Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BC1434

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-12-2007
Datum publicatie
08-01-2008
Zaaknummer
AWB 06/600
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Warenwet

Wetsverwijzingen
Warenwet
Warenwet 32a
Warenwet 32b
Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2008/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/600 18 december 2007

17000 Warenwet

Uitspraak op het hoger beroep van:

Bakkerij A B.V., te X, appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 15 juni 2006 met registratienummer BC 05/4580-HAMI. in het geding tussen

appellante,

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Gemachtigde van appellante: mr. G.B.M. Zuidgeest, advocaat te Alphen aan den Rijn.

Gemachtigde van de minister: drs. E. ten Houten, werkzaam bij de Voedsel en Warenautoriteit (VWA).

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 26 juli 2006, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank te Rotterdam, hierna: de rechtbank.

Bij brief van 25 september 2006 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend. Bij brief van 29 september 2006 heeft appellante de gronden beperkt.

Bij brief van 3 november 2006 heeft de minister een reactie op het beroepschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 6 september 2007. Daarbij zijn verschenen de gemachtigden van appellante en de minister alsmede, voor appellante, B (verder: B), directeur van appellante en mr. C.J.J. Havermans, werkzaam bij de Nederlandse Brood- en Banketbakkers Ondernemers Vereniging te Gouda.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Warenwet is, voor zover hier van belang het volgende bepaald:

" Artikel 32a

1. Ter zake van de in de bijlage omschreven overtredingen kan Onze Minister een boete opleggen aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan welke de overtreding kan worden toegerekend.

2. De hoogte van de boete wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage, met dien verstande dat de wegens een afzonderlijke overtreding te betalen geldsom ten hoogste € 4500 bedraagt.

3. Onze Minister kan de boete lager stellen dan in de bijlage is bepaald, indien het bedrag van de boete in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden onevenredig hoog moet worden geacht.

(…)

Artikel 32b

1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt een bijlage vastgesteld, die bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen boete bepaalt."

De algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 32b van de Warenwet is het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten.

In het Warenwetbesluit bereiding en behandeling van levensmiddelen, verder ook: het Warenwetbesluit bereiding, is voor zover van belang het volgende bepaald:

" Artikel 2

1. Het is verboden eet- en drinkwaren te bereiden, te behandelen, te verpakken, te bewaren of te vervoeren, anders dan met inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften.

Artikel 15

1. Eet- of drinkwaren of grondstoffen, welke gekoeld moeten worden bewaard teneinde microbiologisch bederf of de uitgroei van pathogene bacteriën tegen te gaan, moeten:

(….)

b. voor zover door de bereider geen bijzondere bewaartemperatuur op de voorverpakking is vermeld of de waar niet is voorverpakt, zodanig worden vervoerd of in voorraad worden gehouden dat de temperatuur van de waar ten hoogste 7°C bedraagt;”

In de op het Warenwetbesluit bereiding gebaseerde Warenwetregeling Hygiëne van levensmiddelen (verder ook: WHL), was, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“Artikel 30

(…)

3. Door de exploitant van een levensmiddelenbedrijf worden (…) passende veiligheidsprocedures vastgesteld, toegepast, gehandhaafd en herzien, teneinde de veiligheid van de eet- en drinkwaren die in dat bedrijf worden bereid, verwerkt, behandeld, verpakt, vervoerd, gedistribueerd of verhandeld te waarborgen.

(…)

Artikel 31

1. Vertegenwoordigers van daarvoor in aanmerking komende sectoren van de levensmiddelenindustrie kunnen hygiënecodes opstellen waarin beschreven is op welke wijze bepaalde eet- of drinkwaren op zodanig hygiënische wijze bereid, verwerkt, behandeld, verpakt, vervoerd, gedistribueerd of verhandeld kunnen worden dat ter zake voldaan kan worden aan:

(…)

c. artikel 14 tot en met artikel 30;

(…)

van deze regeling.

