Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BC1613

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
10-01-2008
Zaaknummer
AWB 05/848
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 05/848 19 december 2007

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij LTO Noord Advies te Drachten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. L.C. Commandeur, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 22 november 2005, bij het College op dezelfde dag per fax binnengekomen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 11 november 2005.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 17 januari 2005, waarbij verweerder het bedrag waarop appellant ingevolge zijn aanvraag akkerbouwsteun 2004 aanspraak kan maken op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling) heeft verrekend met de hem bij het besluit op zijn aanvraag akkerbouwsteun 2003 opgelegde uitsluiting ad € 1800,19.

Bij brief van 25 januari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Bij brief van 1 februari 2006 heeft hij de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij griffiersbrief van 5 juli 2006 heeft het College appellant verzocht een door hem in zijn beroepschrift genoemd stuk alsnog over te leggen. Bij brief van 13 juli 2006 heeft appellant het gevraagde stuk toegezonden.

Op 26 september 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunt hebben toegelicht bij monde van hun gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Verweerder heeft de aanvraag akkerbouwsteun 2003 van appellant op grond van de Regeling afgewezen bij besluit van 15 januari 2004. Bij dit besluit heeft hij appellant tevens, op grond van artikel 51, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 2419/2001, een uitsluiting opgelegd van € 1804,19, te verrekenen met het bedrag waarop appellant in de drie daaropvolgende kalenderjaren aanspraak kan maken.

- Een tegen dit besluit gemaakt bezwaar heeft verweerder bij besluit van 4 mei 2004 ongegrond verklaard.

- Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld bij het College. Het onder zaaknummer 04/500 behandelde beroep heeft het College bij uitspraak van 30 november 2005 gegrond verklaard. Daarbij is verweerder opgedragen om opnieuw op het bezwaar te beslissen.

- Bij besluit van 8 februari 2006 heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Daartegen heeft appellant beroep ingesteld bij het College. Het beroep is door het College behandeld onder zaak nummer 06/253. Bij uitspraak van heden heeft het College in die zaak het beroep ongegrond verklaard.

- Bij besluit van 17 januari 2005 heeft verweerder het bij zijn besluit op de aanvraag akkerbouwsteun 2003 opgelegde uitsluitingsbedrag verrekend met het aan appellant op zijn aanvraag akkerbouwsteun 2004 toegekende steunbedrag ad

€ 1565,16.

- Tegen deze verrekening heeft appellant bij brief van 10 februari 2005 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen de verrekening van het uitsluitingsbedrag uit het besluit op zijn steunaanvraag over 2003 niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

Appellant bestrijdt met zijn bezwaar de beslissing die ten grondslag ligt aan de oplegging van het uitsluitingsbedrag. Tegen dat besluit, zijnde het besluit op de aanvraag 2003, heeft hij bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld bij het College.

Naar aanleiding van de verrekening van het uitsluitingsbedrag kunnen appellants bezwaren zich richten tegen de berekening van het bedrag en de voorwaarden, die daaraan ingevolge de verordening gesteld zijn. Appellant vecht de verrekening echter aan omdat hij het niet eens is met het feit dat hem een uitsluiting is opgelegd. Daaromtrent heeft hij echter reeds een beroep bij het College lopen.

Gelet hierop is zijn bezwaar niet-ontvankelijk, nu het niet is gericht tegen de verrekening, maar tegen de besluitvorming op de aanvraag 2003.

Verweerder heeft hieraan toegevoegd dat beroep bij het College ingevolge artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen opschortende werking heeft.

4. Het standpunt van appellant

Appellant meent dat hem naar aanleiding van zijn aanvraag 2003 ten onrechte een uitsluiting is opgelegd. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de tegen de uitsluiting gerichte bezwaargronden niet zouden kunnen slagen. Onder die omstandigheden kan hij niet tot verrekening over gaan.

Verder stelt hij dat verweerder niet altijd direct tot verrekening overgaat. In dat verband verwijst hij naar een door hem overgelegd besluit van verweerder van 18 oktober 2005 met kenmerk 05.3.0364 op een bezwaarschrift in een andere akkerbouwsteunzaak, waarbij verweerder een andere handelwijze volgde.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt allereerst vast dat de brief van 17 februari 2005 waarbij het over 2003 opgelegde uitsluitingsbedrag wordt verrekend met het te ontvangen bedrag over 2004, een publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt. Daarmee is het een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

Het College is van oordeel dat het bezwaar van appellant tegen dit besluit ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De aard en inhoud van de bezwaargronden is niet bepalend voor de ontvankelijkheid van een bezwaar.

Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Het College ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het bezwaar ongegrond te verklaren. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

5.2 Voorzover appellant van opvatting is dat verweerder niet tot verrekening van het door hem nu op € 1800,19 gestelde uitsluitingsbedrag heeft mogen overgaan, omdat het besluit tot oplegging van het uitsluitingsbedrag door appellant was aangevochten, deelt het College deze opvatting niet. Aan het aanwenden van een rechtsmiddel tegen dit besluit komt immers geen schorsende werking toe.

Overigens is het beroep van appellant, gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit waarbij het uitsluitingsbedrag is opgelegd, bij uitspraak van heden (Awb 06/253) ongegrond verklaard.

5.3 Het College heeft het beroep dat appellant doet op de beslissing van verweerder op een bezwaar in een andere akkerbouwsteunzaak opgevat als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Dit beroep kan niet slagen.

In die zaak ging het immers, anders dan hier, om een gegrondverklaring van een bezwaar tegen verrekening van een eerder opgelegd uitsluitingsbedrag, nadat het bezwaar tegen het besluit waarbij het uitsluitingsbedrag werd opgelegd, gegrond was bevonden.

5.4 Op grond van artikel 8:75 Awb zal het College verweerder veroordelen in de kosten die appellant in verband met deze procedure heeft moeten maken. Deze worden bepaald op € 322.- - (1 punt voor het opstellen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting; wegingsfactor 0,5 in verband met een lichte zaak).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de kosten die appellant in verband met het beroep heeft moeten maken, tot een bedrag van

€ 322,- -(zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die

deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,-- (zegge:

honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. E.J.M. Heijs en mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 december 2007.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas