Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2007:BB7147

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-10-2007
Datum publicatie
06-11-2007
Zaaknummer
AWB 06/457
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 06/457 31 oktober 2007

5134 Regeling GLB-inkomenssteun

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en A-B, te C, appellante,

gemachtigde: ing. H. Hofman, werkzaam bij Gibo Accountants en Adviseurs te Dalfsen,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. P.M. Bakker Schut, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 24 mei 2006, bij het College binnengekomen op 2 juni 2006, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 april 2006.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 23 maart 2006, waarbij verweerder appellantes aanvraag akkerbouwsteun in het kader van de Regeling GLB-inkomenssteun (hierna: de Regeling) heeft afgewezen en appellante een uitsluiting heeft opgelegd.

Bij brief van 15 juni 2006 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Op 29 juni 2006 heeft hij een verweerschrift ingediend.

Bij griffiersbrief van 4 september 2006 heeft het College verweerder verzocht aanvullende informatie te verschaffen. Bij brief van 22 september 2006 heeft verweerder hierop gereageerd.

Het College heeft verweerder bij griffiersbrief van 4 oktober 2006 nogmaals om aanvullende informatie gevraagd. Op deze door het College gestelde vragen heeft verweerder bij brief van 12 oktober 2006 geantwoord.

Bij brief van 15 maart 2007 heeft appellant een aanvulling gegeven op het door hem ingediende beroepschrift.

Op 5 april 2007 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij van de zijde van appellante A, bijgestaan door D, werkzaam op het kantoor van de gemachtigde van appellante, is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 22

Steunaanvragen

1. Een landbouwer dient elk jaar een aanvraag voor de onder het geïntegreerd systeem vallende rechtstreekse betalingen in (…)

Artikel 108

Subsidiabele grond

Er kunnen geen betalingsaanvragen worden ingediend voor grond die op de datum vastgesteld voor aanvragen voor oppervlaktesteun in 2003 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was.

(…)

De lidstaten kunnen, onder voorwaarden die volgens de in artikel 144, lid 2, bedoelde procedure nader bepaald moeten worden, van de eerste alinea afwijken, mits zij maatregelen nemen om te voorkomen dat het totale subsidiabele landbouwareaal aanzienlijk toeneemt.”

Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang als volgt:

“ Artikel 2

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

22 .”geconstateerde oppervlakte”: de oppervlakte waarvoor aan alle in de voorschriften voor de toekenning van de steun gestelde voorwaarden is voldaan; (…)

Artikel 51

Kortingen en uitsluitingen bij een te hoge aangifte

1. Indien voor een gewasgroep de oppervlakte die is aangegeven met het oog op welke oppervlaktegebonden steunregelingen dan ook met uitzondering van die voor zetmeelaardappelen en zaaizaad als bedoeld in artikel 93, respectievelijk artikel 99 van Verordening (EG) nr. 1782/2003, groter is dan de overeenkomstig artikel 50, leden 3 tot en met 5, van de onderhavige verordening geconstateerde oppervlakte, wordt de steun berekend op basis van de geconstateerde oppervlakte, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil indien dat verschil meer dan 3 % van de geconstateerde oppervlakte of dan twee hectare, maar niet meer dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte bedraagt.

Bedraagt het verschil meer dan 20 % van de geconstateerde oppervlakte, dan wordt voor de betrokken gewasgroep geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend.

2. Indien ten aanzien van de totale geconstateerde oppervlakte waarop de verzamelaanvraag betrekking heeft, met uitzondering van de oppervlakten voor de steunregelingen voor zetmeelaardappelen en zaaizaad als bedoeld in artikel 93, respectievelijk artikel 99 van Verordening (EG) nr. 1782/2003, de aangegeven oppervlakte meer dan 30 % groter is dan de overeenkomstig artikel 50, leden 3 tot en met 5, van de onderhavige verordening geconstateerde oppervlakte, wordt voor het betrokken kalenderjaar de steun waarop de landbouwer overeenkomstig artikel 50, leden 3 tot en met 5, van de onderhavige verordening in het kader van de betrokken steunregelingen aanspraak zou kunnen maken, geweigerd.

Bedraagt het verschil meer dan 50 %, dan wordt de landbouwer nogmaals van steun uitgesloten voor een bedrag gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen de aangegeven oppervlakte en de overeenkomstig artikel 50, leden 3 tot en met 5, van de onderhavige verordening geconstateerde oppervlakte. (…)”

De Regeling luidt voorzover hier van belang:

“Artikel 32

1. Onder de voorwaarden die voortvloeien uit verordening 1782/2003 en de ter uitvoering daarvan vastgestelde Commissieverordeningen, komt de landbouwer die akkerbouwgewassen teelt in aanmerking voor een subsidie voor een perceel bouwland:

a. dat op 15 mei 2003 niet in gebruik was als blijvend grasland, voor blijvende teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden;

b. dat een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 0,3 ha heeft;

c. dat is gelegen in 1 productieregio;

d. dat is beteeld met een akkerbouwgewas als bedoeld in bijlage IX van verordening 1782/2003 of uit productie is genomen;

e. (…)

Artikel 33

De landbouwer kan een perceel bouwland dat voldoet aan artikel 32, eerste lid, onderdeel a, b en c, vervangen door andere gronden, indien:

a. de perceelsindeling of de verkaveling van het bedrijf van overheidswege wordt gewijzigd of op grond van de Plantenziektewet beperkingen worden gesteld aan het telen van akkerbouwgewassen op het bedrijf;

b. de oppervlakte van de vervangende gronden niet groter is dan de oppervlakte van het te vervangen perceel;

c. voor zover van toepassing, de eigenaar, beperkt gebruiksgerechtigde, verpachter dan wel pachter van de te vervangen percelen heeft ingestemd met het vervangen van deze gronden, en;

d. voorafgaande aan het betrokken verkoopseizoen schriftelijk toestemming is verkregen van DR. Een schriftelijke aanvraag daartoe kan in de periode die loopt tot en met 15 februari 2005 worden ingediend.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft met behulp van het formulier “Gecombineerde opgave 2005” onder meer te kennen gegeven dat zij in aanmerking wenst te komen voor akkerbouwsteun. In dat kader heeft zij steun aangevraagd voor 11.65 ha maïs, waaronder de percelen 6 van 2.25 ha en 7 van 6.50 ha.

- Bij brief van 8 november 2005 heeft verweerder appellante meegedeeld dat bij controle is gebleken dat de percelen 6 en 7 niet voldoen aan de voorwaarden voor steunverlening. In reactie op deze bevindingen heeft appellante bij brief van

21 november 2005 onder meer het volgende meegedeeld :

“(…) De heer en mevrouw A zijn pachter bij het landgoed E. In 2004 is een nieuwe pachter op het landgoed gekomen. Hiervoor is door A in 2003 reeds 3 ha bouwland ingeleverd en in 2004 nogmaals 5.1 ha bouwland. In totaal is dus 8.1 ha ingeleverd. In de plaats daarvan is op nieuwe percelen maïs verbouwd.(…)

Gezien de situatie zoals hierboven beschreven zijn de heer en mevrouw A gedwongen door de verpachter om hun bouwlandpercelen te verplaatsen door een herverkaveling c.q. ruilverkaveling.

Voor de officiële regeling voor verlegging definitie akkerland kunnen de heer en mevrouw A niet in aanmerking komen omdat de gedwongen verplaatsing niet van overheidswege is gedaan maar afgedwongen is in een herverkaveling door de verpachter.

De heer en mevrouw A worden nu buiten hun schuld om de dupe van de regeling dat sprake moet zijn van een gedwongen ruilverkaveling vanuit overheidswege in plaats van een gedwongen verkaveling in een landgoed.

