Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BC1345

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-12-2007
Datum publicatie
07-01-2008
Zaaknummer
AWB 06/880
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/880 13 december 2007

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. C.E.B. Haazen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 25 november 2006, bij het College binnengekomen op 28 november 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 november 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen verweerders besluit van 22 september 2006 tot vaststelling van toeslagrechten in het kader van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling).

Bij brief van 7 februari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 28 november 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Appellante is niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt, voorzover hier van belang:

“Artikel 42

Nationale reserve

(…)

4. De lidstaten gebruiken de nationale reserve om op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden, referentiebedragen vast te stellen voor landbouwers die zich in een bijzondere, door de Commissie volgens de in artikel 144, lid 2, bedoelde procedure te omschrijven situatie bevinden.

(…)”

Artikel 21 van Verordening (EG) nr. 795/2004 van 21 april 2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt:

“Investeringen

1. Een landbouwer die onder de voorwaarden van de leden 2 tot en met 6 van het onderhavige artikel en uiterlijk op 15 mei 2004 geïnvesteerd heeft in productiecapaciteit of grond heeft gekocht, ontvangt toeslagrechten die zijn berekend door een referentiebedrag dat door de lidstaat is vastgesteld op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden voorkomen, te delen door een aantal hectaren dat niet groter is dan het aantal hectaren dat hij heeft gekocht.

(…)

2. Voor investeringen dient een desbetreffend plan of programma te zijn opgesteld waarvan de tenuitvoerlegging uiterlijk op 15 mei 2004 van start is gegaan. Het plan of programma wordt door de landbouwer aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat meegedeeld.

Indien geen schriftelijk plan of programma bestaat, kan de lidstaat rekening houden met andere objectieve bewijzen van de investering.

(…)”

De Regeling luidt, voorzover hier van belang:

“Artikel 11

1. De landbouwer dient uiterlijk op 15 mei 2006 de aanvragen tot vaststelling van toeslagrechten in op een daartoe vastgesteld aanvraagformulier.

(…)

Paragraaf 2.2 Toewijzen van toeslagrechten uit de nationale reserve (aan landbouwers als bedoeld in artikel 42, vierde lid, van verordening 1782/2003)

Artikel 16

1. Voor toewijzing van toeslagrechten uit de nationale reserve komen uitsluitend in aanmerking:

(…)

c. landbouwers die overeenkomstig artikel 21 van verordening 795/2004 geïnvesteerd hebben in productiecapaciteit of grond hebben gekocht, indien ten genoegen van de minister wordt aangetoond dat zij overeenkomstig artikel 21 van verordening 795/2004, uiterlijk op 15 mei 2004:

- (…)

- dieren hebben gekocht waarvoor een in bijlage VI bij verordening 1782/2003 genoemde rechtstreekse betaling kon worden verkregen;

- (…)

2. Landbouwers als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b tot en met d, komen uitsluitend in aanmerking voor toeslagrechten uit de nationale reserve voor zover:

a. zij als gevolg van de investering in productiecapaciteit of het in bezit krijgen, kopen of huren van subsidiabele grond, in de zin van artikel 44, tweede lid, van verordening 1782/2003, in het daarop volgende kalenderjaar, beschikken over meer:

(…)

ii. dieren, waarvoor een in bijlage VI bij verordening 1782/2003 genoemde rechtstreekse betaling kon worden verkregen,

(…) dan de betrokken productiecapaciteit of grond die in de referentieperiode beschikbaar was;

(…)

3. Een aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten uit de nationale reserve vindt plaats overeenkomstig artikel 11.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Met het op 9 maart 2006 door verweerder ontvangen formulier “Melding Nationale Reserve” heeft appellante toeslagrechten uit de nationale reserve aangevraagd voor 74 ooien en 3 mannelijke runderen. In een bij het formulier gevoegde toelichting heeft A meegedeeld:

“In de jaren ben ik gedeeltelijk arbeidsongeschikt geworden. En ben in 2002 schapen gaan houden om het inkomen te verhogen.

En heb in de volgende jaren 74 ooien aangekocht.

Hopend hier mee voldoende te hebben geinformeerd.”

- Gevraagd naar aankoopbewijzen heeft verweerder op 13 juni 2006 van A exemplaren “Vervoersdocument I&R schapen en geiten” ontvangen.

- In een Telefoonnotitie van een gesprek van een medewerker van Dienst Regelingen met A op 13 juni 2006 staat vermeld:

“Gebeld over bewijs dieren -> meneer heeft alleen IR formulieren gestuurd en geeft aan dat hij geen aankoopbewijzen heeft omdat de dieren contant en zonder bonnetjes zijn aangekocht.”

- Verweerder heeft appellante bij brief van 20 september 2006 meegedeeld dat zij niet aan de voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen voor toeslagrechten uit de nationale reserve, omdat uit de bijgevoegde bewijsstukken onvoldoende blijkt dat is geïnvesteerd in de categoriëen dieren.

- Bij besluit van 22 september 2006 heeft verweerder appellante meegedeeld dat geen toeslagrechten uit de nationale reserve worden toegekend.

- In een Telefoonnotitie van een gesprek van een medewerker van Dienst Regelingen met A op 26 september 2006 staat vermeld:

“dhr belt omdat zijn NR is afgewezen. Ik licht toe dat er wel aankoopbewijzen zouden moeten worden opgestuurd. Dhr. geeft aan deze wel te hebben. Aangegeven dat dhr bezwaar moet maken en het bewijs alsnog mee kan sturen. Dhr gaat meteen aan de slag.”

