerste jaar betreft, zoals wel moet worden opgemaakt uit de tweede en derde hiervoor in 4.2 aangehaalde passages uit het verweerschrift.

4.5 De klacht, voorzover deze ziet op overtreding van artikel 30 van de GBR-1994, dient mitsdien gegrond te worden verklaard.

4.6 Het door betrokkene gestelde in zijn mailing als hiervoor in 4.3 aangehaald is voorts - en zonneklaar - in strijd met artikel 34 van de GBR-1994. Dit voorschrift houdt immers in dat de registeraccountant in de uitoefening van zijn beroep zijn honorarium dient vast te stellen met inachtneming van aard en omvang der verrichte werkzaamheden.

4.7 De klacht, voorzover deze ziet op overtreding van artikel 34 van de GBR-1994, dient mitsdien eveneens gegrond te worden verklaard.

4.8 Aangezien het eerste lid van artikel 30 van de GBR-1994 mede ziet op reclamemaken in strijd met de eer van de stand der registeraccountants, mist de klacht zelfstandige betekenis voorzover deze betrekking heeft op overtreding van artikel 5 van de GBR-1994.

4.9 Hetgeen is overwogen in aanmerking nemende, alsmede de aard en de ernst van de schending van de artikel 30 en 34 van de GBR-1994, acht de Raad van Tucht oplegging van de maatregel van een schriftelijke waarschuwing passend en geboden.

4.10 Al het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

5. De beslissing

De Raad van Tucht:

verklaart de klacht, voorzover deze ziet op schending van artikel 5 van de GBR-1994, ongegrond;

verklaart de klacht, voorzover deze ziet op schending van de artikelen 30 en 34 van de GBR-1994, gegrond;

legt terzake aan betrokkene op de maatregel van schriftelijke waarschuwing.

Aldus beslist door mr. J.H.M. Willems, voorzitter, drs. E.J.F.A. de Haas RA en mr. A.J. Coster RA, leden, in aanwezigheid van W. Welmers, adjunct-secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van de Raad van Tucht van 16 oktober 2006.

coll.:

_________ __________

secretaris voorzitter