Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB8193

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-10-2007
Datum publicatie
19-11-2007
Zaaknummer
AWB 06/231
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling superheffing en melkpremie 2004

Wetsverwijzingen
Regeling superheffing 23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 06/231 31 oktober 2007

10820 Regeling superheffing en melkpremie 2004

Uitspraak in de zaak van:

Mts. A en B, te C, appellante,

tegen

het Productschap Zuivel, verweerder,

gemachtigde: mr. G.W.P.A. van Schijndel, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 28 februari 2006, bij het College binnengekomen op 7 maart 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 26 januari 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen verweerders besluit van 3 juni 2005, waarbij in het kader van de Regeling superheffing en melkpremie 2004 de rechtstreekse verkoop van zuivel door appellante in de heffingsperiode 2004/2005 is geregistreerd door verweerder.

Bij brief van 11 april 2006 heeft appellante nadere stukken overgelegd.

Verweerder heeft op 25 april 2006 een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 8 augustus 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante zich met bericht van verhindering niet heeft doen vertegenwoordigen en verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Namens verweerder is mede verschenen L.J. Koers.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten luidt voorzover hier van belang:

" Artikel 1

Werkingssfeer

1. Gedurende 11 opeenvolgende tijdvakken van twaalf maanden, te beginnen op 1 april 2004, (hierna “tijdvakken van twaalf maanden” te noemen), wordt een heffing ingesteld (hierna “de heffing” te noemen) over de hoeveelheden koemelk en andere zuivelproducten die in het betrokken tijdvak van twaalf maanden boven de in de bijlage I vastgestelde nationale hoeveelheden worden vermarkt. (…)

Artikel 12

Heffing bij rechtstreekse verkoop

1. (…)

2. Aan de hand van volgens de procedure van artikel 23, lid 2, vastgestelde criteria bepalen de lidstaten de grondslag voor de berekening van de bijdrage van de producent in de heffing die verschuldigd is op de totale hoeveelheid melk die is verkocht of doorverkocht of is gebruikt voor de vervaardiging van verkochte of doorverkochte zuivelproducten. "

Verordening (EG) nr. 595/2004 van de Commissie van 30 maart 2004 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten luidde ten tijde en voorzover hier van belang als volgt:

" Artikel 12

Equivalenties

1. Voor de andere producten dan melk die worden vermarkt, bepalen de lidstaten de verwerkte hoeveelheden melk. Voor room en boter zijn de daarbij te hanteren equivalenties:

a) 1 kg room = 0,263 kg melk x in massaprocenten uitgedrukt vetgehalte van de room,

b) 1 kg boter = 22,5 kg melk.

Voor kaas en alle andere zuivelproducten bepalen de lidstaten de equivalenties, daarbij in het bijzonder rekening houdend met het drogestofgehalte en het vetgehalte van de betrokken soorten kaas of andere producten.

(…) "

De Regeling superheffing en melkpremie 2004 (hierna: de Regeling) luidde ten tijde en voorzover hier van belang als volgt:

" Artikel 23

1. Het productschap stelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van de commissieverordening de melkequivalenties vast voor andere zuivelproducten dan room en boter. "

De Zuivelverordening uitvoering regeling superheffing 2004 (hierna: Zuivelverordening 2004) luidde ten tijde en voorzover hier van belang:

" Artikel 6

1. Het melkequivalent van room en boter wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 12, eerste lid, onderdeel a en b, van de commissieverordening.

2. Voor de vaststelling van het melkequivalent van kaas wordt 1 kg kaas gelijkgesteld met 9,5 kg melk. (…)

3. Voor de vaststelling van het melkequivalent van andere zuivelproducten dan bedoeld in het eerste en tweede lid wordt:

- indien het yoghurt, pap, vla en andere vloeibare zuivelproducten betreft, de factor 1 gehanteerd;

- indien het kwark betreft, de factor 3 gehanteerd.

4. Indien de in het derde lid bedoelde producten zijn bereid uit melk waaraan melkvet is onttrokken en het betrokken melkvet bij de vaststelling van de grondslag voor de eventuele heffing is meegeteld, wordt met inachtneming hiervan een lagere hoeveelheid vastgesteld.

5. (…) "

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In de heffingsperiode 2004/2005 heeft verweerder op naam van appellante een consumentenquotum van 2000 kg melk geregistreerd.

- Appellante heeft voor de heffingsperiode 2004/2005 opgave gedaan van de rechtstreekse verkoop van 12 kg boter en 270 kg (0,50% vet) karnemelk en van consumptiemelk en andere zuivelproducten zijnde 1100 kg yoghurt (4,50% vet), 1050 kg karnemelk (0,50% vet) en 200 kg melk (4,50% vet).

- Bij besluit van 3 juni 2005 heeft verweerder op basis van deze opgave de totale hoeveelheid melkequivalent berekend op 2620 kg melk, en geregistreerd in de heffingsperiode 2004/2005. Bij besluit van 18 juli 2005 heeft verweerder hiervoor vervolgens een heffing opgelegd van € 179,66 over 540 kg melk.

- Bij brief van 7 juni 2005 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 juni 2005. Appellante heeft in deze procedure afgezien van een hoorzitting.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder wijst erop dat het uitgangspunt bij rechtstreekse verkoop de hoeveelheid gebruikte volle melk is, en dat bij de verkoop van magere zuivelproducten daarom beslissend is hoeveel volle melk is gebruikt voor de productie van 1 kg mager zuivelproduct. Verweerder stelt dat hij in het onderhavige geval voor de omrekening van 1320 kg karnemelk naar volle melk terecht een omrekeningsfactor 1 heeft toegepast. Deze omrekeningsfactor volgt uit het gestelde in artikel 12, eerste lid, Verordening (EG) nr. 595/2004 juncto artikel 6, derde lid, Zuivelverordening 2004.

Volgens verweerder is het juist dat het totaal van 1320 kg karnemelk vervolgens is meegeteld in de berekening van de hoeveelheid melk die in aanmerking wordt genomen voor de superheffing. Slechts indien deze karnemelk zou zijn bereid uit melk waaraan melkvet is onttrokken en het betrokken melkvet reeds bij de vaststelling van de grondslag voor de eventuele heffing zou zijn meegeteld, zou met inachtneming hiervan op grond van artikel 6, vierde lid, Zuivelverordening 2004 een lagere hoeveelheid melk kunnen worden vastgesteld. Dit is voor 1050 kg van de opgegeven karnemelk echter niet aan de orde, aangezien appellante niet heeft aangetoond dat het melkvet dat is onttrokken aan de melk waaruit de karnemelk is bereid, op de markt is gebracht. Dit is anders voor de volgens opgave geleverde 12 kg boter waarvoor een melkequivalent is geregistreerd van 12 x 22,5 = 270 kg. Voor het deel van de karnemelk dat is vrijgekomen bij de bereiding van deze boter, te weten 270 kg, is de realisatie in kg melk derhalve op 0 gesteld. Voor deze 270 kg melkequivalent heeft dan ook een correctie plaatsgevonden.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft aangevoerd, dat de berekening van de hoeveelheid melkequivalent die in aanmerking wordt genomen voor de superheffing, zoals gehandhaafd in het bestreden besluit, onjuist is. Verweerder hanteert hierbij ten onrechte de omrekeningsfactor 1.00 voor de geleverde karnemelk. Deze omrekeningsfactor zou betekenen dat haar karnemelk een vetgehalte van 4% zou hebben, terwijl dat volgens door haar aangeleverde analyserapporten in werkelijkheid 0,50% is.

Voorts voert appellante aan dat zij een deel van het vet dat vrijkomt bij de productie van de geleverde karnemelk zelf in de vorm van 65 kg boter per jaar voor eigen consumptie gebruikt. Verder worden incidenteel boter en andere zuivelproducten vernietigd. Ten onrechte heeft verweerder hiermee geen rekening gehouden bij het berekenen van de hoeveelheid melkequivalent waarvoor een superheffing geldt.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt vast dat appellante op 2 mei 2005 middels het daartoe bestemde formulier opgave heeft gedaan van de rechtstreekse verkoop van onder meer 1320 kg karnemelk en 12 kg boter in de heffingsperiode 2004/2005.

5.2 Het College stelt voorop dat deze zuivelproducten op grond van artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1788/2003 in beginsel meegerekend dienen te worden bij de registratie van de rechtstreekse verkoop van melk. Het uitgangspunt hierbij is dat het vetgehalte van de uitgangsmelk steeds op enigerlei wijze bij de vaststelling van de heffingsgrondslag dient te worden meegeteld: hetzij bij de verantwoording van het betrokken zuivelproduct, hetzij bij de verantwoording van daarnaast geleverde producten waarin het uit dezelfde uitgangsmelk onttrokken vet is verwerkt, zoals boter of room.

In de situatie waarin - zoals in het onderhavige geval - een deel van de melk waaruit de karnemelk is bereid, reeds verantwoord wordt via levering van uit dezelfde melk verkregen boter, stelt verweerder met inachtneming hiervan op grond van artikel 6, vierde lid, van de Zuivelverordening 2004 een lagere hoeveelheid melk vast om dubbeltelling te voorkomen.

5.3 Voorzover appellante betoogt dat verweerder een lagere hoeveelheid melkequivalent voor de karnemelk had moeten vaststellen in het registratiebesluit overweegt het College als volgt.

Verweerder heeft, afgezien van de eerdergenoemde 12 kg, geen rechtstreekse verkoop van boter geregistreerd in de onderhavige heffingsperiode. Voor de (geleverde) 12 kg boter heeft verweerder 270 kg melk in aftrek gebracht op de hoeveelheid melkequivalent van 1320 kg karnemelk, die in de superheffing wordt betrokken. Het College acht dit, gelet op het voorgaande, juist. De omstandigheid dat appellante - naar zij stelt - 65 kg boter heeft onttrokken aan de melk waaruit de geleverde karnemelk is geproduceerd, en voor eigen consumptie heeft gebruikt, levert gezien het artikel 12, tweede lid, van de Verordening (EG) nr. 1788/2003, geen grond voor een verlaging van de hoeveelheid melkequivalent van de overige geleverde 1050 kg karnemelk. Hetzelfde geldt voor de door appellante - naar eigen zeggen en voor het overige niet aangetoonde - vernietigde boter en andere zuivelproducten. Anders dan appellante is het College van oordeel, dat verweerder op grond van artikel 6, derde lid, van de Zuivelverordening juncto artikel 23 van de Regeling en artikel 12 van Verordening (EG) nr. 595/2004 in het registratiebesluit terecht de factor 1 heeft toegepast bij de omrekening van karnemelk naar melk, ongeacht het daadwerkelijke vetpercentage van die karnemelk.

5.4 Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. H.C. Cusell, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. F.H.M. Possen, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2007.

w.g. H.C. Cusell w.g. C.M. Leliveld