Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BC1348

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-12-2007
Datum publicatie
07-01-2008
Zaaknummer
AWB 06/928
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 06/928 11 december 2007

5134 Regeling GLB-inkomenssteun

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. L.C. Commandeur, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 14 december 2006, bij het College binnengekomen op 21 december 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 15 november 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 6 februari 2006, waarbij verweerder op appellants aanvraag om akkerbouwsubsidie voor het jaar 2005 in het kader van de Regeling GLB-inkomensteun (hierna: de Regeling) subsidie heeft verleend met toepassing van een korting.

Bij brief van 27 maart 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 29 oktober 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt, voorzover hier en ten tijde van belang:

“Artikel 101

Basisarealen

De areaalbetaling wordt vastgesteld per hectare en wordt naar regio gedifferentieerd.

De areaalbetaling wordt verleend voor een met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakte of een overeenkomstig artikel 107 braakgelegde oppervlakte (…)

Artikel 107

Braaklegging

1. (...)

2. De braakleggingsverplichting wordt voor elke landbouwer die areaalbetalingen aanvraagt, vastgesteld als een proportioneel gedeelte van zijn areaal dat met akkerbouwgewassen is ingezaaid en waarvoor een aanvraag wordt ingediend en dat overeenkomstig dit hoofdstuk uit productie wordt genomen.

Het basispercentage van de braakleggingsverplichting wordt vastgesteld op 10 % voor de verkoopseizoenen 2005/2006 en 2006/2007.

3. (…)

Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover ten tijde en hier van belang als volgt:

“Artikel 15 - Wijzigingen van de verzamelaanvragen

1. Na de uiterste datum voor de indiening van de verzamelaanvraag mogen individuele percelen landbouwgrond die eventueel gepaard gaan met de overeenkomstige toeslagrechten en die nog niet in de verzamelaanvraag zijn aangegeven voor welke van de oppervlaktegebonden steunregelingen ook, aan de verzamelaanvraag worden toegevoegd mits de in de betrokken steunregelingen gestelde eisen in acht worden genomen.

Voor individuele percelen landbouwgrond of toeslagrechten die reeds in de verzamelaanvraag zijn aangegeven, mogen onder dezelfde voorwaarden wijzigingen met betrekking tot het grondgebruik of de steunregeling worden aangebracht. (…)

3. Indien de bevoegde autoriteit de landbouwer reeds in kennis heeft gesteld van onregelmatigheden in de verzamelaanvraag of indien zij hem heeft geïnformeerd over haar voornemen een controle ter plaatse te verrichten en indien die controle ter plaatse vervolgens onregelmatigheden aan het licht brengt, zijn wijzigingen als bedoeld in lid 1 niet toegestaan voor de percelen landbouwgrond waarop de onregelmatigheden betrekking hebben.

Artikel 19 - Verbetering van kennelijke fouten

Onverminderd de artikelen 11 tot en met 18, kan een steunaanvraag te allen tijde na de indiening ervan worden gecorrigeerd in geval van een kennelijke fout die door de bevoegde autoriteit wordt erkend.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft met het formulier “Gecombineerde opgave 2005” 69.03 ha overige gewassen en 6.17 ha groene braak voor subsidie opgegeven. Daarnaast heeft hij in het bij het bij het formulier behorende overzicht gewaspercelen onder meer de percelen 17 van 23.40 ha en 21 van 22.96 ha met pootaardappelen voor subsidie aangemeld.

- Bij besluit van 6 februari 2006 heeft verweerder appellant naar aanleiding van diens aanvraag € 26694,05 aan akkerbouwsteun toegekend, na aftrek van een korting van € 6022,57.

- Bij brief van 16 maart 2006 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij samengevat het volgende overwogen.

Appellant is naar aanleiding van zijn aanvraag een subsidiekorting opgelegd, omdat hij niet voldaan heeft aan de op hem rustende verplichting om voor de door hem voor subsidie opgegeven oppervlakte van 69.03 ha overige gewassen minimaal 10% braak te leggen. Door hem is slechts 6.17 ha braak opgegeven. Daarmee heeft hij 19,56 % te weinig braakgelegd en is zijn subsidiabele oppervlakte gekort met dat percentage.

Appellant heeft aangevoerd dat hij van de percelen 17 en 21 wel degelijk de kop- en wendakkers heeft braakgelegd. Slechts door een vergissing zijn deze stukken braak niet opgegeven.