(…)”

- Bij besluit van 23 maart 2006 heeft verweerder de aanvraag akkerbouwsubsidie afgewezen en appellante een uitsluiting opgelegd.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 29 maart 2006 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Daarbij heeft hij opgemerkt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat daarom geen hoorzitting heeft plaatsgevonden.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende overwogen.

De percelen 6 en 7 zijn als niet geconstateerd aangemerkt, omdat zij niet voldoen aan de definitie akkerland. Daardoor ontstaat een verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte dat, uitgedrukt in een percentage van de geconstateerde oppervlakte 301,72 % bedraagt. Met toepassing van artikel 51 van Verordening (EG)

nr. 796/2004 heeft verweerder de aanvraag afgewezen en appellante tevens een uitsluiting opgelegd tot een bedrag van

€ 3671,33.

Appellante heeft niet bestreden dat de percelen 6 en 7 niet voldoen aan de definitie akkerland. Verweerder is dan gehouden om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 51 van Verordening (EG) nr. 796/2004.

Appellante heeft zelf aangegeven dat deze percelen niet werden verkregen uit een van overheidswege opgelegde herverkaveling. Daarom kan appellante niet in aanmerking komen voor de in artikel 33 van de Regeling neergelegde mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden de op een perceel rustende kwalificatie akkerland over te dragen op een ter vervanging verkregen perceel (het zogenoemde schuiven met de definitie akkerland).

Voorts heeft appellante nagelaten voor 15 februari 2005 toestemming te vragen om met de definitie akkerland te mogen schuiven.

4. Het standpunt van appellante

Appellante pachtte percelen op het landgoed E. Op een ander landgoed moest een bedrijf verplaatst worden vanwege de van overheidswege gestimuleerde aanleg van natuur. Het bedrijf werd verplaatst naar het landgoed E, dat daardoor herverkaveld moest worden. Door deze herverkaveling heeft appellante landbouwgrond moeten inleveren. Tegelijkertijd heeft zij daardoor ook bijgedragen aan de door de overheid gewenste uitbreiding van natuurgebied. Daarmee voldoet appellante wel degelijk aan de onder artikel 33 sub a van de Regeling gestelde eis dat het om een verkaveling van overheidswege dient te gaan.

Appellante bemerkte pas bij het doornemen van de brochure betreffende de aanvraag 2005 dat sinds 2005 de referentieperiode 1987 tot en met 1991 was gewijzigd in 15 mei 1998 tot en met 15 mei 2003. Op dat ogenblik was het niet meer mogelijk een verlegging van de percelen te realiseren.

In haar brief van 15 maart 2007 heeft appellante betoogd dat verweerder op zijn eigen website, waarop aanvragers van subsidie kunnen controleren of een door hen op te geven perceel voldoet aan de definitie akkerland, eenvoudig had kunnen vaststellen dat de percelen 6 en 7 niet subsidiewaardig waren. Dit betekent dat er sprake was van een kennelijke fout in de aanvraag. Ten onrechte heeft verweerder vervolgens nagelaten appellante in de gelegenheid te stellen haar aanvraag aan te passen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Appellante bestrijdt niet dat de percelen 6 en 7 in de referentieperiode van 15 mei 1998 tot en met 15 mei 2003 niet in gebruik zijn geweest als akkerland. Niet in geschil is daarom dat deze percelen niet als subsidiabele grond in de zin van artikel 108 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 kunnen gelden.

Dit betekent dat op grond van artikel 51 van Verordening (EG) nr. 796/2004 op de aanvraag geen subsidie kon worden toegekend en dat appellante een uitsluiting diende te worden opgelegd.

5.2 Het College volgt appellante niet in haar betoog dat verweerder bij raadpleging van zijn eigen website, met behulp waarvan aanvragers van subsidie kunnen nagaan of een door hen voor subsidie op te geven perceel voldoet aan de definitie akkerland, direct had behoren zien dat appellante een niet steunwaardig perceel had opgegeven voor subsidie en haar de gelegenheid had moeten bieden haar aanvraag aan te passen.

Het College kan geen grondslag aanwijzen op grond waarvan verweerder verplicht is een aanvraag na binnenkomst op mogelijke fouten als hier aan de orde te controleren en de aanvrager eventueel te waarschuwen, dat hij mogelijk een vergissing heeft gemaakt.

Daarenboven heeft verweerder uiteengezet dat de website onjuiste en onvolledige gegevens kan bevatten. Het is mogelijk dat een aanvrager bewust een perceel voor subsidie opgeeft, dat volgens de website niet steunwaardig zou zijn, maar waarvan hij weet dat het wel subsidiewaardig is. Verweerder kon dus aan de hand van de gegevens op de website niet met zekerheid vaststellen dat appellante niet de bedoeling kon hebben gehad de percelen

6 en 7 voor subsidie op te geven.

5.3 Het betoog van appellante dat er sprake was van een kennelijke fout in de aanvraag kan niet slagen.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een kennelijke fout hanteert verweerder als uitgangspunt het werkdocument AGR 49533/2002 van de Europese Commissie. Het College heeft in vaste jurisprudentie uitgesproken dit aanvaardbaar te achten.

Van een kennelijke fout kan over het algemeen alleen worden gesproken indien verweerder bij een summier onderzoek bij ontvangst van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen.

Daarvan is in dit geval geen sprake. Verweerder kon immers aan de hand van de aanvraag op geen enkele wijze veronderstellen dat appellante mogelijkerwijs voor de percelen 6 en 7 geen akkerbouwsubsidie had willen aanvragen.

5.4 Appellante is door haar gepachte percelen akkerbouwland op het landgoed E kwijtgeraakt door een herverkaveling. In dat verband meent zij te mogen schuiven met de definitie akkerland.

Artikel 33 van de Regeling stelt een aantal voorwaarden waaraan moet zijn voldaan alvorens het zogenoemde schuiven kan plaatsvinden. Ingevolge het gestelde onder d van dit artikel is dit alleen mogelijk indien vóór 15 februari 2005 een aanvraag daartoe bij verweerder is ingediend. Nu een dergelijke aanvraag door appellante nimmer is ingediend kan reeds hierom deze grief van appellante niet slagen.

Daarnaast wordt ook niet voldaan aan de onder onderdeel a van dit artikel vermelde eis dat er sprake moet zijn van een verkaveling van overheidswege. Daarvan is hier geen sprake. De stelling van appellante dat door de verkaveling de overheid de mogelijkheid heeft verkregen om natuur te ontwikkelen betekent geenszins dat daardoor de verkaveling van overheidswege is afgedwongen.

5.5 Het College heeft ambtshalve de vraag gesteld aan de orde gesteld of verweerder de hoogte van het uitsluitingsbedrag juist heeft berekend door daarbij geen rekening te houden met de in 2005 geldende maïskorting van 17,32 % wegens overschrijding van het basisareaal maïs.

Aangezien deze problematiek ook speelde in een andere zaak heeft het College met zijn uitspraak in de zaak van appellante gewacht op de principiële beslissing van de meervoudige kamer in die zaak.

Het College heeft bij uitspraak van 17 oktober 2007 (AWB 06/438; <www.rechtspraak.nl>, LJN BB6209) beslist dat verweerder bij de berekening van het uitsluitingsbedrag geen rekening kan houden met de opgelegde maïskorting. Verweerder heeft het appellante opgelegde uitsluitingsbedrag van € 3671,33, waarbij geen rekening is gehouden met de maïskorting, daarom niet onjuist berekend.

5.6 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Vazquez Muñoz als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2007.

w.g. W.E. Doolaard De griffier verkeert in de onmogelijkheid deze uitspraak

te ondertekenen