Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB8473

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
25-10-2007
Datum publicatie
21-11-2007
Zaaknummer
AWB 06/543
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Wet inkomstenbelasting 2001

Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Wet inkomstenbelasting 2001
Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/543 25 oktober 2007

27652 Wet inkomstenbelasting 2001

Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante,

gemachtigde: mr. G.P.F. de Jong, werkzaam bij Econcern B.V.,

tegen

Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. C. Cromheecke, werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 6 juli 2006, bij het College binnengekomen op 7 juli 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 1 juni 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder gehandhaafd zijn beslissing van 10 oktober 2005 tot toekenning van een verklaring als bedoeld in artikel 3:42, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) ter hoogte van een bedrag van € 539.098,- in verband met investeringen in de aanschaf en bouw van vijf windturbines en in locatierechten.

Bij brief van 4 augustus 2006 heeft appellante de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 5 september 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 23 augustus 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet IB 2001 was ten tijde hier van belang onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 3.40

Indien wordt geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen kan door de belastingplichtige naast de afschrijvingen een deel van het investeringsbedrag aanvullend ten laste van de winst worden gebracht (investeringsaftrek). Investeringsaftrek kan de vorm hebben van kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, van energie-investeringsaftrek en van milieu-investeringsaftrek.

Artikel 3.42

1. Indien in een kalenderjaar in een onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft, wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de ondernemer gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van energie-investeringen, en de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het derde lid aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek).

2. Energie-investeringen zijn investeringen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie.

(…)

6. De energie-investeringsaftrek is van toepassing indien de energie-investering is aangemeld bij Onze Minister."

In de op artikel 3.42 Wet IB 2001 gebaseerde Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 (hierna: Uitvoeringsregeling) was ten tijde hier van belang onder meer bepaald:

" Artikel 2

Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangewezen: de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage I van deze regeling, mits

(…)

Artikel 3

1. De aanmelding bedoeld in artikel 3:42, zesde lid, van de wet van de aangegane verplichtingen of de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van een investering als bedoeld in artikel 2 moet binnen een termijn van drie maanden plaats vinden. Deze termijn vangt aan:

a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de verplichtingen;

(…)

Artikel 5

1. De verklaring van de Minister van Economische Zaken, bedoeld in artikel 3:42, eerste lid, van de wet vermeldt in welke aangewezen bedrijfsmiddelen of onderdelen is geïnvesteerd alsmede het bedrag en de uitgaven ter zake.

2. Het verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan bij de aanmelding bedoeld in de artikelen 3 en 4.

(…)”

In Bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling zoals die ten tijde van belang gold, is vermeld:

“Artikel 1

Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3:42, tweede lid, van de wet worden aangemerkt:

(…)

E. Investeringen ten behoeve van het aanwenden of toepassen van duurzame energie

(…)

2. Windenergie door:

(…)

2.1.A. Windturbine met een nominaal vermogen > 25 kW voor het opwekken van elektrische energie, en bestaande uit: windturbine, (eventueel) mast, (eventueel) aansluiting op het elektriciteitsnet, (eventueel) uitsluitend voor plaatsing en onderhoud van de windmolen bestemde ontsluitingsweg.

Het maximum investeringsbedrag dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt bedraagt voor windturbines die:

a. op Nederlands grondgebied, anders dan in het niet gemeentelijk ingedeelde deel van de territoriale zee of de Exclusieve Economische Zone, worden geplaatst € 1100/kW;

b. in het niet gemeentelijk ingedeelde deel van de territoriale zee of in de Exclusieve Economische Zone worden geplaatst

€ 2250/kW.

Het vermogen (kW) is gedefinieerd als het nominale elektrische vermogen van de windturbine.

(…)”.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 24 september 2002 is C B.V. (hierna: C) onder meer een overeenkomst aangegaan die betrekking heeft op de levering van een vijf windturbines door D B.V. met een totale projectsom van € 7.800.000,-.