Ten onrechte meent appellant dat hier sprake is van een kennelijke fout in de aanvraag. Appellant heeft immers de percelen 17 en 21 in hun geheel opgegeven als beteeld met pootaardappels. Verweerder kon bij een eerste controle van de aanvraag onmogelijk zien dat appellant eigenlijk de kop- en wendakkers als braak had willen opgeven.

Nu er geen sprake is van een kennelijke fout en op de aanvraag reeds was beslist, laat artikel 15 van de Verordening (EG) nr. 796/2004 geen ruimte om, zoals appellant wenst, de aanvraag alsnog te wijzigen.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft per abuis nagelaten de kop- en wendakkers van de percelen 17 en 21 als braakliggend land bij zijn subsidieaanvraag op te geven. Daarom heeft hij verweerder in het bezwaarschrift verzocht alsnog in totaal 1.54 ha extra als braakgelegd land te mogen opgeven onder de volgnummers 22, 23, 24 en 25. Met de opgave van deze oppervlakte, die feitelijk ook braak heeft gelegen, heeft appellant aan de braakverplichting voldaan.

Appellant meent dat hier sprake is van een kennelijke fout in de aanvraag en dat verweerder het verzoek van appellant om zijn aanvraag te mogen aanvullen niet had mogen afwijzen. Verweerder heeft, nu wel aan de braakverplichting is voldaan, ten onrechte besloten de korting wegens het niet voldoen aan de braakverplichting te handhaven.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Verweerder heeft appellant bij zijn besluit van 6 februari 2006 op de verzamelaanvraag een korting opgelegd omdat hij met de in de aanvraag opgegeven 6.17 ha braak niet voldaan heeft aan de op hem rustende verplichting om 10 % van de door hem voor subsidie aangemelde oppervlakte braak te leggen. Niet in geschil is dat appellant bij een opgave voor subsidie van in totaal 69.03 ha een oppervlakte van minimaal 7.67 ha braak had moeten leggen.

5.2 Aangezien de beslissing op de verzamelaanvraag reeds was genomen kon appellant ingevolge artikel 15, derde lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 zijn aanvraag niet meer wijzigen. Verweerder was derhalve gehouden het verzoek van appellant in zijn bezwaarschrift van 16 maart 2006 om de aanvraag aan te mogen vullen met de braakpercelen 22, 23, 24 en 25 en dus de percelen 17 en 21 te verkleinen met 0.61 respectievelijk 0.93 ha, af te wijzen.

Dit zou slechts anders zijn indien er in de aanvraag sprake zou zijn van een kennelijke fout. Appellant stelt dat dit het geval was.

5.3 Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een kennelijke fout hanteert verweerder als uitgangspunt het werkdocument AGR 49533/2002 van de Europese commissie. Het College heeft in vaste jurisprudentie geoordeeld dit aanvaardbaar te achten.

Van een kennelijke fout kan over het algemeen alleen worden gesproken indien verweerder bij een summier onderzoek bij ontvangst van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen. Daarvan is hier geen sprake.

De opgave van de percelen 17 en 21 (bijdragecode 999) komt volledig overeen met de topografische oppervlakte, zoals ingetekend op de bedrijfskaart.

Verweerder kon niet vermoeden dat appellant een gedeelte van deze percelen in de aanvraag als braakliggend land had willen vermelden.

5.4 Ter zitting heeft appellant uiteengezet dat hij met de door hem bij zijn bezwaarschrift overgelegde gegevens ten behoeve van de veldkeuring aardappelen door de NAK kan bewijzen welke netto oppervlakte hij bebouwd had met pootaardappelen. De kop- en wendakkers horen daar volgens appellant evident niet bij.

Beantwoording van de vraag of appellant inderdaad een kleinere oppervlakte pootaardappelen heeft beteeld dan vermeld in zijn aanvraag, kan in het midden blijven. Voor de conclusie dat sprake is van een kennelijke fout is, zoals hiervoor aangegeven, vereist dat verweerder uit de aanvraag moet kunnen afleiden dat deze niet conform de bedoeling van de aanvrager is ingevuld. Dit is, als gezegd, hier niet het geval. Voor de aanwezigheid van een kennelijke fout is het niet voldoende dat de aanvrager aantoont dat hij zich heeft vergist.

5.5 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. F.W, du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 december 2007.

w.g. F. Stuurop w.g. F.W. du Marchie Sarvaas