(…)

4. De exploitant van een levensmiddelenbedrijf wordt bij controle door een met het toezicht op de naleving van deze regeling belaste ambtenaar, vóóraf door die ambtenaar in de gelegenheid gesteld te kennen te geven of door dat bedrijf gebruik wordt gemaakt van de voor zijn sector van de levensmiddelenindustrie vastgestelde en goedgekeurde hygiënecode, bedoeld in het derde lid.

5. De exploitant van een levensmiddelenbedrijf dat gebruik maakt van de hygiënecode, bedoeld in het vierde lid:

a. voldoet aan de desbetreffende bepaling(en) in het eerste lid indien hij handelt volgens de voorschriften in die hygiënecode die daarop betrekking hebben;

b. voldoet niet aan de desbetreffende bepaling(en) in het eerste lid indien hij niet handelt volgens de voorschriften in die hygiënecode die daarop betrekking hebben.”

Voor de Brood- en Banketbakkerij is een hygiënecode vastgesteld. Deze code verplicht de ondernemer - onder meer - tot aantoonbare beheersing van de temperatuur van koel- en vriescellen en van gekoelde tanks die buiten vriescellen zijn geplaatst. Voor de bewaarcellen is daarin voorgeschreven dat minimaal eenmaal per week een meting moet worden gedaan met een digitale thermometer met voeler. De uitslagen moeten worden geregistreerd.

Per 1 januari 2006 is de WHL in verband met invoering van diverse communautaire regelingen inzake levensmiddelenhygiëne vervangen door het Warenwetbesluit hygiëne van levensmiddelen. Ingevolge artikel 5 van dit Warenwetbesluit kan niet naleving van de hygiënecode in verbinding met dit Warenwetbesluit op gelijke wijze worden beboet.

Het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten (hierna ook: Boetebesluit) luidt als volgt:

"Artikel 1

Als bijlage bedoeld in artikel 32b, eerste lid, van de Warenwet wordt vastgesteld de bij dit besluit behorende bijlage.

Artikel 2

Voor elke in de bijlage omschreven overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens de Warenwet, bepaalt het in de kolommen I en II opgenomen bedrag de te betalen boete.

Artikel 3

1. Het in kolom I van de bijlage genoemde bedrag van de boete wordt opgelegd aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon welke op de dag waarop de overtreding is begaan 50 of minder werknemers telde.

2. Het in kolom II van de bijlage genoemde bedrag van de boete wordt opgelegd aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon welke op de dag waarop de overtreding is begaan meer dan 50 werknemers telde. (…)”

Uit de bijlage bij het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten blijkt dat voor overtreding van artikel 2, lid 1, in verbinding met artikel 15, lid 1, van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen, een boete kan worden opgelegd van € 450, - aan een onderneming met minder dan 50 werknemers en een boete van € 900, aan een onderneming met meer dan 50 werknemers. Voorts kunnen boetes van €450,- resp. € 900, - worden opgelegd in verband met overtreding van artikel 2, lid 1, van het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen in verbinding met artikel 30, lid 3, van de Warenwetregeling Hygiëne van levensmiddelen.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 6 april 2004 heeft een ambtenaar van de VWA een inspectiebezoek gebracht aan de vestiging C te Y van appellante.

- Daar is door de betreffende controleambtenaar - onder meer - geconstateerd dat in de opslagplaats en de winkel doosjes met bestrijdingsmiddel stonden zonder dat daar een plattegrond met de aangegeven locatie aanwezig was.

- Bij brief van 21 april 2004 is aan appellante terzake een schriftelijke waarschuwing gegeven.