- Tegen het besluit van 22 september 2006 heeft appellante op 5 oktober 2006 een bezwaarschrift ingediend met bijsluiting van ‘alle facturen en overschrijvingen’.

- In een Telefoonnotitie van een gesprek van een medewerker van Dienst Regelingen met A op 19 oktober 2006 staat vermeld:

“De heer A geeft aan dat hij bezwaar maakt tegen het feit dat de nationale reserve niet is meegenomen. Het gaat daarbij om 80 ooien en waar hij 3 runderen heeft aangegeven moet het 3 rammen zijn. Ik heb aangegeven dat het bewijsmateriaal, de facturen van de aankopen, is aangekomen en dat hier nog naar gekeken moet worden.

De heer A ziet af van een hoorzitting.”

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

3.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en heeft hij de waarde per toeslagrecht verhoogd met € 613,- uit de nationale reserve.

Hiertoe heeft verweerder, samengevat, het volgende overwogen.

Om voor toewijzing van toeslagrechten uit de nationale reserve in aanmerking te komen moet de investering in dieren ingevolge artikel 21, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 795/2004 voldoende worden aangetoond met objectieve bewijzen. De investering moet uiterlijk op 15 mei 2004 zijn gedaan, waarbij een factuur, betalingsbewijs of een kopie van de betaalrekening als bewijs kan dienen.

In bezwaar heeft appellante alsnog 11 facturen van aangekochte dieren overgelegd. Voor een deel (53 ooien) betreft dit aankopen gedaan vóór 15 mei 2004 en deels van na die datum. Voor de facturen 7 tot en met 11 voldoet de aanvraag niet aan de voorwaarde dat de investering vóór 15 mei 2004 is gedaan.

3.2 Bij het beroepschrift heeft appellante nieuw bewijs overgelegd, waaruit blijkt dat zij ook ten aanzien van 32 in het jaar 2001 aangekochte ooien een aanvraag nationale reserve wil doen. Uit de redactie van artikel 16 van de Regeling, in samenhang met artikel 11, kan worden afgeleid dat de bewijsstukken net als de aanvraag zelf uiterlijk 15 mei 2006, dan wel 9 juni 2006, moeten zijn ingediend. De in beroep aangevoerde grief vormt in feite een nieuwe aanvraag voor toeslagrechten uit de nationale reserve, die buiten de termijn is ingediend.

Appellante heeft ruim voldoende gelegenheid gehad haar aanvraag van bewijsstukken te voorzien. Bewijzen die nu nog, in de beroepsfase, door appellante worden ingediend zijn te laat en kunnen niet meer leiden tot een ander oordeel over de aanvraag nationale reserve. De opstelling van appellante is ook niet te rijmen met de eerdere mededeling in bezwaar dat het bewijs compleet was.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in beroep, voorzover hier van belang, het volgende naar voren gebracht:

“Hierbij stuur ik u nog fakt. van aankoop van 32 schapen.

Reden hiervan is dat een aantal fakturen niet mee tellen omdat deze na 15-05-2004 waren aangekocht.

Dit was ons niet bekend.

Nu zijn alle fakturen bij gesloten van de eerste aankoop toen wij begonnen zijn met het houden van schapen, en hopen dat dit als nog mee kan tellen.

Hopend u zo voldoende geinformeerd te hebben.”

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In geschil is of verweerder terecht tot gedeeltelijke toewijzing van toeslagrechten uit de nationale reserve heeft besloten.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Regeling, dient de landbouwer overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EG) nr. 795/2004 uiterlijk op 15 mei 2004 dieren te hebben aangekocht om in aanmerking te kunnen komen voor toewijzing uit de nationale reserve. Nu vaststaat dat de door appellante in bezwaar overgelegde aankoopbewijzen deels betrekking hebben op aankopen van dieren na 15 mei 2004, heeft verweerder in overeenstemming met de geldende regeling de toewijzing van toeslagrechten uit de nationale reserve beperkt tot een bedrag dat is berekend op basis van de investering in

53 ooien die vóór die datum zijn aangekocht.

Aan de in beroep overgelegde bewijsstukken kan appellante geen recht op toewijzing van meer toeslagrechten uit de nationale reserve ontlenen dan verweerder bij het bestreden besluit heeft toegekend. Blijkens het formulier “Melding Nationale Reserve” en de bijbehorende toelichting maakt appellante aanspraak op toeslagrechten uit de nationale reserve wegens uitbreiding van de produktiecapaciteit in verband met het feit dat zij in 2002 schapen is gaan houden, waartoe in de volgende jaren 74 ooien zouden zijn aangekocht. De in beroep in geding gebrachte facturen zien echter op aankopen van dieren in juni en in oktober 2001 en kunnen niet dienen als bewijs voor de aankoop van de in de aanvraag genoemde dieren. Reeds hierom kan niet worden gezegd dat verweerder appellantes aanspraken op toewijzing van toeslagrechten uit de nationale reserve heeft miskend.

5.2 Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. E.J.M. Heijs en mr. F. Stuurop in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 december 2007.

w.g. W.E. Doolaard w.g. F.W. du Marchie Sarvaas