- Bij overeenkomst van 8 november 2002 zijn C en E N.V. per 23 september 2002 een samenwerkingsverband aangegaan onder de naam F V.O.F. (hierna: VOF), terzake van het ontwikkelen, oprichten en exploiteren van windturbines binnen G (hierna: windpark). Voorts is bepaald dat E N.V. in economische zin moet worden geacht partij te zijn bij de door C op 24 september 2002 gesloten overeenkomsten en dat beide partijen de voor hen uit die overeenkomsten voortvloeiende rechten en verplichtingen, ieder voor een gelijk deel, hebben ingebracht in de VOF.

- Op 20 december 2002 heeft C bij een daartoe bestemd formulier een tweetal investeringen aangemeld en ter zake daarvan verzoeken om verklaringen voor energie-investeringsaftrek (hierna: EIA) ingediend. Het in deze zaak van belang zijnde verzoek betreft een investering in de aanschaf en bouw van vijf windturbines ter hoogte van een bedrag van € 3.900.000, -. Op het meldingsformulier heeft appellante aangegeven dat de investeringsverplichting op 24 september 2002 is aangegaan. Bij de ontvangstbevestiging Meldingsformulier /Verzoek om verklaring Energie-investeringsaftrek heeft de Belastingdienst aan de eerstgenoemde aanvraag het nummer E0216957 toegekend.

- Bij overeenkomst van 19 augustus 2003 heeft C haar aandeel in de VOF verkocht aan appellante.

- Bij twee daartoe bestemde formulieren gedagtekend 17 november 2003 heeft appellante twee investeringen aangemeld en terzake daarvan verzoeken om EIA ingediend. Een verzoek betreft een investering in de aanschaf en bouw van vijf windturbines à € 3.900.000, -. Het andere verzoek betreft de investering in locatierechten ter hoogte van een bedrag van

€ 650.000,-. Aan de eerstgenoemde aanvraag heeft de Belastingdienst het nummer E0309963 toegekend, de tweede heeft het nummer E0309962 gekregen.

- Op 12 december 2003 hebben C en H B.V. (hierna: H) in hoofdlijnen overeenstemming bereikt over de overdracht van de aandelen van C in appellante aan H. In de overeenkomst is onder meer opgenomen de verplichting van C om met H een zogenoemde Koop-Aannemingsovereenkomst te sluiten, die in ieder geval betreft de overdracht aan H van alle voor het windpark noodzakelijke vergunningen en locaties middels de verkoop en levering in eigendom van het 100% aandelenbelang van C in appellante. Het aannemingsgedeelte van de overeenkomst ziet op de bouw en turn-key oplevering door appellante van het windpark. De totale koop-aannemingsprijs wordt bepaald op € 7.250.470,-. Voorts is bepaald dat de rechten en verplichtingen met betrekking tot de koop van de locaties en de bouw van het windpark zullen worden uitgewerkt in een uiterlijk voor 1 januari 2004 te ondertekenen koop-aannemingsovereenkomst.

- Bij brief van 17 december 2003 heeft de Belastingdienst verklaard dat indien de aandelen in appellante na 1 januari 2004 worden overgedragen aan een derde, de fiscale eenheid tussen C en appellante wordt verbroken op het moment van overdracht van de aandelen.De koper koopt dan een vennootschap met potentiële energie-investeringsaftrek koopt.

- Bij daartoe bestemd formulier gedagtekend 22 december 2003 heeft H een investering in de aanschaf en bouw van vijf windturbines en locatierechten ter hoogte van een bedrag van € 7.250.470 gemeld en terzake daarvan een verzoek om een EIA-verklaring gedaan. Op het meldingsformulier heeft appellante aangegeven dat de investeringsverplichting op 12 december 2003 is aangegaan. Aan de aanvraag heeft de Belastingdienst het nummer E0311807 toegekend.

- Op 27 februari 2004 hebben C en D overeenstemming bereikt over een document getiteld “Addendum op leveringscontract E.09.02.146 betreffende de levering van 5 windturbines type 272 op de locatie G”.

- Op 22 april 2004 heeft appellante bij een daartoe bestemd formulier een investering in de aanschaf en bouw van vijf windturbines en locatierechten ter hoogte van een bedrag van € 7.316.410.,- gemeld en terzake daarvan een verzoek om een EIA-verklaring ingediend. Op het meldingsformulier heeft appellante aangegeven dat de investeringsdatum 27 januari 2004 is. Aan de aanvraag heeft de Belastingdienst het nummer E0401186 toegekend.

- Op 3 juni 2004 heeft overleg tussen appellante, H en verweerder plaatsgevonden over de samenhang van de ingediende meldingen. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder bij brief van 9 september 2004 onder meer verzocht om een kostenspecificatie met prijsopbouw van melding E0401186 en intrekking van alle aan die aanvraag voorafgaande EIA-aanvragen.

- Bij brief van 10 november 2004 heeft appellante aan verweerder melding gemaakt van de verklaring van de Belastingdienst van 17 december 2003 en de voorgenomen overname van de verplichtingen van D door I B.V. (hierna: I).

- Bij brief van 29 november 2004 heeft verweerder aan appellante bericht dat de ruling van de Belastingdienst zal worden gevolgd, mits C conform de in de verklaring genoemde voorwaarden heeft gehandeld. Daartoe heeft verweerder appellante verzocht om nadere informatie omtrent de overdracht van het VOF-aandeel van C aan appellante.

- Bij e-mail van 2 december 2004 heeft verweerder aan appellante medegedeeld dat de vraag of verweerder een overname van de verplichtingen van D door I zal zien als een nieuwe verplichting of een overname van een bestaande verplichting afhangt van de inhoud van dat contract, waarbij voor verweerder inzichtelijk zal moeten zijn hoe de verplichtingen tussen I, D en de VOF zijn geregeld. Verweerder merkt tevens op dat de omstandigheid dat alle belangrijke kenmerken van de overeengekomen levering nagenoeg gelijk blijven ervoor pleit dat het niet om een essentiële wijziging van het bedrijfsmiddel gaat. Verweerder heeft verzocht om een kopie van het concept-contract. Deze heeft hij op 15 december 2004 ontvangen.

- Op 27 december 2004 hebben I en de VOF een overeenkomst gesloten met betrekking tot de koop-/aanneming van vijf windturbines. De overeengekomen koopprijs is € 7.850.000,- (excl. BTW).

- Op 22 maart 2005 heeft appellante bij een daartoe bestemd formulier een investering in vijf windturbines aangemeld en terzake daarvan een verzoek om een EIA-verklaring ingediend. De aanschafkosten bedragen € 3.925.000,-. Op het meldingsformulier heeft appellante vermeld dat de investeringsverplichting op 27 december 2004 is aangegaan. Aan de aanvraag heeft de Belastingdienst het nummer E0411008 toegekend.

- Op 9 juni 2005 heeft verweerder de overeenkomst tussen I en de VOF van 27 december 2004 ontvangen. Verweerder heeft vervolgens per e-mail verzocht om het getekende contract waarin I het Gcotnract overneemt van D.

- Bij brief van 15 juni 2005 heeft appellante aan verweerder verzocht de aanvragen met nummers E216957 en E216958 (beide van 20 december 2002) alsmede de laatste aanvraag met nummer E0411008 toe te kennen en toegezegd dat na die toekenning de andere aanvragen zullen worden ingetrokken. Tevens heeft appellante aan verweerder gemeld dat geen sprake is van een ondertekend contract inzake de overname van de verplichten van D ten opzichte van C door I is, vanwege het failliet gaan van D tijdens de onderhandelingen. In dit verband wijst appellante op de uitspraak van het College van 25 juni 1993 (FED 1993/619, nr. 91/2980/062/018).

- Bij brief van 8 juli 2005 heeft verweerder gesteld dat de situatie die zich voordeed in de door appellante aangehaalde uitspraak van het College, in dit geval niet aan de orde is, heeft verweerder gesteld dat alle EIA-relevante kosten voor het windpark voor levering van materialen en diensten van D worden beoordeeld onder de 2002 meldingen en alle EIA-relevante kosten voor het windpark voor levering van materialen en diensten van I worden beoordeeld onder de 2004 meldingen. Voorts heeft verweerder om nadere informatie verzocht ten behoeve van de beoordeling van alle aanvragen.

- Bij brief van 2 september 2005 heeft appellante verweerder een overzicht verschaft van de investeringen in het windpark tot en met 31 december 2004 verschaft en opgemerkt dat nog € 6.194.541 geïnvesteerd dient te worden om het windpark af te bouwen.

- Bij zeven besluiten van 10 oktober 2005 heeft verweerder het verzoek van C van 20 december 2002 met nummer E0216957 toegekend ter hoogte van een bedrag van € 539.098,- , het verzoek van C van 20 december 2002 met nummer E0216958 geheel toegekend, het verzoek van appellante van 17 november 2003 met nummer E309962 afgewezen, het verzoek van appellante van 17 november 2003 met nummer E309963 toegekend ter hoogte van een bedrag van € 12.933,-, het verzoek van H van 22 december 2003 met nummer E0311807 afgewezen, het verzoek van appellante van 22 april 2004 met nummer E0401186 toegekend ter hoogte van een bedrag van € 357.038 en het verzoek van appellante met nummer E0411008 toegekend ter hoogte van een bedrag van € 3.097.271.

In de positieve besluiten is de volgende passage opgenomen: “In de bij deze beschikking gevoegde verklaring wordt bevestigd dat het gemelde bedrijfsmiddel voldoet aan de eisen van de energielijst 2002. Op de verklaring (…) staat tevens het bedrag vermeld dat voor energie-investeringsaftrek in aanmerking komt. Een afschrift van de verklaring moet u voegen bij de aangifte waarmee u verzoekt om toepassing van de energie-investeringsaftrek”.

- Bij brief van 3 november 2005 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder inzake de gedeeltelijke toekenning van het verzoek van C van 20 december 2002 met nummer E0216957.

- Bij brief van 7 december 2005 heeft appellante de gronden van het bezwaar aangevuld.

- Op 18 januari 2006 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Bij brief van 16 februari 2006 heeft appellante haar standpunt over de relevantie in dit verband van de uitspraak van het College van 25 juni 1993 nader uiteengezet

- Bij brieven van 23 februari 2006 en 21 maart 2006 heeft verweerder informatie verzocht over de relaties en verplichtingen tussen C en A. Bij brieven van 9 maart 2006 en 31 maart 2006 heeft appellante informatie verstrekt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder, voor zover van belang, het volgende overwogen

Om voor EIA in aanmerking te komen, dient een investering binnen 3 maanden na het aangaan van de verplichtingen te zijn gemeld. Voor de investering in vijf windturbines die op 20 december 2002 is gemeld, is C met D een overeenkomst aangegaan, bestaande uit een leveringscontract van 24 september 2002 en een Addendum van 31 december 2003. Op 6 januari 2005 is het faillissement van D uitgesproken.

In het bezwaarschrift verwijst appellante naar een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 25 juni 1993. Appellante heeft gesteld dat op basis van deze uitspraak een “doorrol van verplichtingen” mogelijk is. Volgens appellante kunnen met deze uitspraak de EIA-meldingen met nummers 0401186 en 411008 die door A in 2004 zijn gedaan, onder de onderhavige melding worden gebracht, waarmee zij nog aanspraak zou kunnen maken op de Vamil.