- Op 9 september 2004 vond inspectie plaats van de vestiging van appellante aan de D te Y. Geconstateerd is dat verschillende soorten gebak en andere levensmiddelen meer dan 4°C boven de op grond van artikel 15 van het Warenwetbesluit bereiding toegestane temperatuur van 7°C werden bewaard. Voorts, dat op registratielijsten van de wekelijkse metingen in koel- en vriescellen de registratie van de metingen in de weken 35 en 36 van 2004 (23 augustus 2004 tot en met 5 september 2004) ontbraken, dat op de registratielijst vermelding van de open koeltoonbank ontbrak en dat de temperatuur in de saladière op 8 september 2004 niet was geregistreerd.

- Op 22 september 2004 vond opnieuw een inspectie plaats in dezelfde bedrijfsruimten. Wederom werd een overschrijding geconstateerd van de toegestane temperaturen van diverse levensmiddelen. Voorts werd geconstateerd dat op de registratielijst vermelding van de open koeltoonbank ontbrak.

- Op 14 oktober 2004 is B verhoord en geconfronteerd met deze bevindingen. Van het verhoor zijn op 8 en op 9 november 2004 processen-verbaal opgemaakt.

- De processen-verbaal naar aanleiding van de inspecties op 9 en 22 september 2004 zijn gedateerd op respectievelijk 8 en 16 november 2004. Daarin is vermeld dat de controleambtenaar de in het bedrijf aanwezige perso(o)n(en) gevraagd heeft naar de toepassing van de hygiënecode bij de bereiding en behandeling van eetwaren binnen het bedrijf. Op grond van zijn bevindingen heeft de controleambtenaar geconcludeerd dat appellante op beide data zowel de temperatuurvoorschriften voortvloeiend uit artikel 15, eerste lid, van het Warenwetbesluit bereiding had overtreden, alsook, dat zij op het punt van de aan de bewaartemperatuur gestelde registratie-eisen de voedselveiligheidsprocedures uit de hygiënecode onvoldoende naleefde.

- Op 7 december 2004 heeft de minister zijn voornemen tot het opleggen van een boete aan appellante meegedeeld ter zake van de op de beide inspectiedata vastgestelde overtredingen van zowel artikel 2, eerste lid, jo. artikel 15, eerste lid, Warenwetbesluit bereiding en van overtreding van hetzelfde artikel, in verbinding met artikel 30, lid 3, WHL.

- Bij twee afzonderlijke boetebesluiten van 7 januari 2005 met respectievelijk de nummers 20040828 en 200408029 heeft de minister vervolgens aan appellante voor deze overtredingen telkens twee boetes van € 900, - per overtreding opgelegd. De totale boete was daarmee vastgesteld op een bedrag van € 3.600, -. Aan appellante is in deze besluiten tevens meegedeeld dat bij de vaststelling van de hoogte van de boete rekening is gehouden met het feit dat de onderneming op de dag van de overtreding meer dan vijftig werknemers had.

- Appellante heeft tegen beide boetebesluiten bezwaar gemaakt.

- Nadat appellante op 8 juni 2005 gehoord was door de VWS-commissie bezwaarschriften Awb, heeft de minister bij besluit van 19 augustus 2005 overeenkomstig de door de commissie uitgebrachte adviezen, deze beide bezwaarschriften ongegrond verklaard.

- Tegen de beslissing op bezwaar heeft appellante bij brief van 29 september 2005 beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam

- De rechtbank heeft hierop bij uitspraak van 14 juni 2006 beslist.

3. De uitspraak van de rechtbank

In haar uitspraak heeft de rechtbank - onder meer - het volgende overwogen:

“De op 9 september 2004 en 22 september 2004 geconstateerde overtredingen zijn door eiseres dan wel onder haar verantwoordelijkheid begaan, zodat deze overtredingen aan eiseres toegerekend dienen te worden.

(…)

Ingevolge verweerders beleid is sprake van een ernstige overtreding van artikel 15 van het Warenwetbesluit bereiding en behandeling indien de maximaal toegestane bewaartemperatuur met 4 graden Celsius of meer is overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een onredelijk beleid. Gelet op de (…) bevindingen bij de inspectie is terecht geconcludeerd dat sprake was van een ernstige overtreding van artikel 15 van het Warenwetbesluit bereiding en behandeling.

Bij overtreding van voorschriften die zien op het voedselveiligheidsplan – anders dan dat er in het geheel niet met een voedselveiligheidsplan wordt gewerkt – voert verweerder het beleid om de overtreder bij een eerste overtreding een waarschuwing te geven. Uit het beleid volgt tevens dat sprake is van een herhaalde overtreding indien tijdens een (her-)inspectie opnieuw wordt vastgesteld dat eenzelfde of soortgelijke overtreding is gepleegd als waarvoor tegen de onderneming in de daaraan voorafgaande periode van twee jaar, reeds een maatregel is genomen. Dit beleid is naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk.

Door eiseres is niet betwist dat naar aanleiding van de inspecties op 6 april 2004 door de controleambtenaar een waarschuwing is gegeven terzake van een overtreding van het voedselveiligheidsplan. Eiseres heeft voorts de constateringen van de controleambtenaar bij de inspectie op 6 april 2004 niet betwist. Niet gebleken is dat de controleambtenaar bij het opmaken van zijn boeterapport van onjuiste bevindingen is uitgegaan.

Verweerder heeft erkend dat hij als uitgangspunt hanteert dat vestigingen (zo veel mogelijk) eenmaal per jaar worden bezocht. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een kennelijk onredelijk uitgangspunt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat het aantal of de frequentie van de aan vestigingen van eiseres gebrachte inspectiebezoeken, meebrengt dat verweerder gehouden was af te zien van boeteoplegging. Niet gebleken is dat bij andere, vergelijkbare bedrijven minder inspectiebezoeken worden afgelegd, in welke mate dit verschil zich zou voordoen en evenmin dat de oorzaak van dat verschil - in betekenende mate - is gelegen in verweerders uitgangspunt vestigingen eenmaal per jaar te bezoeken. Immers ligt het in de rede dat – naast dit uitgangspunt – ook andere factoren de inspectiefrequentie beínvloeden, zoals het aantal bij eerdere bezoeken geconstateerde overtredingen en andere bevindingen.

(…)

In aanmerking genomen genomen het zwaarwegende belang dat is gediend met normhandhaving en gelet op de omstandigheid dat sprake is van ernstige dan wel herhaalde overtredingen, kan niet worden gezegd dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van zijn bevoegdheid tot oplegging van een boete gebruik te maken. (….)

Eiseres heeft subsidiair het standpunt ingenomen dat de boete dient te worden gematigd.

(….) De omstandigheid dat eiseres terzake van overtredingen begaan in relatief kleine vestigingen wordt beboet naar de boetehoogte vastgesteld voor een grote onderneming is inherent aan het Boetebesluit. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat de tekst noch de strekking van de Warenwet en het Boetebesluit meebrengen dat de draagkracht van de beboete (rechts)persoon moet worden afgemeten naar de omvang van de vestiging waarin de overtreding heeft plaatsgevonden. Eiseres kan voor de vaststelling van de boetehoogte niet op één lijn worden gesteld met kleine (zelfstandige) ondernemingen. De omstandigheid dat eiseres als grote onderneming met veel vestigingen een grotere kans heeft dat overtredingen worden geconstateerd dan grote ondernemingen die minder vestigingen kennen, is een uitvloeisel van verweerders beleid vestigingen eenmaal per jaar te controleren. Hiervoor is reeds geconcludeerd dat dit uitgangspunt niet kennelijk onredelijk is. De omstandigheid dat zulks - in geval van constatering van overtredingen - leidt tot veelvuldiger opleggen van boetes aan eiseres dan aan grote ondernemingen zonder veel vestigingen, acht de rechtbank evenmin in strijd met de hiervoor vermelde regelgeving.

(…)

Niet is gebleken van zeer bijzondere en zwaarwegende omstandigheden op grond waarvan matiging van de boete is geboden. De rechtbank acht de boete niet onevenredig hoog.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar op goede gronden ongegrond heeft verklaard. Het bestreden besluit houdt dan ook in rechte stand, zodat het daartegen gerichte beroep ongegrond is.”

4. Het standpunt van appellante in hoger beroep

Appellante heeft aangevoerd dat had moeten worden volstaan met een waarschuwing, in ieder geval voor wat betreft de overtreding van artikel 2, eerste lid, Warenwetbesluit bereiding, juncto artikel 30, derde lid, WHL. Een overtreding van het voedselveiligheidsplan wordt immers ingevolge het beleid van de VWA als licht noch ernstig beschouwd, en wordt met een waarschuwing afgedaan, tenzij binnen een tijdvak van twee jaar een waarschuwing is gegeven naar aanleiding van dezelfde of een soortgelijke overtreding. De overtreding waarvoor appellante op 21 april 2004 is gewaarschuwd, kan in redelijkheid niet worden beschouwd als een soortgelijke overtreding in de zin van voormeld beleid. De waarschuwing had betrekking op overtreding in een andere vestiging dan die waarin de overtreding is vastgesteld waarvoor zij is beboet. De waarschuwing had bovendien betrekking op ongediertebestrijding, en de hier aan de orde zijnde overtreding op het niet bijhouden van temperatuurlijsten. Wanneer een verband tussen deze beide overtredingen wordt gelegd gaat het “lerend effect” van de waarschuwing verloren en schiet het beleid zijn doel voorbij.

Subsidiair stelt appellante zich op het standpunt dat de hoogte van de boete had moeten worden gematigd wegens bijzondere omstandigheden. Zij acht de opgelegde boeten onevenredig hoog. Als onderneming met meer kleine nevenvestigingen wordt zij zwaarder gestraft dan een grote onderneming zonder nevenvestigingen. Zo wordt geen rekening gehouden met haar structuur. Haar vestigingen worden ieder jaarlijks éénmaal geïnspecteerd, maar wanneer daarbij overtredingen worden geconstateerd, wordt de hoogte van de boete bepaald door de omvang van de hele onderneming.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ten aanzien van het boetebesluit met nummer 200408028 - ter zake van op 9 september 2004 geconstateerde overtredingen - overweegt het College als volgt.

5.1.1 Op grond van de bevindingen van de controleambtenaar van de VWA is naar het oordeel van het College terecht vastgesteld dat appellante artikel art. 2, eerste lid, in verbinding met art. 15, eerste lid, van het Warenwetbesluit bereiding, heeft overtreden. Ook staat overtreding door appellante van voormeld artikel 2, eerste lid, in verbinding met artikel 30, derde lid, WHL, vast. Appellante heeft de oplegging van de boete terzake van overtreding van de temperatuurvoorschriften op zichzelf niet bestreden. Niet in geschil is dat de minister overeenkomstig zijn beleid heeft beslist door voor deze als ernstig aangemerkte overtreding een boete op te leggen in plaats van met een waarschuwing te volstaan. Ook de overtreding van de eisen betreffende het bijhouden van de temperatuurlijsten bestrijdt appellante niet. Dienaangaande heeft zij zich echter op het standpunt gesteld dat had moeten worden volstaan met een waarschuwing. Ter zake hiervan overweegt het College als volgt.