Gezien de strekking van de betreffende uitspraak komen de daarin genoemde feiten en omstandigheden niet overeen met de feiten en omstandigheden van onderhavige melding en is daarmee de aangehaalde jurisprudentie niet van toepassing. Alleen al het feit dat I op geen enkele wijze betrokken was of is geweest bij de overeenkomst die C op 24 september 2002 met D heeft gesloten maakt dat van een vergelijkbare zaak hier geen sprake is. Ook is er in dit geval geen ondertekend overnamecontract tussen I, D en C vanwege het faillissement met D ten tijde van de overhandelingen. Daaruit volgt dat geen overname is van de bestaande verplichtingen van D door I en daarmee is ook geen sprake van een “doorrol van verplichtingen”.

Daarnaast is het de overeenkomst met I die heeft geleid tot daadwerkelijke levering en installatie van de vijf windturbines en de betaling ervan. Deze overeenkomst is dan ook leidend bij de beoordeling van onderhavige melding. Dit leidt tot de conclusie dat de kosten die betrekking hebben op vijf windturbines van I die appellante in 2004 heeft gemeld voor EIA niet onder onderhavige melding kunnen worden gebracht.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder de verschillen tussen de in de uitspraak van het College van 25 juni 1993 relevante feiten en omstandigheden en de huidige feiten en omstandigheden nader uitgewerkt en tevens gewezen op een inconsistentie in de stellingname van appellante, aangezien zij in beroep heeft betoogd dat zij, naast de toekenning van de melding van 20 december 2002, recht heeft op een EIA-verklaring van € 25.000,- op grond van de melding van 22 maart 2005 die de overeenkomst met I betreft. Aldus ziet appellante die verplichting als een afzonderlijk aangedane verplichting en niet als een overname van de overeenkomst met D.

4. Het standpunt van appellante

Appellante stelt zich op het standpunt dat verweerder op basis van de melding van appellante van 20 december 2002 met nummer E0216957 een EIA-verklaring ter hoogte van de omvang van de gemelde investering (€ 3.900.000,-) had moeten afgeven.

Ter onderbouwing van dit standpunt betoogt appellante in haar beroepschrift uitvoerig dat de uitspraak van het College van 25 juni 1993 ook in het voorliggende geval moet leiden tot de conclusie dat zowel het D contract als het I contract onder de eerder genoemde melding kunnen worden gebracht, waarbij appellante opmerkt dat volledige toekenning van de EIA-verklaring op basis van die melding tot gevolg zou moeten hebben dat de EIA-verklaring op basis van de melding met nummer E0411008 door verweerder moet worden verlaagd tot € 25.000,-.

Ter zitting heeft appellante hieraan toegevoegd dat verweerder tot taak heeft een EIA-verklaring af te geven voor een verplichting die is aangegaan en derhalve voor het totale (en gevraagde) bedrag dat is overeengekomen. De omstandigheid dat D haar verplichtingen niet nakomt, mag voor verweerder geen reden zijn om af te wijken van de aanvraag. In de aangifte vennootschapsbelasting mag dan slechts EIA worden geclaimd over het daadwerkelijk aan D betaalde bedrag.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Centraal bij de beoordeling van dit geschil staat of verweerder terecht heeft gehandhaafd zijn beslissing om op grond van de melding en het verzoek van appellante van 20 december 2002 met nummer E0216957, een EIA-verklaring ter hoogte van een bedrag van € 539.098 af te geven. Het College overweegt dienaangaande als volgt.