5.1.2 Ingevolge het beleid van de minister wordt voor overtredingen die als gering, noch ernstig worden beschouwd een waarschuwing gegeven voordat terzake een boete wordt opgelegd, tenzij binnen twee daaraan voorafgaande jaren een gelijksoortige overtreding is geconstateerd. Dit beleid op zich, noch de indeling door de minister van overtredingen van het voedselveiligheidsplan in deze categorie, acht het College onredelijk. Appellante verwijt de minister dat deze bij de toepassing van het beleid een te ruime interpretatie heeft gegeven aan het begrip “gelijksoortige overtreding” door voorschriften betreffende het niet bijhouden van temperatuurlijsten op één lijn te stellen met voorschriften, die betrekking hebben op (overtreding van) het ongedierte bestrijdingsplan, terwijl dit laatste bovendien nog in een andere vestiging van appellante plaatsvond. Het College volgt appellante hierin niet. De minister heeft zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat de bedoelde overtredingen gelijksoortig zijn. Zij hebben immers beide betrekking op de naleving van administratieve voorschriften ter zake van voedselveiligheid, die op grond van de hygiënecode in acht moeten worden genomen. Gebeurt dat niet, dan is sprake van overtreding van (destijds) artikel 30, derde lid, WHL. Het College vermag niet in te zien dat deze vaststelling voor de beide overtredingen het in het beleid voorziene waarschuwingseffect feitelijk teniet doet. Dat waarschuwingseffect is immers gericht op de onderneming, die erop moet toezien dat het voedselveiligheidsplan in haar vestigingen wordt nageleefd en daarvoor ook verantwoordelijk kan worden gehouden.

5.1.3 In artikel 32a, eerste lid, Warenwet is bepaald dat de minister een boete kan opleggen aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan welke de overtreding kan worden toegerekend. In het ter uitvoering van artikel 32a Warenwet vastgestelde artikel 3 van het Warenwetbesluit bestuurlijke boete wordt ervan uitgegaan dat dit de natuurlijke of rechtspersoon is die de onderneming drijft waarin de overtreding werd begaan. In de vaststelling van een afzonderlijk boetebedrag, afhankelijk van de omvang van de vestiging waarbinnen de overtreding plaatsvond, is daarbij niet voorzien. Aangezien appellante onbetwist op het moment dat de overtredingen werd begaan meer dan 50 werknemers in dienst had, is naar het oordeel van het College de hoogte van de boetes door de minister met inachtneming overeenkomstig de toepasselijke regelgeving vastgesteld.

5.1.4 Appellante vindt deze boetes in haar geval echter onevenredig hoog en heeft daartoe aangevoerd dat zij weliswaar meer dan 50 werknemers in dienst heeft, maar ieder van haar vestigingen afzonderlijk niet. Omdat de frequentie van de controles (minimaal) éénmaal per jaar per vestiging is wordt haar “pakkans” volgens haar onaanvaardbaar vergroot wanneer bij het opleggen van de boetes niet van de afzonderlijke vestigingen wordt uitgegaan. Volgens appellante had de minister om deze reden gebruik moeten maken van zijn in artikel 32a, derde lid, van de Warenwet neergelegde matigingsbevoegdheid. Het College volgt appellante niet in haar betoog en overweegt daartoe als volgt.

5.1.5 Het College acht het onwaarschijnlijk dat de regelgever bij de totstandkoming van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten niet tevens de - vrij gebruikelijke - figuur onder ogen heeft gezien dat een onderneming meer dan één (kleinere) filialen heeft. Uit het wettelijk systeem volgt dat de voor de (gehele) onderneming verantwoordelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon, er centraal op moet toezien dat de Warenwet en haar uitvoeringsregelingen worden nageleefd en daarvoor ook verantwoordelijk wordt gehouden. Dat, zoals appellante stelt, de frequentie van de controles per vestiging (jaarlijks) de daarmee samenhangende “pakkans” van appellante verhoogt kan niet als een zodanig bijzondere omstandigheid worden aangemerkt dat de minister op grond daarvan gebruik had moeten maken van zijn matigingsbevoegdheid.

De rechtbank heeft gelet op het vorenstaande met juistheid overwogen dat de hoogte van de boete inherent is aan het Boetebesluit en geen aanleiding bestaat tot matiging, mede omdat zij het door de minister gevoerde beleid, inhoudende dat de frequentie van de periodieke controles in een geval als het onderhavige op de afzonderlijke filialen is afgestemd, niet onredelijk acht.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het boetebesluit met nummer 200408028 op juiste gronden is genomen.

5.2 Ten aanzien van het boetebesluit met nummer 200408029 overweegt het College als volgt.

5.2.1 Nadat de controleambtenaar op 9 september 2004 de in rubriek 5.1 besproken overtredingen had vastgesteld, heeft op 22 september 2004 opnieuw een inspectiebezoek plaatsgevonden in dezelfde vestiging van appellante. Daarbij is geconstateerd dat appellante (nog steeds) niet voldeed aan de gestelde temperatuurvereisten en aan de eisen van het voedselveiligheidsplan, hetgeen de minister aanleiding heeft gegeven om bij boetebesluit van 7 januari 2005 wederom dezelfde boetes terzake van deze overtredingen op te leggen.

5.2.2 Het College merkt op dat tussen de beide hiervoor vermelde inspecties slechts een termijn van dertien dagen zit. Bovendien blijkt uit de stukken dat B eerst formeel op de hoogte is gesteld van de vaststelling van de bij beide inspecties vastgestelde overtredingen toen hij terzake op 14 oktober 2004 - dat wil zeggen na dat tweede inspectiebezoek - door de controleambtenaar is verhoord. Pas op of omstreeks 17 november 2004 is het ter zake opgestelde boeterapport aan appellante toegezonden.

5.2.3 Gelet hierop is het College van oordeel dat appellante onvoldoende in de gelegenheid is geweest om de eerder op 9 september 2004 geconstateerde overtredingen te beëindigen, dan wel haar handelen anderszins te richten naar hetgeen destijds is geconstateerd. Mitsdien heeft de minister bij afweging van alle aan de orde komende belangen niet in redelijkheid tot het opleggen van de in deze rubriek besproken boete heeft kunnen overgaan. Voorzover de bevindingen van de controleambtenaar op 22 september 2004 al in redelijkheid de vaststelling van de gestelde overtredingen rechtvaardigen – naar het oordeel van het College kan in dit stadium van de procedure slechts worden gesproken van voortgezette overtredingen – is het gebruikmaken van de bevoegdheid terzake een boete op te leggen buitenproportioneel en dus strijdig met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

5.2.4 De rechtbank heeft gelet op het vorenstaande ten onrechte het beroep tegen het besluit van de minister waarbij - onder meer - de in deze rubriek besproken boetes zijn gehandhaafd, ongegrond verklaard. Het hoger beroep is derhalve gegrond en de aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het College het beroep gegrond verklaren, de beslissing op bezwaar op vorenvermeld punt vernietigen en het besluit in primo met nummer 200408029 herroepen.

5.3 Het College acht termen aanwezig verweerder in beroep en in hoger beroep met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.288, -, te weten 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de rechtbank, 1 punt voor het indienen van een hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het College, met wegingsfactor 1, ad € 322, - per punt.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank van 15 juni 2006, voorzover daarbij het beroep van appellante tegen de

ongegrondverklaring van haar bezwaren tegen het boetebesluit met nummer 200408029 ongegrond is verklaard en dit

besluit in stand is gelaten;

- verklaart appellantes beroep tegen het besluit van de minister van 19 augustus 2005 gegrond;

- vernietigt het besluit van 19 augustus 2005 voorzover daarbij de bezwaren van appellante tegen het boetebesluit met

nummer 200408029 ongegrond zijn verklaard;

- herroept het besluit van 7 januari 2005 met nummer 200408029;

- veroordeelt verweerder in de door appellante in beroep en hoger beroep gemaakte kosten tot een bedrag van € 1.288,--

(zegge: twaalfhonderd en achtentachtig euro), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die

deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden de door appellant betaalde griffierechten van € 276,-- in beroep en € 422,-- in hoger

beroep, derhalve in totaal € 698,-- (zegge: zeshonderd en achtennegentig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M.A. van der Ham en mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2007.

w.g. B. Verwayen w.g. A, Bruining