5.2 De gronden voor de beslssing op het verzoek tot het afgeven van een EIA-verklaring zijn opgenomen in de Uitvoeringsregeling. Uit het stelsel van de wet volgt dat indien en voorzover het verzoek voldoet aan de toetsingscriteria, dat verzoek (in die mate) dient te worden toegewezen in de vorm van de afgifte van een EIA-verklaring. Of het (totale) investeringsbedrag waarvoor de EIA-verklaring is afgegeven, vervolgens ter bepaling van de belastbare winst van een onderneming over een bepaald jaar kan worden afgetrokken van die winst – en de aanvrager derhalve de verklaarde energie-investeringsaftrek daadwerkelijk geniet – dient beantwoord te worden op basis van, onder meer, artikel 8, eerste lid, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en is, voor zover hier van belang, afhankelijk van de vaststelling of en in hoeverre de investering waarop de afgegeven verklaring betrekking heeft, daadwerkelijk is gedaan. De bevoegdheid om uitvoering te geven aan deze bepaling door het geven van een oordeel over de aftrekbaarheid van de betreffende investering ter bepaling van de belastbare winst, berust bij de inspecteur van de Belastingdienst in het kader van zijn taak tot het vaststellen van de aanslag, zo volgt uit artikel 11, eerste lid van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen.

5.3 Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder bij zijn beslissing op het verzoek van appellante tot het afgeven van een EIA-verklaring in verband met een investering in vijf windturbines en locatierechten, onder meer heeft betrokken de vraag of en in hoeverre de investeringsverplichting die (de rechtsvoorganger van) appellante op 24 september 2002 is aangegaan ten opzichte van D, door appellante daadwerkelijk is uitgevoerd. Deze toetsing van de uitvoering van de aangemelde investeringsverplichting valt naar het oordeel van het College buiten het kader van Uitvoeringsregeling. De mate van daadwerkelijke uitvoering van de verplichting ten opzichte van D bepaalt immers, onder meer, de omvang van de belastbare winst van appellante in een bepaald jaar. De toetsing daarvan dient plaats te vinden in het kader van het bepalen van de aftrekbaarheid van de gemelde energie-investering en valt derhalve, zo volgt uit het in paragraaf 5.2 overwogene, binnen de taak en bevoegdheden van de inspecteur van de Belastingdienst.

Van een nadere regeling van deze taak- en bevoegdheidsverdeling, voor zover al mogelijk, is niet gebleken. Integendeel; zowel de ontvangstbevestiging Meldingsformulier /Verzoek om verklaring Energie-investeringsaftrek van de Belastingdienst, als het besluit in primo vermelden de wettelijke taak- en bevoegdheidsverdeling expliciet. Dat, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, de inspecteur van de Belastingdienst gewoonlijk de toegekende EIA-verklaring volgt en verweerder om die reden toetst of en in hoeverre de investeringen daadwerkelijk zijn gedaan, kan aan de wettelijke taak- en bevoegdheidsverdeling niet afdoen.

5.4 Uit het bovenstaande volgt dat verweerder ten onrechte bij zijn beslissing op het verzoek van appellante van 20 december 2002 heeft betrokken de mate waarin appellante de op 24 september 2002 aangegane investeringsverplichting ten opzichte van D heeft uitgevoerd. Aangezien het bestreden besluit geen toepassing geeft aan de in de Uitvoeringsregeling bepaalde toetsingscriteria, kan dat besluit, naar het oordeel van het College, niet in stand kan blijven. Het beroep is dan ook gegrond.

5.4 In verband met het voorgaande, kunnen de overige beroepsgronden onbesproken blijven.

5.5 Het bovenstaande brengt het College tot de conclusie dat verweerder bij het bestreden besluit op onjuiste gronden zijn beslissing heeft gehandhaafd om op grond van de melding van appellante van 20 december 2002 met nummer E0216957 een EIA-verklaring ter hoogte van een bedrag van € 539.098 af te geven. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

5.6 Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten, die met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden bepaald op

€ 644,- (voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting elk 1 punt, met een wegingsfactor van 1).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op met inachtneming van het vorenoverwogene opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen;

- veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte proceskosten ad € 644,- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro),

onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de Staat aan appellante vergoedt het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,-- (zegge:

tweehonderdéénentachtig euro).

Aldus gewezen door mr. J.A. Hagen, mr. M.A. Fierstra en mr. M. van Duuren in tegenwoordigheid van mr. C.G.M. van Ede als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2007.

w.g. J.A. Hagen w.g. C.G.M van Ede